ECLI:NL:RBZWB:2026:8102

Datum uitspraak
24-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/438176 FA RK 25-3869
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Voolopige "birdnesting" regeling. Verwijzing naar UHA.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/438176 FA RK 25-3869

datum uitspraak: 24 juli 2026

beschikking betreffende echtscheiding

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Moerdijk,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F.J.V.H. Stoffels,

en

[naam 1] , volgens het BRP-uittreksel,

[naam 2] , volgens de huwelijksakte,

wonende te [woonplaats] , gemeente Moerdijk,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Drenth.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

­ het op 24 juli 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

­ het F2-formulier van mr. Drenth van 31 juli 2025, met bijlage;

­ het op 20 oktober 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;

­ het op 18 november 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;

­ de brief van mr. Stoffels van 1 december 2025, met bijlage;

­ de F9-formulieren van mr. Stoffels van 23 januari 2026 en 3 juli 2026, telkens met bijlagen;

­ het F9-formulier van mr. Drenth van 29 juni 2026, met bijlagen;

­ de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 19 augustus 2025.

1.2 De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 14 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad.

1.3 De advocaat van de vrouw, mr. Drenth, heeft aan het begin van de zitting medegedeeld dat een door haar benaderde tolk (Engels) voor haar cliënte op het laatste moment is geannuleerd en dat er geen tijd meer was om een andere tolk in te schakelen.

Mr. Drenth heeft daarop medegedeeld dat de zitting desondanks wat haar betreft wel kan doorgaan, dat de vrouw de Nederlandse taal gedeeltelijk verstaat en gevraagd of het goed is dat zij het besprokene voor de vrouw zal vertalen bij onduidelijkheden. De rechtbank heeft daarmee ingestemd. Met partijen is verder be- c.q. afgesproken dat de voertaal van de rechtbank Nederlands zal zijn, dat vragen dus ook in het Nederlands gesteld gaan worden maar dat de vrouw op de zitting in de Engelse taal zal mogen antwoorden/spreken en dat de rechter dat daarna zal vertalen naar het Nederlands. Verder is afgesproken dat indien blijkt dat de vrouw ondanks de hulp van haar advocaat onvoldoende begrijpt wat op de zitting wordt besproken, of het verloop van de zitting voor de rechtbank niet werkbaar is, de zitting alsnog zal worden onderbroken om de advocaat in staat te stellen een andere oplossing te regelen, zoals bijvoorbeeld de tolkentelefoon. Alle aanwezigen hebben uitdrukkelijk met deze gang van zaken ingestemd en op uitdrukkelijk verzoek van partijen is de zaak op de zitting inhoudelijk behandeld.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

­ partijen zijn op [datum] 2018 te [plaats] (Filipijnen) gehuwd;

­ uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022,

2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023;

­ partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;

­ de man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Filipijnse nationaliteit;

­ hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

2.2

Tijdens de zitting voorlopige voorzieningen van 5 augustus 2025 bij deze rechtbank hebben partijen overeenstemming bereikt over een zogenoemde “birdnestingregeling” en heeft de rechtbank aanvullend, bij beschikking van 19 augustus, bepaald dat bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats] , in het kader van een “birdnestingregeling”:

- de man van maandagochtend tot vrijdagavond 19.00 uur, en

- de vrouw van vrijdagavond 19.00 uur tot maandagochtend.

3 De verzoeken

3.1

De man verzoekt, samengevat:

- de echtscheiding uit te spreken;

- te bepalen dat de minderjarige kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de man;

- te bepalen dat de man de huurder van de echtelijke woning zal zijn.

3.2

De vrouw verzoekt nu, na aanpassing op de zitting, samengevat:

- de echtscheiding uit te spreken;

- primair te bepalen dat de minderjarige kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw en op haar adres staan ingeschreven, althans subsidiair een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te bepalen, waarbij de minderjarige kinderen iedere week van donderdagochtend tot maandagochtend bij de vrouw zullen verblijven, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, althans een zorgregeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie passend acht;

- te bepalen dat de man een bijdrage van € 100,= per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen zal voldoen aan de vrouw, iedere maand bij vooruitbetaling te voldoen en vanaf de datum dat partijen niet langer één huishouden vormen;

- primair te bepalen dat de vrouw de huurster van de echtelijke woning zal zijn, althans subsidiair dat zij huurster van de echtelijke woning zal zijn met ingang van 1 juli 2026 dan wel 1 september 2026.

4 De beoordeling

Echtscheiding

4.1

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.

4.2

De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.3

De rechtbank acht de man en de vrouw ontvankelijk in hun echtscheidingsverzoeken. De door hen aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat redelijkerwijs niet van hen kan worden verlangd dat een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan wordt overgelegd.

4.4

De verzoeken tot echtscheiding liggen als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.

Hoofdverblijf en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

4.5

Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.

De relatie tussen partijen is al geruime tijd verstoord. Het lukt hen niet om op een constructieve manier met elkaar te communiceren over de kinderen. De man draagt grotendeels alleen de zorg voor de kinderen en regelt alle belangrijke zaken, zoals het contact met de kinderopvang, het consultatiebureau, de huisarts en de fysiotherapie voor [minderjarige 1] . Hij doet dit al vanaf de geboorte van de kinderen. De vrouw werkt door de week (vaak middag en deel avond) waardoor het voor haar niet mogelijk is om overdag te zorgen voor de nog zeer jonge kinderen. De man kan dit wel, omdat hij niet werkt. Daarom vindt de man het belangrijk dat het hoofdverblijf van de kinderen bij hem wordt bepaald. Daarnaast vindt de man dat de huidige “birdnesting-regeling” niet goed verloopt. De kinderen raken hierdoor overprikkeld en laten afwijkend gedrag zien, zoals zichzelf slaan. Dit komt volgens de man ook omdat het de vrouw niet lukt om de kinderen de benodigde veiligheid, stabiliteit en rust te bieden. Verder speelt een rol dat de vrouw een zorgmelding over de man heeft gedaan. Veilig Thuis is daardoor betrokken geraakt bij het gezin. De man is boos over de zorgmelding, die naar zijn zeggen is gebaseerd op leugens. Overigens heeft de man onlangs ook zelf een zorgmelding gedaan over de vrouw. Tot slot hebben partijen eind juni 2026 een arrangement laagcomplexe jeugdhulp met [hulpverlening] getekend (profiel: intensief).

Hierbij gaat het om hulpverlening voor [minderjarige 1] en daarnaast ook om hulpverlening voor de ouders bij de onderlinge communicatie, de vormgeving van het ouderschap van partijen, de zorgregeling en vermindering van de onderlinge spanningen.

4.6

Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.

De vrouw stelt dat zij sinds de geboorte van de kinderen het overgrote deel van de zorg voor hen op zich heeft genomen. De man hielp wel mee, maar de vrouw was de hoofdverzorger. Volgens de vrouw verloopt de huidige “birdnesting-constructie” vrij goed. Doordeweeks regelt de vrouw dat zij een andere woonplek heeft en de man doet dit in de weekenden. Door de ”birdnesting-regeling” kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun vertrouwde omgeving blijven en daarbij de zorg van beide ouders blijven houden, op regelmatige basis. De vrouw regelt grotendeels de kinderopvang en de logistiek hieromheen. De vrouw heeft vrij flexibele werkuren en een meedenkende werkgever, waardoor zij op de vrijdag op tijd thuis is voor de kinderen. Volgens de vrouw communiceren partijen met elkaar per e-mail en is de situatie werkbaar. De “birdnesting-constructie” is overigens een overgangssituatie. De vrouw is op zoek naar een andere woonplek en de man ook, maar het is beiden tot op heden niet gelukt andere woonruimte te vinden. De vrouw bemerkt verder dat de man wat moeite heeft om de verzorging geheel zelf te doen op “zijn” zorgdagen. Het is een leerproces, waarbij de man nog geholpen wordt door het feit dat de kinderen doordeweeks een aantal dagen naar de kinderopvang gaan. De vrouw heeft haar werkzaamheden en de zorg voor de kinderen altijd gecombineerd en dat verloopt naar behoren. Daarom heeft het de voorkeur als de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben, met daarnaast een ruime contactregeling tussen de kinderen en de man. Verder heeft de vrouw op de zitting verteld dat zij [minderjarige 1] heeft aangemeld bij het CJG omdat hij met zijn hoofd tegen de muur slaat, al is hij daar volgens haar inmiddels mee gestopt. De vrouw krijgt thuis verder hulp van een medewerker van SDW. De vrouw vindt het belangrijk dat partijen leren om op een positieve manier met elkaar te communiceren en om spanningen te vermijden. Daarom is het goed dat partijen hulp krijgen van [hulpverlening] .

4.7

De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om partijen in het kader van het UHA voor hulpverlening door te verwijzen. De Raad vindt het daarbij wel belangrijk dat in dit UHA-traject door partijen de al ingezette hulpverlening bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Er komt in ieder geval zo regie in die reeds ingezette hulpverlening.

Verder heeft de Raad op de zitting aan de orde gesteld dat het opvallend is hoezeer de lezing van partijen over de feitelijk gang van zaken bij de verzorging en opvoeding van de kinderen uiteen loopt. De Raad vindt het lastig dat in het dossier de informatie over hoe de zorg voor de kinderen van partijen tijdens het huwelijk feitelijk verliep en hoe het met de kinderen en partijen als ouders toen feitelijk ging, ontbreekt. Duidelijk is dat op dit moment de man op de doordeweekse dagen voor de kinderen zorgt en de vrouw dat in het weekend doet. De Raad acht het voor nu in het belang van de kinderen dat deze regeling behouden blijft en dat partijen in kader van het hulpverleningstraject zullen onderzoeken hoe de regeling in de toekomst zal zijn. Het zal voor de kinderen fijn zijn als zij in de weekenden zo nu en dan ook bij de man verblijven, zeker op het moment dat zij naar school gaan. Verder acht de Raad het van belang dat de rechtbank reeds nu beslist over het hoofdverblijf en ook over wie van de ouders huurder van de echtelijke woning zal zijn. Mogelijk kan de andere partij dan in aanmerking komen voor urgentie bij het zoeken van een andere woning. Daarnaast signaleert de Raad dat het dossier door de man ingebrachte verklaringen van ouders van andere kinderen op de kinderopvang bevat. De Raad dringt er bij partijen op aan dat zij andere personen niet op deze wijze betrekken bij hun geschil over de zorgregeling. Andere personen raken zo op de hoogte van de onrust tussen partijen.

Er bestaat een niet te verwaarlozen risico dat ook de kinderen van partijen hierdoor op enig moment worden belast met de onrust tussen partijen. Dat is niet in het belang van de kinderen.

Beoordeling

4.8

Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.

4.9

Op grond van de stukken en wat is besproken op de zitting stelt de rechtbank vast dat partijen een verschillende, haaks op elkaar staande lezing hebben van de feiten en omstandigheden en de situatie in het gezin en rondom de kinderen. Wel is duidelijk gebleken dat de onderlinge verstandhouding tussen partijen is verstoord, dat de oudercommunicatie niet goed verloopt en dat er over en weer veel wantrouwen is. Het lukt partijen als de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook te noemen: ouders) samen niet de problemen tussen hen op te lossen. Daarnaast vertonen de kinderen afwijkend en op momenten zorgelijk gedrag. Ouders zijn mede daarom een hulpverleningstraject aangegaan [hulpverlening] . De rechtbank vindt het, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet, in die zin dat het huidige hulpverleningstraject bij [hulpverlening] wordt voortgezet in het kader van het UHA. Het is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling dat in het kader van het UHA bij een andere zorgaanbieder hulpverlening wordt ingeschakeld.

4.10

Ouders hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 15 juli 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.

4.11

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:

- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;

- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

4.12

Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:

- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;

- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.

De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is meegezonden met het verwijzingsformulier.

4.13

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk 26 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

4.14

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen.

4.15

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

4.16

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

4.17

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

­ Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige kinderen?

­ Hoe dient de (definitieve) regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

­ Welke andere feiten/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?

4.18

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

4.19

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

4.20

De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

4.21

Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Aanhouding van beslissing op overige nevenverzoeken

4.22

Omdat de verwijzing in het kader van het UHA zo spoedig mogelijk bij beschikking moet worden afgegeven, wordt de zaak voor de beoordeling van de overige nevenverzoeken waarop nog niet is beslist aangehouden tot 25 augustus 2026, voor het afgeven van een nadere beschikking.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2018 te [plaats] (Filipijnen) met elkaar gehuwd;

5.2

verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.9 heeft vermeld over [hulpverlening] ;

5.3

verzoekt het loket om uiterlijk 26 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

5.4

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

5.5

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

5.6

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.17 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

5.7

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;

5.8

houdt de beslissing op de overige nevenverzoeken waarop nog niet is beslist aan tot

25 augustus 2026, voor het afgeven van een nadere beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, (kinder)rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »