RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12106514 \ CV EXPL 26-1050
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
1 [verhuurder 1] ,
te [plaats] ,2. [verhuurder 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [verhuurders] ,
gemachtigde: mr. P.E.A.M. Gerritse,
tegen
[huurder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.
1 De zaak in het kort
[huurder] huurt een woning van [verhuurders] . [verhuurders] wil dat [huurder] de woning verlaat, omdat hij een forse huurachterstand heeft laten ontstaan. Ook heeft hij volgens [verhuurders] zonder toestemming derden in het gehuurde laten verblijven en het gehuurde niet daadwerkelijk zelf gebruikt. [huurder] ontkent de huurachterstand niet, maar stelt dat sprake is van achterstallig onderhoud en gebreken. Hij zou daarnaast alleen zijn neef hebben laten inwonen en er zou geen sprake zijn van onderverhuur. De kantonrechter oordeelt dat [huurder] de woning moet verlaten. Ook moet hij de achterstallige huur betalen.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 februari 2026,- de conclusie van antwoord van 25 maart 2026,- de akte houdende in het geding brengen van producties van [verhuurders] van 5 augustus 2026,
- de akte houdende in het geding brengen van producties van [verhuurders] van 13 augustus 2026,
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
[huurder] huurt met ingang van 1 juli 2011 van [verhuurders] de bovenwoning aan [adres] (hierna: het gehuurde).
Bij aanvang van de huurovereenkomst bedroeg de huurprijs € 986,00 per maand. Inmiddels bedraagt de huurprijs € 1.445,70 per maand.
Vanaf juli 2024 heeft [huurder] de huur stelselmatig te laat of in zijn geheel niet voldaan. Per e-mail van 23 augustus 2024 en 26 september 2024 heeft [verhuurders] [huurder] aangeschreven op de te late huurbetalingen. Ook heeft [verhuurders] [huurder] erop gewezen dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde moet houden en het hem niet toegestaan is het gehuurde onder te verhuren zonder toestemming.
Mede doordat de betalingsproblemen aanhielden, heeft [verhuurder 1] besloten om over te gaan tot dagvaarding. Op het moment van dagvaarden is de kale huurachterstand (zonder rente en kosten) opgelopen tot € 6.199.97.
4 Het geschil
[verhuurders] vordert - samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. De tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbinden;
II. [huurder] te veroordelen het gehuurde binnen twee weken na betekening van het vonnis te verlaten en te ontruimen;
III. [huurder] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huur op het moment van ontbinding;
IV. [huurder] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs per maand, vanaf de ontbinding tot de ontruiming van het gehuurde;
V. [huurder] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.178,07 te vermeerderen met de BTW;
VI. [huurder] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
[verhuurders] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Allereerst heeft hij in strijd gehandeld met verschillende bepalingen uit de huurovereenkomst door het gehuurde niet daadwerkelijk zelf te gebruiken, een bedrijf te laten vestigen in het gehuurde en het gehuurde in gebruik te geven aan een derde. Daarnaast is hij ook tekortgeschoten in de betalingsverplichting die voortvloeit uit de huurovereenkomst en is er een flinke huurachterstand ontstaan.
[huurder] voert verweer. [huurder] stelt allereerst dat in de huurovereenkomst geen verplichting is opgenomen om een bepaald aantal dagen per jaar in het gehuurde aanwezig te zijn. Daarnaast zou er geen sprake zijn van onderhuur, maar zou zijn neefje bij hem zijn komen inwonen. De inschrijving van zijn bedrijf berust volgens hem op een misverstand, nu [huurder] in de veronderstelling was dat zijn neefje zichzelf op het adres wilde inschrijven en niet zijn bedrijf. Verder wordt de huurachterstand door [huurder] niet betwist, wel geeft hij aan dat het gehuurde gebreken heeft.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
[huurder] moet de huurachterstand betalen
Vast staat dat [huurder] een huurachterstand heeft laten ontstaan. Deze huurachterstand bedroeg ten tijde van dagvaarding € 6.199,97 (kale huurachterstand tot en met februari 2026) en daarmee dus ruim vier maanden. Ten tijde van de mondelinge behandeling is gebleken dat de huurachterstand inmiddels is opgelopen naar € 14.774,73 (kale huurachterstand tot en met augustus 2026), wat ruim tien maanden is. De hoogte van de huidige huurachterstand is door [huurder] niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Hoewel [huurder] zelf niet aanwezig was tijdens de zitting, heeft hij wel contact gehad met een vriend, [persoon] , die wél op de zitting aanwezig was. Ook [persoon] heeft de hoogte van de achterstand niet weersproken. Door [verhuurders] wordt gevorderd de huurachterstand toe te wijzen tot het moment van ontbinding. Inmiddels is de huur over de maanden september en oktober 2026 ook verschuldigd en zullen ook die termijnen worden toegewezen, voor zover nog niet betaald. De gevorderde betaling van de huurachterstand wordt daarom toegewezen tot en met oktober 2026 tot een bedrag van € 17.666,13.
De huurovereenkomst wordt ontbonden en [huurder] moet het gehuurde ontruimen
Ten aanzien van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming overweegt de kantonrechter als volgt. Uit artikel 6:265 lid 1 BW volgt dat elke tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen aan de wederpartij (en in geval van huur de kantonrechter) de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming door haar bijzondere aard of geringe betekening de ontbinding en de gevolgen daarvan niet rechtvaardigt.
Gezien de huurachterstand staat vast dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. In dit geval kan dat naar het oordeel van de kantonrechter ook leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter houdt er in dit geval ook rekening mee dat de huurachterstand na het uitbrengen van de dagvaarding verder is opgelopen tot meer dan tien maanden en dat [huurder] geen concreet plan of zekerheid heeft gegeven voor betaling van de lopende huur of het inhalen van de achterstand. Tijdens de zitting is ook duidelijk geworden dat [huurder] op dit moment in detentie verblijft en het is niet duidelijk hoelang die situatie nog zal voortduren. Verder zijn door [huurder] ook geen andere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de ontbinding niet gerechtvaardigd is. Weliswaar heeft [huurder] als verweer aangevoerd dat het gehuurde gebreken vertoont en dat kan worden betwijfeld of de gevraagde huurprijs nog gerechtvaardigd is, maar dat neemt de tekortkoming niet weg. [huurder] heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd dat daadwerkelijk sprake is van gebreken. Tijdens de zitting heeft [verhuurders] toegelicht dat zij waar nodig onderhoud verricht aan het gehuurde. Het rapport dat door [huurder] is overgelegd ter onderbouwing, dateert van 2019. De huurachterstand is ontstaan in 2024 en op dat moment is er niet meer geklaagd over gebreken. De kantonrechter beschouwt de opmerking over de gebreken verder enkel als een verweer en niet als een tegenvordering. Op grond van het bepaalde in artikel 7:207 lid 1 BW kan huurprijsvermindering slechts worden gevorderd door middel van een vordering bij de rechter, hetgeen blijkt uit het gebruik van het werkwoord ‘vorderen’ in genoemd artikel alsmede uit de wetsgeschiedenis.1 Dit heeft [huurder] niet gedaan.
Gezien het voorgaande kan van [verhuurders] kan niet langer gevergd worden dat de huurovereenkomst in stand blijft. Om die reden zal de kantonrechter de huurovereenkomst ontbinden. Omdat de kantonrechter overgaat tot ontbinding van de huurovereenkomst, moet [huurder] het gehuurde ontruimen. Dat moet gebeuren binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Nu de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt toegewezen op grond van de huurachterstand, komt de kantonrechter niet toe aan de overige grondslagen die aan die vordering ten grondslag zijn gelegd, namelijk dat [huurder] het gehuurde in strijd met de huurovereenkomst heeft gebruikt of heeft onderverhuurd. Deze grondslagen kunnen dan ook onbesproken blijven.
[huurder] moet een gebruiksvergoeding betalen
[verhuurders] vordert verder dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag gelijk aan de huurprijs, zijnde € 1.445,70, vanaf de ontbinding tot het moment dat het gehuurde is ontruimd. Deze vordering is door [huurder] niet als zodanig weersproken en zal daarom worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
[verhuurders] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [verhuurders] heeft aan [huurder] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [huurder] . Ook is in de aanmaning het toepasselijke wettelijke tarief niet vermeld. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
[huurder] moet rente betalen
Tegen de door [verhuurders] gevorderde rente over de huurachterstand heeft [huurder] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Nu de gevorderde rente de kantonrechter niet onredelijk voorkomt en aansluit bij het in dat jaar geldende tarief van de wettelijke rente, zal deze worden toegewezen.
[huurder] moet de proceskosten betalen
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurders] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
265,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.282,02 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De kantonrechter
ontbindt met ingang van vandaag de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woonruimte gelegen aan [adres] ;
veroordeelt [huurder] om het gehuurde binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met achterlating van de aanwezige zaken die in eigendom zijn van [verhuurders] , onder afgifte van de sleutels;
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurders] te betalen een bedrag van € 17.666,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de huurtermijnen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurders] te betalen een bedrag van € 1.445,70 per maand aan gebruiksvergoeding vanaf 1 november 2026 tot het moment waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.282,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
||