ECLI:NL:CRVB:2026:1269

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
23/2459 NOW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Definitieve vaststelling loonkostensubsidie op grond van de NOW-1 en NOW-2. Het subsidiebedrag is vastgesteld op €0,- omdat geen sprake is van een daling van de omzet van tenminste 20%. Geen strijd met evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel. Geen overschrijding ruime beoordelingsmarge.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

23/2459 NOW, 23/2460 NOW, 23/2461 NOW, 23/2462 NOW, 23/2463 NOW, 23/2464 NOW, 23/2465 NOW, 23/2466 NOW

Datum uitspraak: 24 september 2026

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juli 2023, 22/4306, 22/4309, 22/4310, 22/4313, 23/545, 23/617, 23/1602, 23/1603 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante B.V. 1] (appellante 1) en [appellante B.V. 2] (appellante 2) te [vestigingsplaats]

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

SAMENVATTING

De minister heeft in deze zaak de definitieve subsidies op grond van de NOW-1 en NOW-2 van appellanten vastgesteld op € 0,- omdat geen sprake is van een daling van de omzet van tenminste 20%. De Raad oordeelt dat dit terecht is. Verder oordeelt de Raad dat er geen sprake is schending van het gelijkheidsbeginsel.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.R. van Angeren, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 juni 2024. Voor appellanten zijn verschenen mr. Van Angeren en zijn kantoorgenoot prof.mr. J.B.S. Hijink. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.A.R. Kali, medewerker van het Uwv, en drs. C.C. Staal, medewerker van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.

Appellanten zijn in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen van een in de Verenigde Staten gevestigd moederbedrijf. Zij vormen samen een groep. Appellanten hebben in Nederland werknemers in dienst waarvoor zij in Nederland loonbelasting afdragen. Het Amerikaanse moederbedrijf heeft geen loon in Nederland. Appellanten verrichten uitsluitend werkzaamheden voor het Amerikaanse moederbedrijf die ook in rekening worden gebracht bij het Amerikaanse moederbedrijf. Tijdens de coronaperiode hebben de medewerkers van appellanten doorgewerkt, maar mochten appellanten die werkzaamheden niet bij het Amerikaanse moederbedrijf in rekening brengen.

1.2.

Appellanten hebben afzonderlijke aanvragen ingediend voor tegemoetkomingen in de loonkosten op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) en de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2), op basis van een geschat omzetverlies van 100%. Appellanten hebben op grond van hun aanvragen voorschotten ontvangen.

1.3.

Appellanten hebben bij hun aanvragen om definitieve vaststelling van de NOW-1 en NOW-2 subsidies ingevuld dat zij een omzetverlies van 0% hebben gehad. Daarna heeft de minister de volgende besluiten genomen.

1.3.1.

Bij besluit van 9 december 2021 (besluit 1) heeft de minister de definitieve aanvraag van appellante 1 voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-1 afgewezen omdat appellante 1 een omzetverlies van minder dan 20% heeft gehad. De minister heeft daarbij het al betaalde voorschot ten bedrage van € 157.128,- van appellante 1 teruggevorderd. Bij besluit van 19 december 2021 (besluit 2) heeft het de minister dit bedrag ingevorderd. Bij beslissingen op bezwaar van 18 juli 2022 (bestreden besluit 1) en 19 juli 2022 (bestreden besluit 2) heeft de minister de bezwaren van appellante 1 tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

1.3.2.

Bij besluit van 9 december 2021 (besluit 3) heeft de minister de definitieve aanvraag van appellante 2 voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-1 afgewezen, omdat appellante 2 een omzetverlies van minder dan 20% heeft gehad. De minister heeft daarbij het al betaalde voorschot ten bedrage van € 122.103,- van appellante 2 teruggevorderd. Bij besluit van 19 december 2021 (besluit 4) heeft het de minister dit bedrag ingevorderd. Bij beslissingen op bezwaar van 18 juli 2022 (bestreden besluit 3) en 19 juli 2022 (bestreden besluit 4) heeft de minister de bezwaren van appellante 2 tegen besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard.

1.3.3.

Bij besluiten van 1 februari 2023 (besluit 5 en 6) heeft de minister betalingsregelingen voor de terugbetaling van de NOW-1 voorschotten voor appellanten vastgesteld. Bij beslissingen op bezwaar van 11 mei 2023 (bestreden besluiten 5 en 6) heeft de minister de bezwaren van appellanten gegrond verklaard en de betalingsregelingen gewijzigd.

1.3.4.

Bij besluit van 11 november 2022 (besluit 7) heeft de minister de definitieve aanvraag van appellante 1 voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-2 afgewezen omdat appellante 1 een omzetverlies van minder dan 20% heeft gehad. De minister heeft daarbij het al betaalde voorschot ten bedrage van € 242.404,- van appellante 1 teruggevorderd. Bij besluit van 11 november 2022 (besluit 8) heeft de minister de definitieve aanvraag van appellante 2 voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-2 afgewezen omdat appellante 2 een omzetverlies van minder dan 20% heeft gehad. De minister heeft daarbij het al betaalde voorschot ten bedrage van € 188.708,- van appellante 2 teruggevorderd.

1.4.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4 beroep ingesteld. Tegen besluiten 5 tot en met 8 hebben appellanten rechtstreeks beroep ingesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, onder veroordeling van de minister in de proceskosten van appellanten en vergoeding van de griffierechten in verband met de toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen.

2.1.

De rechtbank komt niet toe aan de subsidiaire grond van appellanten dat de minister het omzetverlies had moeten berekenen op het niveau van de hele groep (dus inclusief het Amerikaanse moederbedrijf). Uit artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 en artikel 6, zevende lid, van de NOW-2 volgt dat de omzetdaling van een buitenlandse groepsvennootschap zonder loonverplichtingen in Nederland niet meetelt bij de berekening van de omzetdaling op groepsniveau. Voor appellanten betekent dit dat de omzetdaling van het Amerikaanse moederbedrijf niet wordt meegenomen bij de berekening van de omzetdaling. Appellanten vinden dat dat wel had gemoeten en willen dat de rechtbank deze artikelen onverbindend verklaart, omdat die in strijd zijn met artikel 1 van de Grondwet (Gw) en het evenredigheidsbeginsel. De NOW-1 en NOW-2 zijn algemeen verbindende voorschriften en niet appellabel. De rechtbank kan wel via een exceptieve toets beoordelen of een bepaling onverbindend moet worden verklaard en buiten toepassing moet worden gelaten. Echter, de minister heeft de betreffende bepalingen niet ten grondslag gelegd aan de besluiten die voorliggen. De rechtbank behandelt de beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.

2.2.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister bevoegd was de subsidie aan appellanten lager (op nihil) vast te stellen omdat zij niet hebben voldaan aan de verplichtingen uit artikel 13, tweede lid, van de NOW-1 en artikel 16, eerste en tweede lid, van de NOW-2 om bij de aanvraag om de vaststelling van de subsidie een accountantsverklaring over te leggen over de naleving van de subsidievoorwaarden. Dat het voor appellanten op grond van de NOW-regelingen en de accountantsstandaarden niet mogelijk was om een afkeurende accountantsverklaring of een andere verklaring dan een samenstellingsverklaring over te leggen, komt voor hun rekening en risico. Het ligt op de weg van appellanten om na te gaan aan welke vereisten moet worden voldaan om een definitieve subsidie te krijgen. Het is de werkgever die verantwoording aflegt over de wijze waarop hij aan de voorwaarden uit de regeling voldoet. Dit uitgangspunt komt tot uiting in het vereiste dat de werkgever met betrekking tot de omzet en de loonsom een zodanig controleerbare administratie beheert dat achteraf gecontroleerd kan worden of een subsidie terecht is verstrekt.

2.3.

De rechtbank volgt appellanten niet in het standpunt dat de minister ook zonder accountantsverklaring zelf had moeten onderzoeken of sprake was van tenminste 20% omzetverlies en dus zelf uitleg moet geven aan het omzetbegrip in de NOW. De eis dat sprake moet zijn van minstens 20% omzetverlies om in aanmerking te komen voor de NOW-subsidie is geen aan de subsidie verbonden verplichting, zoals het overleggen van de accountantsverklaring, maar een subsidievoorwaarde. De ruimte om het omzetbegrip uit te leggen, volgt dan ook niet uit artikel 4:46, tweede lid, onder b, van de Awb. Omdat vaststaat dat appellanten niet aan de procedurele verplichting hebben voldaan om een accountantsverklaring over te leggen, kan de minister de subsidie alleen al daarom op nihil vaststellen en komt hij niet meer toe aan de inhoudelijke vraag of is voldaan aan de subsidievoorwaarde dat sprake moet zijn van een omzetdaling van ten minste 20%. Er is dus geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

2.4.

De rechtbank stelt vast dat de minister in de bestreden besluiten 1 en 2 ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. Pas in beroep heeft de minister dit wel gedaan. De minister heeft toegelicht dat hij in dit geval meer gewicht heeft toegekend aan het algemene belang van een juiste subsidievaststelling en uitbetaling dan aan het belang van appellanten om een definitieve subsidie op grond van de NOW-1 en NOW-2 te ontvangen. Volgens de minister zorgt het vragen van een onafhankelijke goedkeurende accountantsverklaring ervoor dat gewaarborgd is dat de verstrekte subsidiegelden op een juiste manier worden besteed. De rechtbank kan de minister daarin volgen. De wetgever heeft een bewuste en weloverwogen keuze gemaakt om de subsidie op nihil vast te stellen als bij een voorschotverlening van meer dan € 100.000,- geen accountantsverklaring is overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een gerechtvaardigd doel. Appellanten vinden dat hun financiële belangen zwaarder moeten wegen, maar daar is de rechtbank het niet mee eens. Het is de rechtbank niet gebleken dat er onevenredige nadelige gevolgen voor appellanten zijn.

2.5.

Ook in het kader van de terugvorderingen dient de minister een belangenafweging te maken. Ook dit heeft de minister pas in beroep gedaan. Van een onevenwichtige belangenafweging bij de terugvorderingen is niet gebleken.

2.6.

Over de betalingsregelingen heeft de rechtbank overwogen dat de minister conform zijn vaste gedragslijn heeft gehandeld, dat voor de minister geen aanleiding bestond hiervan af te wijken en dat de minister appellanten dus niet nog langer uitstel van betalingen behoefde te geven.

Het standpunt van appellanten

3.1.

Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellanten hierover hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het standpunt van de minister

3.2.

De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

Het oordeel van de Raad

4.1.

De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de besluiten, waarbij de definitieve subsidies op grond van de NOW-1 en NOW-2 zijn vastgesteld op € 0,-, in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

De grondslag van de subsidievaststellingen op € 0,-.

4.2.1.

De Raad stelt vast dat de minister de definitieve subsidies op grond van de NOW-1 en NOW-2 heeft vastgesteld overeenkomstig de aanvragen van appellanten. Appellanten hebben immers bij hun aanvragen om definitieve vaststelling ingevuld dat zij een omzetverlies van 0% hebben gehad. Gelet hierop heeft de minister op grond van artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a, van de NOW-1 en artikel 18, zesde lid, aanhef en onder a, van de NOW-2 de subsidies vastgesteld op nihil en niet, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, op grond van het ontbreken van een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder b, van de NOW-1 en artikel 18, zesde lid, aanhef en onder b, van de NOW 2.

4.2.2.

De Raad ziet dan ook geen aanleiding in te gaan op de door appellanten opgeworpen vraag of het ontbreken van een accountantsverklaring in de weg staat aan het bespreken van de gronden die zien op de NOW-bepalingen die inhoudelijk ten grondslag liggen aan de subsidievaststelling. De Raad zal hierna deze (inhoudelijke) gronden bespreken.

Het omzetbegrip in de NOW

4.3.1.

In artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en de NOW-2 is gedefinieerd wat onder omzet wordt verstaan. Hierbij is aansluiting gezocht bij het netto-omzetbegrip zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Niet meer in geschil is dat de werkzaamheden die appellanten in de subsidieperiodes hebben verricht, hebben geleid tot omzet in de zin van artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW. Daarmee staat ook vast dat op grond van de NOW-1 en NOW-2 geen sprake is geweest van omzetverlies in de subsidieperiodes. Appellanten dienen immers de in de omzetperiode verrichte werkzaamheden als vordering op het Amerikaanse moederbedrijf op te nemen in de financiële verantwoording, zo blijkt uit de door appellanten zelf ingebrachte memo van prof.mr. Hijink. Daarmee is geen sprake van omzetverlies.

4.3.2.

Appellanten hebben gepleit voor een ruimer omzetbegrip dan in de NOW-regelingen is opgenomen. Het standpunt van appellanten komt erop neer dat artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en de NOW-2 in hun geval buiten toepassing moet worden gelaten om daarvoor een andere invulling voor het begrip omzet in de plaats te stellen. Dit standpunt van appellanten vraagt om een exceptieve toetsing van de NOW-regeling.

4.3.3.

De Raad heeft al eerder overwogen1 dat het een bewuste keuze is geweest van de minister om voor de definitie van omzet aan te sluiten bij het omzetbegrip in het jaarrekeningenrecht. Er bestaat dan ook geen aanleiding om in dit geval artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en de NOW-2 buiten toepassing te laten en in het geval van appellanten de omzetdaling hoger vast te stellen. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat het gebruik van de omzetdefinitie en de in dat verband gemaakte dwingende keuze voor de vastgestelde netto-omzet, zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW, de uitdrukkelijke bedoeling is van de minister en dat daarmee een legitiem doel wordt gediend. De door appellanten gestelde nadelige financiële gevolgen in hun concrete geval van de keuze voor deze omzetdefinitie, geven geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en NOW-2 in strijd moet worden geacht met het evenredigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel. Ook de bijzondere omstandigheden waarop appellanten zich beroepen geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Weliswaar zou toepassing van artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en de NOW-2 in sommige gevallen wellicht nadelig kunnen uitpakken, maar dat neemt niet weg dat doorslaggevende betekenis toekomt aan de uitdrukkelijke bedoeling van de minister en de in dat verband gemaakte keuze voor de dwingend vastgestelde omzetdefinitie. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat volgens het Nederlandse jaarrekeningenrecht sprake is van een vordering van appellanten op het Amerikaanse moederbedrijf, zodat niet kan worden gesproken van enig omzetverlies. Voor het afwentelen van het risico dat de Amerikaanse moeder de rekening niet betaalt, is de NOW-regeling niet bedoeld.

De uitsluiting van het Amerikaanse moederbedrijf van de omzetdaling

4.4.1.

In artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 en artikel 6, zevende lid, van de NOW-2 is bepaald dat indien een rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep, wordt uitgegaan van de omzetdaling van die groep. Hierbij worden Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.

4.4.2.

Vaststaat dat het Amerikaanse moederbedrijf een buitenlandse rechtspersoon is zonder loon in Nederland. Op grond van de NOW-regeling wordt de omzet(daling) van het Amerikaanse moederbedrijf dus niet betrokken bij de berekening van de omzetdaling van appellanten. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat die uitsluiting een verboden onderscheid naar nationaliteit oplevert en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zoals dat wordt beschermd in artikel 1 van de Gw, maar ook in verschillende verdragen zoals artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burggerechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens appellanten worden op deze manier andere subsidieaanvragers op een onredelijke wijze bevoordeeld ten opzichte van hen.

4.4.3.

Over de grond dat de uitsluiting van buitenlandse rechtspersonen zonder loon in Nederland niet geoorloofd is in verband met (één of meer van) de door appellanten aangehaalde bepalingen, en dat in dat verband sprake is van een verboden onderscheid, overweegt de Raad als volgt. Volgens constante rechtspraak van de Raad, in navolging van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, is een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM, dan artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, discriminerend als dit niet objectief gerechtvaardigd is. Een onderscheid is niet objectief gerechtvaardigd als daarmee geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd. Het is ook niet objectief gerechtvaardigd als de middelen om dat doel te bereiken niet in een redelijke verhouding staan tot het doel. De verdragsstaten hebben een zekere marge om te beoordelen of verschillen in situaties die verder vergelijkbaar zijn, een verschil in behandeling rechtvaardigen, en in welke mate. De omvang van deze beoordelingsmarge is afhankelijk van het soort onderscheid dat wordt gemaakt. In zaken van sociaaleconomisch beleid heeft de Staat in beginsel een ruime beoordelingsmarge.2 Het in dit geval ter discussie gestelde onderscheid is niet een “verdacht” onderscheid waarvoor aan de regelgever een meer beperkte beoordelingsmarge toekomt

4.4.4.

De uitsluiting van concernonderdelen die niet in Nederland zijn gevestigd en geen loon in Nederland hebben is een bewuste keuze geweest van de minister. In de toelichting bij de NOW-1, die ook van belang is voor de opvolgende NOW-2, heeft de minister dit als volgt gemotiveerd: “Indien er sprake is van concernonderdelen die geen in Nederland gevestigde rechtspersonen of vennootschappen zijn en tevens geen in Nederland verzekerd SV-loon hebben, is de band met Nederland dermate klein dat het niet in de rede ligt om de omzetdaling mede te berekenen op de omzet van een dergelijk concernonderdeel.”3 Naast die in dat geval geringe band met Nederland is een bijkomende omstandigheid dat de minister geen zicht heeft op de steunmaatregelen die in het land van vestiging gelden, op de steun die een dergelijke onderneming eventueel in het land van vestiging al ontvangt en op de controle die daar op wordt uitgeoefend. Verder is hierbij ook van belang dat de NOW niet het oogmerk heeft om omzetverlies als zodanig te subsidiëren, maar om werkgelegenheid te behouden.

4.4.5.

Naar het oordeel van de Raad heeft de minister aldus de grenzen van zijn ruime beoordelingsmarge niet overschreden. Uit de motivering van de minister blijkt van legitieme doelstellingen, te weten het beperken van de steunmaatregelen tot situaties met een toereikende band met Nederland, het voorkomen van ongerechtvaardigde dubbele steun en het behoud van werkgelegenheid in Nederland. Verder staat het middel om die doelstellingen te bereiken – de uitsluiting van buitenlandse rechtspersonen – in een redelijke verhouding tot die doelstellingen.

4.4.6.

Toetsing aan artikel 26 IVBPR of artikel 1 van de Gw leidt niet tot een ander oordeel.

Terugvordering en terugbetalingsregeling

4.5.

De terugvordering als zodanig en de getroffen betalingsregeling zijn in hoger beroep niet langer in geschil.

Conclusie en gevolgen

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd met verbetering van de gronden. Dat betekent dat de besluiten van de minister, waarin de subsidies zijn vastgesteld op € 0,- en waarin is bepaald dat appellanten de reeds betaalde voorschotten moeten terugbetalen, in stand blijven.

6. Appellanten krijgen geen vergoeding voor hun proceskosten. Zij krijgen ook de betaalde griffierechten niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

NOW-1

Artikel 1. Begripsbepaling

[…]

2 Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling.

Artikel 3. Doel van de subsidie

Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.

Artikel 6. Omzetdaling

1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt, in hele procenten en naar boven afgerond.

2 De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.

3 […]

4 Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon, tenzij artikel 6a van toepassing is.

5 Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het vierde lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 maart 2020 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.

6 Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.

7 […]

Artikel 13. Verplichtingen

[…]

2. De aanvraag van de vaststelling gaat vergezeld van een verklaring over de naleving van de subsidievoorwaarden, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep. Deze verklaring voldoet aan standaarden die door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants zijn vastgesteld, met inachtneming van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen accountantsprotocol. Van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen is de werkgever vrijgesteld, indien het totale voorschot dat is verstrekt aan die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, minder is dan € 100.000, –. In afwijking van de vorige zin geldt de vrijstelling van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen niet indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 125.000,– of meer, of indien de werkgever heeft verzocht om toepassing van artikel 6a.

Artikel 14. Subsidievaststelling

1. De werkgever vraagt de vaststelling van de subsidie na 6 oktober 2020 en uiterlijk op 31 oktober 2021 aan, door middel van een door de Minister vast te stellen formulier. Artikel 8, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

2 Bij de aanvraag van de vaststelling worden in ieder geval meegezonden:

a.de definitieve gegevens over de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, alsmede informatie waaruit dit blijkt;

b. de verklaring van een accountant of een derde, bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid; en

c. een verklaring dat voldaan is aan de in artikel 13, eerste lid, onderdelen a en c tot en met i, genoemde verplichtingen.

3 De werkgever die bij de aanvraag van de vaststelling verzoekt om toepassing van artikel 6a verklaart dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6a en zendt een verklaring van een accountant mee waaruit dat blijkt.

4 Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, verplicht is een verklaring van een accountant op grond van artikel 13, tweede lid, of een verklaring van een deskundige derde op grond van artikel 13, derde lid, te overleggen vult de werkgever, die geen verklaring van een accountant, respectievelijk verklaring van een deskundige derde heeft meegezonden, op verzoek van de minister de aanvraag binnen 14 weken aan met de benodigde verklaring.

5 De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 7, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien:

a.de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, minder dan 20% bedraagt;

b.de werkgever geen verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een verklaring van een deskundige derde als bedoeld in artikel 13, derde lid, verstrekt, tenzij hij daarvan op grond van artikel 13, tweede of derde lid, is vrijgesteld; of

c. de werkgever die verzocht heeft om toepassing van artikel 6a, niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 6a of indien in strijd is gehandeld met de verklaring, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, onderdeel c.

6 De Minister stelt de subsidie vast binnen 52 weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 15. Terugvordering

Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, is voldaan.

NOW-2

In de NOW-2 zijn aan de NOW-1 vergelijkbare en grotendeels gelijkluidende bepalingen opgenomen. Het gaat om de artikelen 1 (Begripsbepaling), 3 (Doel van de subsidie), 6 (Omzetdaling), 15 (Verplichtingen), 16 (Verplichting overleggen accountantsverklaring), 18 (Subsidievaststelling) en 19 (Terugvordering).

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »