ECLI:NL:RBZWB:2026:9531

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BRE 25/1240
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Forensenbelasting, ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/1240

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] (België), belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag forensenbelasting voor het jaar 2022 (de aanslag). Belanghebbende is het niet eens met de aanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het beroep, beoordeelt zij eerst of het beroep ontvankelijk is.

1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van belanghebbende ontvankelijk is en dat de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Dit betekent dat de aanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2022 opgelegd ten aanzien van de woning aan de [adres] (de woning).

2.1. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 december 2024 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [persoon 1] en [persoon 2] .

Feiten

3. [BVBA] (de BVBA) is eigenaar van de woning. Belanghebbende is directeur-grootaandeelhouder van de BVBA.

3.1. De woning betreft een recreatiewoning, gevestigd op het villapark ‘ [park] ’ te [plaats 2] . [beheerder park] B.V. is de exploitant/beheerder van het villapark.

3.2. Belanghebbende heeft de woning door tussenkomst van [tussenpersoon 1] (hierna: [tussenpersoon 1] ) aan derden verhuurd. Hiertoe hebben belanghebbende en [tussenpersoon 1] op 30 december 2021 een commissionairsovereenkomst (de commissionairsovereenkomst) gesloten. In de overeenkomst is – voor zover hier relevant – de volgende optie aangekruist:

“Keuze m.b.t. Eigen gebruik (art. 1.8)**

(…)

f. Maximaal 89 dagen eigen gebruik per kalenderjaar.”

3.3. In de overeenkomst is verder – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Artikel 1 – VERHUUR

(…)

1.2.

De Eigenaar verklaart met geen enkele andere verhuurorganisatie samen te werken dan met [tussenpersoon 1] . (…)

1.3: Verhuur door de Eigenaar zelf, zonder tussenkomst van [tussenpersoon 1] , is niet toegestaan.

(…)

Artikel 10 – DUUR OVEREENKOMST OVERKOEPELEND CONTRACT

(…)

10.4: Indien de verhuurovereenkomst tussen de Exploitant en [tussenpersoon 1] eindigt, eindigt ook de onderhavige commissionairsovereenkomst automatisch.”

3.4.

[tussenpersoon 1] vormt in 2022 een onderdeel van de [groep] .

3.5.

Tot de gedingstukken behoort een brief van 2 september 2022 afkomstig van [groep] , Team Eigenarenservice, waarin – voor zover hier van belang – het volgende staat vermeld:

“(...) zijn wij helaas genoodzaakt om per 02.09 onze verhuuractiviteiten op het park te moeten staken en gasten om te boeken naar andere parken.

(...)

Hierdoor blijft er ons, als verhurende partij, niets anders over, dan alle verhuuractiviteiten per 02.09 te beëindigen.”

3.6.

Na de brief van 2 september 2022 heeft geen verhuur van de woning meer plaatsgevonden via tussenkomst van [tussenpersoon 1] .

3.7.

Belanghebbende heeft op 15 september 2022 een accommodatie-overeenkomst met Booking.com gesloten voor de verhuur van de woning. Daarnaast heeft belanghebbende op 9 november 2022 een overeenkomst gesloten met [tussenpersoon 2] als tussenpersoon voor de verhuur van de woning. In deze overeenkomsten is het eigen gebruik niet gemaximeerd.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid

4. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep van belanghebbende ontvankelijk is.

4.1.

Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.1 Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Tenzij de uitspraak op bezwaar pas later bekend is gemaakt, dan begint de termijn op de dag na die van de bekendmaking.2 Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.3 Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep in beginsel niet-ontvankelijk.

4.2.

De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 17 december 2024 en is volgens de heffingsambtenaar op 20 december 2024 verzonden. HHet beroepschrift is op 27 februari 2025 door de rechtbank ontvangen. Dit betekent dat er meer dan zes weken zijn verstreken tussen de dagtekening van de uitspraak op bezwaar en de indiening van het beroepschrift.

4.3.

Belanghebbende betwist de ontvangst en daarmee de verzending van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende voert aan de uitspraak op bezwaar niet te hebben ontvangen en pas eerst bekend te zijn geworden met de uitspraak op bezwaar op 6 februari 2025, nadat hij op 30 januari 2025 een aanmaning heeft ontvangen en hierover contact heeft opgenomen met de heffingsambtenaar.

4.4.

Wanneer belanghebbende betwist de uitspraak op bezwaar (tijdig) te hebben ontvangen, dan moet ervan worden uitgegaan dat hierin besloten ligt de betwisting van de (tijdige) verzending van dat besluit. Het ligt dan op de weg van het bestuursorgaan om die verzending aannemelijk te maken. Omdat de heffingsambtenaar stelt dat de uitspraak op bezwaar is bekendgemaakt door verzending per post, moet hij aannemelijk maken dat het desbetreffende poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat van een verzendadministratie waaruit volgt dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk is verzonden geen sprake is. Uit een sluitende verzendadministratie moet duidelijk blijken wanneer welk poststuk is aangeboden aan welk postvervoersbedrijf. Dat is hier niet het geval. De heffingsambtenaar heeft een aantal printscreens overgelegd van (onder meer) een bestand dat naar [gemeentelijke instantie] is verstuurd. Dit betreft een totaalbestand van meerdere uitspraken op bezwaar en andere poststukken. [gemeentelijke instantie] draagt deze poststukken vervolgens over aan Intrapost voor verzending. De rechtbank constateert dat zij niet kan vaststellen dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk in het totaalbestand is opgenomen en door Intrapost is verzonden. Een e-mail van [gemeentelijke instantie] dat een bepaalde hoeveelheid stukken aan een postvervoersbedrijf is aangeboden, is onvoldoende om de verzending van de uitspraak op bezwaar aannemelijk te maken. Dat de datum van de aanbieding van het totaalbestand aan [gemeentelijke instantie] en de datum van het klantenformulier van Intrapost overeenkomen, maakt voorgaande niet anders. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk tussen deze poststukken zit, acht de rechtbank dit onvoldoende om van een sluitende verzendadministratie te spreken.

4.6.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat belanghebbende niet eerder dan 6 februari 2025 bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar, zodat de termijn voor het indienen van het beroepschrift op 20 maart 2025 is geëindigd. Nu de rechtbank het beroepschrift op 27 februari 2025 heeft ontvangen, is het beroepschrift tijdig ingediend. Het beroep is dus ontvankelijk.

Is de aanslag terecht aan belanghebbende opgelegd?

4.7.

Op grond van artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet, kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. De gemeente Middelburg heeft aan deze bevoegdheid uitvoering gegeven met de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting Middelburg 2022 (de Verordening).

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gemeubileerde woning. Evenmin is in geschil dat belanghebbende geen hoofdverblijf in de gemeente Middelburg heeft. Wat partijen verdeelt, is de vraag of belanghebbende de woning in 2022 voor meer dan 90 dagen voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar hield.

4.9.

Belanghebbende voert aan dat hij de woning niet voor meer dan 90 dagen voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar hield. Volgens belanghebbende was de commissionairsovereenkomst tussen hem en [tussenpersoon 1] het gehele jaar van kracht. Dit betekent dat het eigen gebruik van de woning is gemaximeerd op 89 dagen, zoals in de commissionairsovereenkomst is opgenomen (zie 3.2). De door [groep] Eigenarenservice verzonden circulaire brief (zie 3.5) maakt voorgaande niet anders. [groep] had, als derde partij, geen bevoegdheid om de commissionairsovereenkomst te beëindigen. Dit betekent dat de overeenkomst ook in de periode na 2 september 2022 van kracht is, aldus belanghebbende.

4.10.

De heffingsambtenaar stelt dat de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. De heffingsambtenaar stelt dat het totaal aantal dagen waarop de woning voor belanghebbende beschikbaar werd gehouden meer dan 90 dagen bedraagt, waardoor is voldaan aan het belastbaar feit als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. De heffingsambtenaar betwist dat in de periode vanaf 2 september 2022 sprake is van een geldige verhuurovereenkomst tussen belanghebbende en [tussenpersoon 1] . In deze periode had belanghebbende de volledige feitelijke beschikkingsmacht over de woning. De door belanghebbende overeengekomen contracten met Booking.com en [tussenpersoon 2] (zie 3.7) doen daar niet aan af. In beide overeenkomsten is geen limitering voor eigen gebruik vermeld. Nu in deze periode geen verhuur heeft plaatsgevonden, stond de woning deze volledige periode (120 dagen) aan belanghebbende ter beschikking, aldus de heffingsambtenaar.

4.11.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak4 onder het begrip "beschikbaar houden" het volgende moet worden verstaan: Indien een gemeubileerde woning is bestemd voor verhuur maar ook in enige mate door de eigenaar zelf wordt gebruikt, anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, wordt die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur of aan derden toegekende rechten tot verhuur is uitgesloten. Dit betekent dat een woning in beginsel beschikbaar is voor de eigenaar en zijn gezin op de dagen dat de woning niet is verhuurd aan derden, ook al maakt de eigenaar of zijn gezin op die dagen feitelijk geen gebruik van de woning.

4.12.

Daargelaten de vraag of de commissionairsovereenkomst tussen belanghebbende en [tussenpersoon 1] rechtsgeldig is opgezegd, stelt de rechtbank vast dat belanghebbende zich niet aan de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen heeft gehouden. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat hij zich ervan bewust was dat het onderbrengen van de verhuur van de woning bij een andere partij op grond van de commissionairsovereenkomst niet is toegestaan (zie 3.3). Niettemin is belanghebbende naar aanleiding van de circulaire brief die door [groep] Eigenarenservice op 2 september 2022 is verzonden, op zoek gegaan naar een andere partij voor de verhuur van de woning. Daarbij heeft belanghebbende toegelicht dat de verhuur van de woning voor zijn bedrijf een bron van inkomsten betreft. Belanghebbende heeft hiertoe op 15 september 2022 een overeenkomst met Booking.com en op 9 november 2022 een overeenkomst met [tussenpersoon 2] gesloten. De rechtbank stelt vast dat in deze overeenkomsten geen maximering voor het eigen gebruik van de woning is opgenomen. Belanghebbende heeft tot slot ter zitting verklaard dat belanghebbende in de periode van september tot en met december 2022 geen enkel bericht van [tussenpersoon 1] heeft vernomen en heeft besloten geen gebruik te maken van de verhuurdiensten van Dormio, de partij die als vervanging van [tussenpersoon 1] is aangeboden.

4.13.

Gelet op voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende er bewust voor heeft gekozen om niet langer te voldoen aan de commissionairsovereenkomst met [tussenpersoon 1] , als deze al nog tussen hen zou gelden. Belanghebbende heeft er immers voor gekozen om de verhuur van de woning vanaf september 2022 te laten plaatsvinden via Booking.com en [tussenpersoon 2] , conform de met hen aangegane overeenkomsten. Daarmee heeft hij feitelijk de woning voor zichzelf beschikbaar gehouden om deze zelf aan te bieden voor verhuur, in tegenspraak met de bepalingen in de overeenkomst met [tussenpersoon 1] en het daarin opgenomen maximum voor eigen gebruik van 89 dagen. Het staat vast dat in de overeenkomsten met Booking.com en [tussenpersoon 2] geen maximering voor het eigen gebruik is opgenomen. Daarnaast staat vast dat de woning in de periode van september tot en met december 2022 niet is verhuurd.

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat de woning daarom meer dan 90 dagen voor belanghebbende of zijn gezin beschikbaar werd gehouden en dat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan. Dat belanghebbende in deze periode feitelijk geen gebruik heeft gemaakt van de woning maakt dit niet anders. De rechtbank merkt op dat voor de heffing van forensenbelasting niet is vereist dat een belastingplichtige de betreffende woning daadwerkelijk meer dan 90 dagen in het kalenderjaar heeft gebruikt. Het gaat er slechts om of de woning meer dan 90 dagen aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan.

4.15.

Het voorgaande betekent dat aan de voorwaarden voor de heffing van forensenbelasting is voldaan. De heffingsambtenaar heeft de aanslag forensenbelasting voor het jaar 2022 daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »