RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1429, 25/1430, 25/1431, 25/1432. 25/1433 en 25/1434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verzoeken om ambtshalve vermindering met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2013 en 2017 tot en met 2021. Belanghebbende is het niet eens met deze aanslagen. De rechtbank beoordeelt of de verzoeken om ambtshalve vermindering met betrekking tot de jaren 2013 en 2017 terecht zijn afgewezen. Met betrekking tot de jaren 2018 tot en met 2021 beoordeelt de rechtbank of de beroepen ontvankelijk zijn.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verzoeken om ambtshalve vermindering met betrekking tot de jaren 2013 en 2017 terecht zijn afgewezen. De beroep met betrekking tot de jaren 2013 en 2017 zijn dus ongegrond. Met betrekking tot de jaren 2018 tot en met 2021 komt de rechtbank tot het oordeel dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Dit betekent dat de aanslagen in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen IB/PVV opgelegd over de jaren 2013 en 2017 tot en met 2021.
De inspecteur heeft het bezwaar over 2013 bij uitspraak op bezwaar van 12 juni 2018 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en verder behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit verzoek heeft de inspecteur afgewezen.
Het bezwaar van 1 juni 2019 tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur op 30 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en verder behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit verzoek heeft de inspecteur afgewezen.
Met dagtekening 12 september 2019 heeft belanghebbende bezwaar ingesteld tegen de beslissing van de inspecteur van 30 juli 2019. Het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur met dagtekening 4 februari 2025 ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft het bezwaar over 2017 bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2021 niet-ontvankelijk verklaard en verder behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit verzoek heeft de inspecteur afgewezen.
Het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur met dagtekening 4 februari 2025 ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft het bezwaar over 2018 bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2020 niet-ontvankelijk verklaard en verder behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit verzoek heeft de inspecteur afgewezen.
Het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur met dagtekening 20 december 2024 ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft het bezwaar over 2019 bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft het bezwaar over 2020 bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft het bezwaar over 2021 bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar van 4 februari 2025 over de jaren 2013 en 2017 en de uitspraken op bezwaar van 20 december 2024 over de jaren 2018 tot en met 2021 beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr.drs. [inspecteur 2] .
Feiten
3. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV verschillende bedragen in aanmerking genomen als restant persoonsgebonden aftrek en als kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2017 een verzamelinkomen vermeld van € 18.333. Belanghebbende heeft op 10 augustus 2020 een herziene aangifte ingediend, waarin een bedrag van € 15.000 is opgenomen als restant persoonsgebonden aftrek. De inspecteur heeft deze aangifte behandeld als een bezwaarschrift (zie 2.4). Op 16 januari 2022 heeft belanghebbende nogmaals een herziene aangifte ingediend. Hierin is een bedrag van € 231.317 opgenomen als restant persoonsgebonden aftrek.
Tot het dossier behoren de track & trace gegevens met betrekking tot de verzending van de uitspraken op bezwaar van 20 december 2024 over de jaren 2018 tot en met 2021. Hierin staat dat de het pakket op 20 december 2024 door PostNL is ontvangen en de bezorging op 21 december 2021 niet is gelukt, waarna het pakket naar een PostNL punt is gebracht.
De inspecteur heeft met dagtekening 4 februari 2024 de uitspraken op bezwaar over 2018 tot en met 2021 opnieuw verstuurd met daarbij een begeleidende brief waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Met dagtekening 20 december 2024 heb ik u de uitspraken op bezwaar IH voor de 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022 aangetekend verzonden. Via de track & trace-code is mij gebleken dat de bezorging van de brieven niet gelukt is en de brieven naar een PostNL punt zijn gebracht om daar te worden afgehaald. Op 13 januari 2025 waren de brieven niet afgehaald en zijn de brieven daarom retour afzender gegaan. Zie ook het overzicht van de postbezorging die ik u hierbij toestuur.
Om u van de inhoud van de brieven op de hoogte te brengen stuur ik hierbij een kopie van de betreffende brieven. Met betrekking tot de beroepstermijn ben ik van mening dat u de dagtekening van deze brief voor deze betreffende jaren kunt aanhouden.”
De rechtbank heeft het beroepschrift van belanghebbende ontvangen op 7 maart 2025.
Beoordeling door de rechtbank
4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bedragen die hij in zijn aangiften heeft opgenomen als restant persoonsgebonden aftrek en kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking moeten worden genomen in verband met de beslaglegging in 2011 als gevolg waarvan hij zijn onderneming niet heeft kunnen voortzetten, inkomsten heeft gederfd en de inbeslaggenomen goederen is verloren.
De aanslag IB/PVV 2013
Met betrekking tot de aanslag IB/PVV over het jaar 2013 overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 45aa, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat de inspecteur een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld ambtshalve vermindert zodra hem dat is gebleken, tenzij vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. De termijn waarin belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering over het jaar 2013 kon doen liep dus tot en met 31 december 2018.
De inspecteur heeft het bezwaar dat verder is behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering ontvangen op 1 juni 2019. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur dit verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen, omdat het verzoek buiten de genoemde termijn van vijf jaren is ingediend.
De aanslag IB/PVV 2017
De rechtbank stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende het bedrag dat hij in aftrek wenst te brengen aannemelijk dient te maken. De rechtbank overweegt dat belanghebbende geen, althans onvoldoende, onderbouwing heeft gegeven voor het bedrag van € 231.317 dat hij in zijn tweede herziene aangifte IB/PVV over 2017 als restant persoonsgebonden aftrek heeft ingevuld en dat hij, naar de rechtbank begrijpt, als verlies in aanmerking wil nemen. Informatie over de inbeslaggenomen goederen en de waarde van deze goederen ontbreekt. Bovendien heeft de inbeslagneming zich in 2011 voorgedaan. Voor zover belanghebbende een in 2011 geleden verlies wenst te verrekenen, merkt de rechtbank op dat over 2011 geen verlies is vastgesteld. Verliesverrekening in 2017 van een verlies uit 2011 is niet mogelijk, indien dit verlies niet is vastgesteld.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een aftrekpost of een te verrekenen verlies dat bij de aanslag IB/PVV 2017 in aanmerking dient te worden genomen. De aanslag IB/PVV 2017 is terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 terecht afgewezen.
De aanslagen IB/PVV 2018 tot en met 2021
Een beroepschrift is op tijd ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.2 De termijn voor het instellen van beroep bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.3
De uitspraken op bezwaar met betrekking tot de jaren 2018 tot en met 2021 hadden dagtekening 20 december 2024 en zijn ook op die dag verzonden. Gesteld noch gebleken is dat bij de aanbieding van het pakket aan het adres van belanghebbende geen afhaalbericht is achtergelaten, zodat het niet ophalen van het pakket voor rekening en risico van belanghebbende komt.4 Dit betekent dat de termijn voor het instellen van beroep eindigde op 31 januari 2025. De beroepen met betrekking tot de jaren 2018 tot en met 2021 zijn niet tijdig zijn ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. De mededeling van de inspecteur in zijn brief van 4 februari 2025 dat belanghebbende met betrekking tot de beroepstermijn kon uitgaan van de dagtekening van die brief brengt niet mee dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de brief met dagtekening 4 februari 2025 ook op deze datum is verzonden. Belanghebbende heeft dit niet betwist. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift vermeld dat hij voor het eerst kennis heeft genomen van de afwijzingen op 26 januari 2026, maar heeft ter zitting verklaard dat hij zich hierin kan hebben vergist. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat belanghebbende binnen de beroepstermijn kennis heeft genomen van de mededeling van de inspecteur. Belanghebbende kon aan deze mededeling dus niet het vertrouwen ontlenen dat hij zijn beroepschrift nog na afloop van de wettelijke beroepstermijn kon indienen.5
Het voorgaande betekent dat de beroepen met betrekking tot de jaren 2018 tot en met 2021 niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verzoek om middeling
Belanghebbende verzoekt de rechtbank om middeling toe te passen vanaf het jaar 2012. Voor middeling geldt een afzonderlijke procedure die ingeleid moet worden met een verzoek aan de inspecteur.6 Verder geldt dat voor de onderhavige jaren nog een procedure gaande is, terwijl middeling pas mogelijk is als de aanslagen definitief zijn. Voor zover belanghebbende reeds een middelingsverzoek heeft ingediend, de inspecteur hierop heeft beslist, en naar aanleiding van deze beslissing de bezwaarprocedure is doorlopen, merkt de rechtbank op dat het beroep gericht is tegen de in onderdeel 2.11 genoemde uitspraken op bezwaar, zodat een eventuele beslissing ten aanzien van een middelingsverzoek in de onderhavige zaken niet voorligt. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet kan oordelen over het verzoek om middeling.
Verzoek om schadevergoeding
Belanghebbende verzoekt om vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van de beslaglegging. Belanghebbende wijst in dit verband met name op gezondheidsproblemen die zijn ontstaan door stress, het verlies van de in beslag genomen goederen en het verlies van inkomen.
De rechtbank is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt als gevolg van onder meer een onrechtmatig besluit van dat bestuursorgaan. De rechtbank is slechts bevoegd om te oordelen over de door belanghebbende geclaimde schade voor zover die het gevolg is van het in dit beroep voorliggende besluit. Hierbij is vereist dat sprake is van een gegrond beroep. Aangezien belanghebbendes beroepen over de jaren 2013 en 2017 ongegrond worden verklaard en de beroepen over de jaren 2018 tot en met 2021 niet-ontvankelijk worden verklaard, komt de rechtbank niet tot een toekenning van een schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen met betrekking tot de jaren 2013 en 2017 zijn ongegrond. De beroepen met betrekking tot de jaren 2018 tot en met 2021 zijn niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de bestreden beslissingen in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen met betrekking tot de jaren 2013 en 2017 ongegrond;
- verklaart de beroepen met betrekking tot de jaren 2018, 2019, 2020 en 2021 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de griffier.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.