ECLI:NL:GHARL:2026:6024

Datum uitspraak
15-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
25/2467
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verzoek ambtshalve vermindering.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 25/2467

uitspraakdatum: 15 september 2026

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2025, nummer ARN 24/4732, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.956 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.697.

1.2.

De Inspecteur heeft op 25 april 2023 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2020 ontvangen van belanghebbende. Bij beschikking van 5 september 2023 heeft de Inspecteur dit verzoek afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de afwijzing van het verzoek bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar dat bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de Inspecteur gelast het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende te vergoeden.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn echtgenote, [naam1] (hierna: de echtgenote) en mr. J.A.P.N. Antonis, als vervanger van de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur. Ter zitting is de zaak gezamenlijk behandeld met het hoger beroep van de echtgenote met het zaaknummer BK-ARN 25/2466. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft met ingangsdatum 9 april 1997 bij ABN AMRO Levensverzekeringen N.V. een ABN ARMO Rendement Beleggings Polis (hierna: de polis) afgesloten met een looptijd van 20 jaar tot 9 april 2017. De looptijd van de polis is tussentijds met tien jaar verlengd tot 9 april 2027. Belanghebbende betaalt sinds 2017 geen premies meer voor de polis.

2.2.

Belanghebbende heeft in 2017 en 2018 diverse bedragen bijgestort op de polis. Het geld van de polis was op 1 januari 2020 volledig belegd in een Kapitaalmarktrente Rekening (hierna: KMRR). De waarde van de polis bedroeg op 1 januari 2020 € 1.148.698.

2.3.

Het totale saldo van de bankrekeningen van belanghebbende en de echtgenote bedroeg op 1 januari 2020 € 108.420.

2.4.

De Inspecteur heeft met dagtekening 25 juni 2021 de aanslag IB/PVV 2020 van belanghebbende vastgesteld. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur, overeenkomstig de ingediende aangifte, de grondslag sparen en beleggen vastgesteld op € 1.195.427, waarvan € 607.829 is toegerekend aan belanghebbende en € 587.598 aan de echtgenote. Op grond van de Wet IB 2001 zoals die luidde in 2020 heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) van belanghebbende vastgesteld op € 23.697.

2.5.

Belanghebbende heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de aanslag IB/PVV 2020 van 25 juni 2021, zodat deze onherroepelijk vast is komen te staan.

2.6.

De Inspecteur heeft op 25 april 2023 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2020 ontvangen van belanghebbende. Dit verzoek heeft betrekking op de box 3-heffing over de in 2.2. genoemde waarde van de polis. In zijn verzoek schrijft belanghebbende voor zover hier van belang het volgende:

“Bij deze dien ik (…) een verzoek in tot ambtshalve vermindering van bovengenoemde aanslag voor wat betreft de heffing in Box 3 over de ABN AMRO Kapitaal Markt Rente Rekening op de navolgende gronden. (…)

Er is inmiddels een alsmaar groeiende lijst van jurisprudentie waaruit blijkt dat het werkelijk rendement belast moet worden, zie bijvoorbeeld: (…) In al deze uitspraken is zonder uitzondering expliciet of impliciet door de rechter uitgesproken dat box 3-heffing dient plaats te vinden over het werkelijk rendement van een belastingplichtige en niet over een forfaitair rendement volgens regels zoals die bijvoorbeeld zijn opgenomen in de Wet rechtsherstel box 3.

Forfaitair rendementspercentage voor banktegoeden toepassen

Gelet op het bovenstaande dring ik aan op toepassing van het forfaitair rendementspercentage voor banktegoeden over het saldo van de Kapitaal Markt Rente Rekening. Immers, Staatssecretaris Van Rij heeft herhaalde malen aangegeven dat er geen tegenbewijs regeling komt. Ik ga voor nu akkoord met het forfaitair rendementspercentage voor banktegoeden. Binnen box 3 moet dus het vermogensbestanddeel/saldo verplaatst worden van Kapitaalverzekering/overige bezitting naar Spaarrekening/banktegoed bij de ABN AMRO Bank met [rekeningnummer1] .

Algemeen bezwaar tegen forfaitaire rendementspercentage voor beleggingen/overige bezittingen

In algemene zin maak ik ook bezwaar tegen het volledig fictieve forfaitaire rendementspercentage voor beleggingen/overige bezittingen. (…) Ik acht de kans zeer groot dat in jurisprudentie van feitelijke rechters en/of de Hoge Raad en/of het Europees Hof zal worden bepaald dat toepassing van dit volledig fictieve forfaitaire percentage en/of de verhouding daarin en/of de (meet)methodiek onrechtmatig is. Om deze reden moet ik nu reeds algeheel bezwaar maken.”

2.7.

Bij uitspraak op bezwaar van 5 september 2023 heeft de Inspecteur het door hem (ook) als bezwaar aangemerkte verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2020 van 25 april 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig was ingediend. In dezelfde brief heeft de Inspecteur – bij beschikking – het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2020 afgewezen.

2.8.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij uitspraak op bezwaar van 19 januari 2024 heeft de Inspecteur dat bezwaar ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur onder meer geschreven:

“Massaal bezwaar plus procedure

U hebt niet tijdig bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag. Op 4 november 2022 heeft de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aangekondigd dat er voor degenen die geen (tijdig) bezwaar hebben gemaakt voor de jaren 2017-2020 een procedure ‘massaal bezwaar plus’ wordt ingericht. In deze procedure wordt aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of deze belanghebbenden alsnog in aanmerking komen voor rechtsherstel. De uitkomst van de procedure geldt voor de jaren 2017-2020. U doet automatisch mee en u hoeft voor deze jaren geen bezwaar of verzoek meer in te dienen.”

2.9.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering valt onder de aanwijzing massaal bezwaar plus van 25 januari 2023. De Rechtbank heeft vervolgens de uitspraak op bezwaar van 19 januari 2024 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Inspecteur om uitspraak te doen met inachtneming van de massaalbezwaarplusprocedure. De Rechtbank heeft daarbij bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende moet vergoeden een bedrag aan proceskosten van € 907 en het griffierecht van € 51.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Rechtbank terecht de uitspraak op bezwaar van 19 januari 2024 heeft vernietigd.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de uitspraak op het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2020 ten onrechte heeft vernietigd. Volgens belanghebbende valt het bezwaar tegen de afwijzing niet onder de aanwijzing massaal bezwaar plus van 25 januari 2023, omdat in die massaalbezwaarplusprocedure niet de rechtsvraag aan de orde zou komen of de waarde van de polis voor de toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 moet worden aangemerkt als een banktegoed. Verder betoogt belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat het Hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil en de vraag of belanghebbende recht heeft op de door hem bepleite verlaging van het box 3-inkomen voor het jaar 2020.

3.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de uitspraak op bezwaar terecht heeft vernietigd, omdat het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 valt onder de aanwijzing massaal bezwaar plus van 25 januari 2023. De Inspecteur concludeert daarom tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Bij besluit van 25 januari 20231 (hiervoor en hierna: de aanwijzing massaal bezwaar plus) heeft de Staatssecretaris van Financiën de in dat besluit nader omschreven verzoeken om ambtshalve vermindering van aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2020 en de bezwaarschriften tegen afwijzing van dergelijke verzoeken aangemerkt als massaal bezwaar.

In dit besluit staat voor zover hier van belang onder meer (voetnoten weggelaten):

1 Inleiding

Eerder heb ik bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van een voordeel uit box 3 aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).In die zogenoemde massaalbezwaarprocedure stond de rechtsvraag centraal of de vermogensrendementsheffing in het betreffende belastingjaar, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, zonder dat de schending van de ‘fair balance’ op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld, of in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op deze rechtsvraag. Op 4 februari 2022 heb ik door middel van een collectieve uitspraak op bezwaar de als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften gegrond verklaard. De wijze waarop de inspecteur de aanslagen inkomstenbelasting die onder de massaalbezwaarprocedure vielen vermindert, is uitgewerkt in een beleidsbesluit en daarna gecodificeerd in wetgeving.

Op 20 mei 2022 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een zaak waarin de aan de belanghebbende opgelegde aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 en 2018 op 24 december 2021 reeds onherroepelijk vaststonden. De Hoge Raad oordeelde dat de gestelde onjuistheid van deze aanslagen volgt uit nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001). De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat de Minister van Financiën na het arrest van 24 december 2021 niet bekendgemaakt heeft dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen van de in dat artikel opgenomen voorwaarde kan worden afgeweken. Gelet op het vorenstaande wordt het oordeel van het Hof dat aan de belanghebbende terecht geen ambtshalve vermindering is verleend, in cassatie tevergeefs bestreden.

De Belastingdienst heeft een groot aantal verzoeken om ambtshalve vermindering van op 24 december 2021 reeds onherroepelijk vaststaande aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 ontvangen. Daarnaast is een groot aantal bezwaarschriften ingediend tegen de afwijzing van deze verzoeken om ambtshalve vermindering. Met het oog op een efficiënte en eenduidige afdoening wijs ik deze verzoeken om ambtshalve vermindering en bezwaarschriften tegen de afwijzing daarvan die betrekking hebben op de in onderdeel 2 vermelde rechtsvragen aan als massaal bezwaar plus in de zin van artikel 9.7 Wet IB 2001.

2 Aanwijzing als massaal bezwaar

Als massaal bezwaar plus in de zin van artikel 9.7 Wet IB 2001 wijs ik aan verzoeken om ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 en bezwaarschriften tegen de afwijzing daarvan:

- waarop ten tijde van de dagtekening van dit besluit nog geen beslissing is genomen of uitspraak is gedaan of die tijdig worden ingediend tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de in artikel 9.7, vierde lid, Wet IB 2001 bedoelde collectieve beslissing en collectieve uitspraak wordt gedaan; en

- die de volgende rechtsvraag bevat:

Kunnen degenen wiens aanslag inkomstenbelasting over het kalenderjaar 2017 of 2018 of 2019 of 2020 reeds onherroepelijk vaststond op 24 december 2021 (hierna: de niet-bezwaarmakers) wegens strijd met supranationale bepalingen, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM of artikel 14 EVRM, of strijd met nationale regelingen of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel, een beroep doen op het arrest dat de Hoge Raad op die datum gewezen heeft (ECLI:NL:HR:2021:1963)?

4.2.

Op 26 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in deze massaalbezwaarplusprocedure.2 De Hoge Raad heeft – kort samengevat – net als in het arrest van 20 mei 20223 (hierna: het arrest van 20 mei 2022) geoordeeld dat aan een niet-bezwaarmaker van wie de aanslag IB/PVV voor de jaren 2017 en met 2020 op 21 december 2021 onherroepelijk vaststond en die voor (een van) die jaren wordt geconfronteerd met een heffing naar een box 3-inkomen die hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, geen ambtshalve vermindering van het box 3-inkomen, in de vorm van rechtsherstel, hoeft te worden verleend. Bij collectieve uitspraak op bezwaar van 17 juli 20264 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan in de massaalbezwaarplusprocedure en de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen respectievelijk de bezwaren daartegen ongegrond verklaard.

4.3.

In zijn verzoek om ambtshalve vermindering van 25 april 2023 verzoekt belanghebbende in de kern om vermindering van het box 3-inkomen dat bij de aanslag IB/PVV 2020 op grond van het destijds van toepassing zijnde forfaitaire stelsel van box 3 is vastgesteld. Belanghebbende beroept zich daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 20215. Omdat de aanslag IB/PVV 2020 reeds onherroepelijk vaststond viel, gelet op de rechtsvraag waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar plus is gegeven (zie 4.1.), het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende van 25 april 2023 onder deze aanwijzing. Dat belanghebbende in zijn verzoek om ambtshalve vermindering, met zijn standpunt dat de waarde van de polis moet worden aangemerkt als een banktegoed, (ook) een beroep doet op de wijze van rechtsherstel zoals die is opgenomen in de Wet rechtsherstel box 36, maakt dat niet anders. De toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 is wat betreft aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2020 beperkt tot aanslagen die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststonden of nog niet waren vastgesteld (artikel 1, lid 2, aanhef en onderdeel a, Wet Rechtsherstel box 3). Aan deze beperking ligt blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling het arrest van 20 mei 2022, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan niet-bezwaarmakers van wie de aanslag op 24 december 2021 onherroepelijk vaststond geen rechtsherstel hoeft te worden verleend, ten grondslag.7 Voor de vraag of belanghebbende op grond van de Wet rechtsherstel box 3 recht heeft op de door hem bepleite wijze van rechtsherstel, moet daarom (eerst) de rechtsvraag die aan de orde was in de massaalbezwaarplusprocedure worden beantwoord.

4.4.

Uit hetgeen het Hof hiervoor in 4.3. heeft overwogen, volgt dat de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van 25 april 2023 had moeten aanmerken als onderdeel van de massaalbezwaarplusprocedure. De Inspecteur had daarom niet zelf op dit verzoek moeten beslissen. Datzelfde heeft te gelden voor het bezwaar dat belanghebbende heeft gemaakt tegen de beslissing van de Inspecteur op het verzoek om ambtshalve vermindering. Daarbij merkt het Hof op dat belanghebbende niet in zijn verzoek om ambtshalve vermindering en ook niet in zijn bezwaar tegen de afwijzing van dat verzoek heeft gesteld dat de box 3-heffing over het jaar 2020 bij hem leidt tot een individuele en buitensporige last of onredelijk bezwarend is. Er bestond daarom geen aanleiding om het verzoek om ambtshalve vermindering en het bezwaar daartegen te splitsen in een massaal verzoek/bezwaar en een individueel verzoek/bezwaar.8

4.5.

Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt in dit verband niet. Anders dan belanghebbende betoogt, kan belanghebbende aan de omstandigheid dat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan niet het vertrouwen ontlenen dat geen sprake was van een verzoek om ambtshalve vermindering dat viel onder de aanwijzing massaal bezwaar plus.

4.6.

Gelet op het voorgaande heeft de Rechtbank terecht de uitspraak op bezwaar van 19 januari 2024 vernietigd.9 Nu de inspecteur inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan in de massaalbezwaarplusprocedure en de verzoeken om ambtshalve vermindering collectief heeft afgewezen, ziet het Hof geen aanleiding ook de ten onrechte door de Inspecteur genomen beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering te vernietigen. Belanghebbende is namelijk niet benadeeld door deze afwijzende beslissing van de Inspecteur en heeft ook overigens geen belang bij vernietiging daarvan.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. E. Sparidis, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R.R. van der Heide)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »