ECLI:NL:RBOVE:2026:6163

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/08/350859 / ES RK 26-2755
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen, woning, kinderen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/350859 / ES RK 26-2755

beschikking voorlopige voorzieningen van 30 september 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat: mr. P.G.M. Lodder,

en

[de man] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat: mr. M.F. Kiers.

1 De procedure

1.1

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift voorlopige voorzieningen met bijlagen van mr. Lodder, ontvangen op 21 augustus 2026;

  • het verweerschrift voorlopige voorzieningen tevens houdende zelfstandige verzoeken van mr. Kiers, ontvangen op 8 september 2026.

1.2

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op 16 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Syrisch/Arabisch;

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Syrisch/Arabisch;

- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad.

1.3

De rechtbank heeft op 15 september 2026 met de hierna te noemen [minderjarige 1], de zoon van de ouders, gesproken. Tijdens de zitting heeft de rechter dit gesprek samengevat. De aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1

De man en de vrouw zijn op 4 maart 2013 te Aleppo (Syrië) met elkaar getrouwd.

2.2

Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] (Syrië) op [geboortedatum 1] 2016

- [minderjarige 2]geboren te [geboorteplaats 2] (Turkije) op [geboortedatum 2] 2022

2.3

De man en de vrouw hebben de Syrische nationaliteit.

3 Het verzoek

3.1

De vrouw verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De vrouw verzoekt om:

a. te bepalen dat de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;

b. te bepalen dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] inclusief de inboedel, aan de vrouw toekomt.

3.2.

De vrouw licht haar verzoek als volgt toe. Het huwelijk tussen haar en de man is duurzaam ontwricht. De man is eerder naar Nederland gevlucht en de vrouw is hem met de kinderen in 2025 nagereisd. In Nederland bleek de man zich dwingend en bepalend op te stellen. Hij isoleerde en vernederde haar. In het bijzijn van de kinderen praatte hij negatief over de vrouw en stelde hij zich agressief op. De vrouw heeft daarom met de kinderen de woning verlaten en verblijft nu, na een aantal maanden bij haar ouders in [plaats 2] te zijn geweest, in de crisisopvang te [plaats 1]. De gemeente heeft daarop aangedrongen vanwege de nareisprocedure die nog loopt. In de crisisopvang heeft zij een kamer met drie bedden. Zij deelt de keuken en het sanitair met anderen.

3.3.

De vrouw heeft de woning met de kinderen verlaten vanwege de onveiligheid voor haar en de kinderen. De man is een goede vader, maar heeft de belangen van de kinderen niet altijd goed in het oog. De vrouw is bereid te overleggen over een zorgregeling, maar heeft nog niet de tijd gehad om een plan op te stellen. Zij is de hoofdverzorger van de kinderen en vraagt daarom dat de kinderen aan haar worden toevertrouwd. De kinderen hebben een begin van een sociaal leven in [plaats 1] opgebouwd. De vrouw wil graag dat de kinderen hun leven verder kunnen opbouwen in [plaats 1]. Daarom vraagt zij het uitsluitend gebruik van de woning te [plaats 1].

4 Het verweer met een zelfstandig verzoek

4.1

De man verzoekt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij verzoekt de rechtbank ook om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf heeft bij de man en [minderjarige 2] haar hoofdverblijf bij de vrouw;

II. te bepalen dat er een co-ouderschapsregeling heeft te gelden;

III. als het verzoek van de vrouw wordt toegewezen, te bepalen dat een omgangsregeling zal gelden waarbij de kinderen een weekend per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man verblijven, alsmede een dag en nacht door de week.

4.2.

De man licht zijn verzoek als volgt toe. De man is in mei 2022 als vluchteling uit Syrië via Turkije naar Nederland gekomen. De vrouw is toen met de kinderen in Turkije achtergebleven. Zij heeft daar al gezegd van de man te willen scheiden.

Omdat zij bij een scheiding alleen in Turkije zou achterblijven, is de man in het belang van de kinderen een nareisprocedure in Nederland begonnen met als resultaat dat de vrouw eind 2025 in Nederland is gekomen. Zij is meteen een maand bij haar ouders in [plaats 2] geweest en daarna twee maanden bij de man in [plaats 1]. Daarna is de vrouw weer naar haar ouders in [plaats 2] gegaan. De man betwist dat hij haar heeft geïsoleerd, dwingend naar haar was of agressief. De vrouw gebruikt die argumenten om te kunnen scheiden en om urgentie als woningzoekende te krijgen.

4.3.

Toen de man en de vrouw nog samen waren deelden zij de zorgtaken. Dat dat de afgelopen jaren anders was, is logisch. De man wil graag voor de kinderen zorgen en denkt dat dat in de vorm van een co-ouderschap kan. Met name [minderjarige 1] heeft dat nodig, omdat hij in Nederland aan een hele andere omgeving moet wennen. De kinderen zijn in het weekend bij de vader. De ouders proberen de kinderen niet in hun scheiding te betrekken. De ouders hebben contact met hulpverlening via de gemeente.

5 Het verweer op het zelfstandig verzoek

5.1.

De vrouw vindt dat het zelfstandig verzoek moet worden afgewezen en handhaaft haar eerdere verzoek.

6 Het gesprek met [minderjarige 1]

6.1.

is zonder tolk op het jongerengesprek bij de rechter geweest. Het gesprek is daardoor moeizaam verlopen. De kinderrechter heeft uit het gesprek de indruk gekregen dat [minderjarige 1] bij zijn moeder wil wonen, maar ook het contact met zijn vader wil behouden.

7 De raad

7.1.

De raad acht het in het belang van de kinderen dat de scheiding van de ouders zo rustig mogelijk verloopt. Dat is te bereiken door voor de kinderen zo min mogelijk te veranderen. De ouders hebben daar een taak in en zullen in onderling overleg afspraken moeten maken. De raad begrijpt dat de communicatie tussen de ouders op dit moment onvoldoende is om een co-ouderschap aan te gaan. Ook daar zullen de ouders hun verantwoordelijkheid moeten nemen en in het belang van de kinderen moeten leren om weer met elkaar te communiceren.

7.2.

De vrouw verblijft bij Iriszorg en heeft daar een kamer waar ook de kinderen kunnen zijn, de man woont nog in de echtelijke woning. De raad vindt dat de vrouw haar verblijf bij Iriszorg niet op het spel moet zetten. Omdat beide ouders een plek hebben adviseert de raad de kinderen het grootste deel van de tijd bij de een te laten en de rest van de tijd bij de ander. De raad heeft geen signalen dat verblijf van de kinderen bij de ene ouder beter voor hen zou zijn dan verblijf bij de ander. Doordat de kinderen de laatste jaren voornamelijk bij de vrouw zijn geweest, kan de raad zich voorstellen dat de kinderen het grootste deel van de tijd bij haar zijn.

8 De beoordeling

De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is

8.1.

De zaak bevat een internationaal aspect omdat de man en de vrouw de Syrische nationaliteit bezitten, gehuwd zijn in Syrië en [minderjarige 1] in Syrië is geboren en [minderjarige 2] in Turkije.

De rechtbank zal dus eerst ambtshalve de rechtsmacht en het toepasselijk recht beoordelen.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek op grond van het bepaalde in artikel 3 van de Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter) omdat de man en de vrouw en de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

8.3.

Op grond van artikel 10:56 BW zal de rechtbank Nederlands recht toepassen omdat er geen keuze voor een ander recht is gedaan.

8.4.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat voor erkenning en registratie in Nederland in aanmerking komt. De vrouw heeft de huwelijksakte overgelegd, waaruit volgt dat zij ten tijde van de voltrekking van het huwelijk 16 jaar oud was en de man 18 jaar. Een huwelijk met een minderjarige is naar Nederlands recht in beginsel ongeldig. Door indiening van het verzoek tot echtscheiding door de vrouw, die inmiddels 30 jaar is, verzoekt de vrouw in feite om erkenning van het huwelijk1. Daarmee kan in deze procedure uitgegaan worden van een rechtsgeldig huwelijk en kan de rechter de verzoeken beoordelen.

De toevertrouwing

8.5.

De rechtbank zal de minderjarige kinderen toevertrouwen aan de vrouw. De vrouw heeft de afgelopen jaren het grootste deel van de verzorging van de kinderen voor haar rekening genomen. In navolging van het advies van de raad overweegt de rechtbank dat de toevertrouwing aan de vrouw aansluit bij de feitelijke situatie en bij de wens van [minderjarige 1].

Het uitsluitend gebruik

8.6.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning afwijzen. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat zowel de man als de vrouw op dit moment een woning of kamer hebben. Zou de rechtbank het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toewijzen, dan zou de man op straat komen te staan omdat hij geen alternatief heeft. In dat geval zou er geen omgang tussen de man en zijn kinderen kunnen plaatsvinden, dan wel zou dit te belastend voor de kinderen zijn. Verder staat de huurovereenkomst van de woning op naam van de man en niet van beiden. Tot slot heeft de vrouw verklaard dat zij bij Iriszorg kan blijven en dat zij vanuit Iriszorg ondersteund wordt bij het vinden van andere woonruimte.

De zorgregeling

8.7.

De rechtbank zal het primaire verzoek van de man om een co-ouderschapsregeling vast te stellen en zijn subsidiaire verzoek een regeling van één weekend per twee weken en een doordeweekse dag en nacht, afwijzen. In navolging van het advies van de raad oordeelt de rechtbank dat de communicatie tussen de ouders onvoldoende is om een bij helfte gedeelde zorg tot een goed einde te brengen. De ouders zullen eerst hun communicatie moeten verbeteren. De rechtbank zal een voorlopige regeling (dat wil zeggen een regeling die geldt totdat de ouders in onderling overleg nadere afspraken hebben gemaakt of een rechter anders heeft beslist) vastleggen waarbij de kinderen ieder weekend van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur bij de vader zijn. De vader zorgt voor het halen en brengen van de kinderen.

9. De beslissing voor de duur van de echtscheidingsprocedure

De rechtbank:

- vertrouwt de kinderen toe aan de vrouw;

- stelt een zorgregeling vast tussen de man en de kinderen, die inhoudt dat de kinderen iedere week van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur bij de man zijn. De man haalt en brengt de kinderen;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst de verzoeken voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Haarhuis, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 in tegenwoordigheid van mr. E.R. van Schaik, griffier.

De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »