RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6057 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder,
en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), verweerder in het verzoek tot schadevergoeding.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering om de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 juli 20241 toe te passen op de situatie van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV op goede gronden heeft geweigerd de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan te passen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft overwogen dat voorgenoemde uitspraken van de CRvB niet van toepassing zijn van op eisers situatie. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een verzoek ingediend om de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 toe te passen op zijn situatie. Het UWV heeft dit met het besluit van 24 september 2025 (primair besluit) geweigerd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 28 oktober 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. H.J.J. Verhoeven namens het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers eerste ziektedag was [datum] 2005. In de 36 weken voorafgaande daaraan heeft eiser geen 26 weken gewerkt.
Met het besluit van 22 oktober 2008 heeft het UWV aan eiser met ingang van 11 december 2007 een Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-vervolguitkering op grond van de Wet WIA toegekend. De hoogte van deze uitkering is gebaseerd op een jaarinkomen van € 9.077,05. Bij de omrekening van dit jaarinkomen naar het dagloon is dit bedrag gedeeld door 261 (het gemiddeld aantal uitkeringsdagen per jaar). Dit heeft geleid tot een dagloon van € 34,78, geïndexeerd naar € 36,21. Hierbij is uitgegaan van een referteperiode van 5 december 2004 tot en met 4 december 2005.
Op 2 september 2024 heeft eiser het UWV verzocht om opnieuw te kijken naar de berekening van het dagloon van zijn WIA-uitkering. Daarbij heeft eiser verwezen naar het oordeel van de CRvB dat sprake is van discriminatie bij het berekenen van het dagloon bij een WIA-uitkering ten opzichte van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Met het primaire besluit heeft het UWV overwogen dat eiser niet valt onder de uitspraken van de CRvB van 30 juli 20242. Deze uitspraken zijn namelijk van toepassing op WIA-uitkeringen die zijn ontstaan op of na 1 juli 2015 en eiser heeft vanaf 11 december 2007 recht op een WIA-uitkering. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bestreden besluit
Met het bestreden besluit heeft het UWV eisers bezwaar ongegrond verklaard. In de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 is geoordeeld dat het onderscheid binnen de WIA en WW met betrekking tot omgang met loonloze tijdvakken in de referteperiode discriminerend is op grond van ziekte en/of handicap. Het UWV is daarom met ingang van 30 juli 2024 gebonden om bij het vaststellen van het WIA-dagloon rekening te houden met loonloze tijdvakken. Dit betekent dat bij de aanwezigheid van loonloze tijdvakken in de referteperiode het totale loon gedeeld moet worden door het aantal dagloondagen van de kalendermaanden waarin wel SV-loon is genoten. Het UWV geeft gehoor aan deze uitspraken en berekent vanaf 30 juli 2024 de WIA-uitkeringen conform de uitspraken. Dat geldt ook voor lopende uitkeringen die zijn toegekend vanaf 1 juli 2015. Eisers uitkering is in 2007 beoordeeld en valt daarom buiten de uitvoering van de uitspraken van de CRvB.
Beroepsgronden
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Het UWV heeft volgens hem ten onrechte besloten om zijn dagloon niet opnieuw vast te stellen met inachtneming van de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024. Dat het UWV maar terugkijkt tot 1 juli 2015 lijkt eiser niet de normale gang van zaken. Eisers WIA-uitkering is weliswaar eerder toegekend maar loopt nog steeds.Voor iemand die een WW-uitkering krijgt wordt het dagloon berekend aan de hand van de laatste dag. Via de WIA wordt het dagloon over het hele jaar berekend. Iemand die een WIA-uitkering ontvangt is al langer ziek, dus ook het jaar voor de ziekmelding. Eiser heeft als hij kon altijd fulltime gewerkt, maar toen wist hij niet dat hij bijvoorbeeld slaapapneu en problemen met zijn nieren had. Eiser was sinds zijn 18de elk jaar regelmatig ziek thuis. Om het jaar voor de ziekmelding te gebruiken is niet fair. Eiser ontvangt nu maar krap 30%. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij met deze gronden niet de toegepaste referteperiode betwist, maar dat deze gronden ook zien op het ten onrechte buiten beschouwing laten van de loonloze periode.
In de aanvullende beroepsgronden heeft eiser aangevoerd dat de CRvB in de uitspraken van 30 juli 2024 heeft geoordeeld dat de regels in het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) die loonloze periodes meetellen bij de berekening van het WIA-dagloon buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM (TP). De regels rondom de WIA-dagloonbepaling die loonloze periodes meetellen zoals opgenomen in zowel het Dagloonbesluit als het daarvoor geldende Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen van 2005 blijken daarmee reeds vanaf de datum van invoering in strijd te zijn (geweest) met artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het TP. Deze
strijdigheid werkt derhalve ex-tunc, zodat de WIA-dagloonbepalingen die in strijd zijn
met hogere regelgeving vanaf hun inwerkintreding onverbindend dienen te worden geacht. Daaruit volgt dan ook dat de uit voornoemde jurisprudentie voortvloeiende regel dat loonloze periodes bij de bepaling van het WIA-dagloon buiten beschouwing moeten
worden gelaten ook in zijn geval heeft te gelden.
Op basis van het bestreden besluit en bij gebrek aan overlegging van de beleidsregels over de verruiming van de reikwijdte van de uitspraken van 30 juli 2024 kan niet worden gecontroleerd of dit beleid voldoet aan de daarvoor geldende eisen, zoals onder meer in de uitspraak van de CRvB van 15 mei 20253 gesteld. Eiser verzoekt de rechtbank om te bepalen dat het UWV inzage dient te geven in deze (interne) beleidsregels en dient aan te tonen dat deze regels de toets in de uitspraak van 15 mei 2025 kunnen doorstaan, bij gebreke waarvan (ook om die reden) het WIA-dagloon van eiser opnieuw moet worden vastgesteld met in achtneming van de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024.
Verweerschrift
5. In reactie op de beroepsgronden heeft het UWV overwogen dat de CRvB,
in het geval er in de referteperiode sprake is van loonloze tijdvakken, tot 30 juli 2024 de onverkorte toepassing van artikel 16 van het Dagloonbesluit altijd heeft bevestigd in haar
jurisprudentie. Hoewel de wetgever al jaren bekend is met het verschil in de dagloonberekening van de WW en de WIA, heeft dat tot op heden nog niet geleid tot een aanpassing van de wetgeving op dit punt. Ondanks deze verschillen heeft de CRvB altijd geoordeeld dat deze berekening zoals neergelegd in het Dagloonbesluit gerechtvaardigd is.
Op 30 juli 2024 heeft de CRvB geoordeeld dat hier sprake is van discriminatie en bepaald dat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het niet buiten toepassing laten van loonloze tijdvakken bij de vaststelling van het WIA-dagloon. Vanaf deze datum kiest de CRvB dus duidelijk voor een andere koers. In beginsel hebben de uitspraken van de CRvB geen terugwerkende kracht en gelden deze alleen voor de toekomst. Uit de uitspraken blijkt dat het besluit is vernietigd vanwege het onderscheid in behandeling tussen WW en WIA-gerechtigden. Dat onderscheid is in het Dagloonbesluit opgenomen per 1 december 2016. Het oordeel van de CRvB werkt dus terug tot 1 januari 2016. Deze reikwijdte van de uitspraken volgt dus uit de uitspraken van de CRvB en deze datum heeft het UWV als uitgangspunt genomen. Het UWV heeft echter besloten om de reikwijdte van de uitspraken te verruimen en ook de lopende uitkeringen die zijn toegekend vanaf 1 juli 2015 opnieuw te berekenen als daar om wordt verzocht. Er is gekozen voor de datum 1 juli 2015, omdat die datum destijds ook werd gehanteerd bij lopende bezwaar- en beroepszaken. WIA-uitkeringen die zijn aangevangen voor 1 juli 2015 komen dus niet voor herstel in aanmerking. De reden hiervoor is dat uit de uitspraken van 30 juli 2024 volgt dat het doorwerken van loonloze tijdvakken op het dagloon op zichzelf niet onrechtmatig is, enkel het feit dat de regelgever hier anders mee omgaat bij een WIA-dagloon dan bij een WW-dagloon is niet gerechtvaardigd. Voor 1 juli 2015 was er geen sprake van een onderscheid op dit punt tussen een dagloonvaststelling WIA en WW. Personen die voor deze datum de WIA zijn ingestroomd kunnen zich dus niet met succes beroepen op de uitspraken van 30 juli 2024.
Daarnaast heeft het UWV desgevraagd de volgende memo’s overgelegd over de interne gedragslijn:
-
Gevolgen CRvB-uitspraken over het WIA-dagloon met loonloze tijdvakken in de referteperiode (memo van 12 augustus 2024).
-
De dagloonvaststelling en ‘loonloze tijdvakken’ in 2025 (memo van 22 mei 2025).
Beoordeling door de rechtbank
6. De uitspraken van de CRvB van 30 juli 20244 gaan over de berekening van het dagloon op grond van de Wet WIA, als de betrokkene in het refertejaar een periode of meerdere periodes geen loon heeft ontvangen. In het Dagloonbesluit worden voor de bepaling van het WW-dagloon loonloze tijdvakken wél en voor de bepaling van het WIA-dagloon níet buiten beschouwing gelaten. In die uitspraken heeft de CRvB -kort gezegd- geoordeeld dat de dagloonregels voor de WIA gedeeltelijk wegens strijd met het verbod van discriminatie buiten toepassing moeten blijven. Bij de berekening van het dagloon voor de WIA worden op grond van artikel 16 van het Dagloonbesluit zogeheten loonloze periodes meegeteld. Voor de berekening van het dagloon voor de WW worden op grond van artikel 5 van het Dagloonbesluit deze loonloze periodes sinds 1 januari 2016 niet meegeteld. De CRvB oordeelde dat de regeling van artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit ook moet gelden voor de berekening van het dagloon voor de WIA.
Eiser heeft verzocht deze uitspraken toe te passen op zijn situatie.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in de referteperiode sprake was van loonloze tijdvakken en dat bij de berekening van eisers WIA-uitkering vanaf december 2007 geen rekening is gehouden met deze loonloze tijdvakken.
7. De uitspraken van de CRvB hebben tot gevolg dat bij nieuwe aanvragen voor een WIA-uitkering sinds 30 juli 2024 wordt gerekend zonder loonloze tijdvakken. Ten aanzien van op dat moment al lopende uitkeringen geldt dat deze uitspraken in beginsel geen terugwerkende kracht hebben. Op grond van de duuraanspraakjurisprudentie geldt echter dat een eerder (in rechte vaststaand) besluit over een periodieke aanspraak niet voor de toekomst blijvend wordt tegengeworpen indien sprake is van een onjuist besluit. Uit de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 volgt dat van onjuiste besluiten betreffende de kwestie van de loonloze periodes sprake is geweest vanaf 1 januari 2016, omdat vanaf toen sprake was van een discriminerend onderscheid. Dat betekent dat het UWV terecht ook op vanaf 1 januari 2016 lopende uitkeringen de uitspraken van de CRvB toepast vanaf 30 juli 2024. De rechtbank is van oordeel dat het beperken tot die groep voortvloeit uit de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024. Het UWV heeft terecht gekozen voor deze beperking van de groep, omdat er toen pas een discriminerend effect was. Het UWV heeft terecht overwogen dat eiser niet onder deze groep valt.
Eisers stelling dat er vanwege strijdigheid met het EVRM en het TP ook destijds in 2007 de loonloze tijdvakken niet mochten worden toegepast bij het berekenen van de WIA-uitkering, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 of eerdere uitspraken.
Het UWV heeft de datum van 1 januari 2016 verschoven naar 1 juli 2015, omdat die werkwijze in lopende bezwaar- en beroepsprocedure al werd gehanteerd. Dit beleid van het UWV om de relevante datum te vervoegen naar 1 juli 2015 is naar het oordeel van de rechtbank tegenwettelijk begunstigend beleid. Blijkens de uitspraak van de CRvB van 15 mei 20255 waarnaar eiser heeft verwezen, wordt tegenwettelijk beleid niet exceptief getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Ook is daarin overwogen dat voor tegenwettelijk beleid geldt dat het bestuursorgaan verplicht is te handelen in overeenstemming met het beleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV het beleid consequent toepast. Voor inhoudelijke toetsing is geen plaats.
De verwijzing in de memo van 22 mei 2025 naar de uitspraak van de CRvB van 29 november 20236, waarnaar eiser ter zitting heeft verwezen, leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak was sprake van een dusdanig andere situatie dat daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat de uitspraken van 30 juli 2024 ook op lopende uitkering van voor 1 juli 2015 moeten worden toegepast. In die uitspraak ging het namelijk om een na de referteperiode achteraf betaalde WW-uitkering, welke situatie negatief uitpakte voor het dagloon. Dat kan niet op één lijn worden gesteld met de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 waarin is geoordeeld dat voor 1 januari 2016 geen sprake was van discriminatie.
Eiser heeft verder aandacht gevraagd voor de onevenredige gevolgen van het niet toepassen van de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 op zijn situatie, omdat er voor hem ook loonloze tijdvakken zijn meegerekend en dit grote persoonlijke en financiële gevolgen heeft gehad. Die stelling vereist dat het besluit uit 2008 getoetst zou moeten worden, maar dat besluit ligt in deze procedure niet voor. Het gaat er in deze procedure immers om dat de situatie van eiser niet onder de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 is gebracht. Zoals hiervoor overwogen heeft het UWV dat terecht gedaan.
Is de redelijke termijn overschreden?
8. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het is vaste rechtspraak van de CRvB7 dat als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsprocedure niet langer mogen duren dan twee jaar, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen.
De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt en de termijn eindigt op het moment van de uitspraak. Het UWV heeft het bezwaarschrift van eiser ontvangen op 30 september 2025. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, zou de procedure uiterlijk 30 september 2027 moeten zijn afgerond met een uitspraak over het beroep van eiser. Op het moment van deze uitspraak was deze termijn dus nog niet verstreken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank wijst daarnaast het verzoek om schadevergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 28 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.