ECLI:NL:RBZWB:2026:8094

Datum uitspraak
24-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/450074 / FA RK 26-3486
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzen zorgmachtiging. Betrokkene neemt vrijwillig medicatie in en de verplichte zorg door GGZ is naar verwachting niet effectief.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/450074 / FA RK 26-3486

Datum uitspraak: 24 juli 2026

Beschikking zorgmachtiging

op het verzoek van de officier van justitie voor

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen betrokkene,

wonend in [plaats] ,

advocaat mr. E.J.L. Mulderink uit Breda.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 7 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 juli 2026. Daarbij zijn gehoord:

  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de heer [persoon 1] , arts van het VIP-team;

  • mevrouw [persoon 2] , casemanager van het VIP-team

  • de ouders van betrokkene.

2 Het verzoek

2.1.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.

3 De standpunten

3.1.

Betrokkene geeft aan dat hij geen zorgmachtiging meer wil en dat hij het fijner zou vinden om op vrijwillige basis medicatie in te nemen. De medicatie helpt hem en het gaat inmiddels wat beter met hem. Hij haalt de medicatie op en neemt deze elke dag in. Zijn ouders helpen hem daarbij. Een verplicht kader is niet nodig. Een lange tijd heeft betrokkene wekelijks contact gehad met het ambulante team, maar de laatste periode heeft hij minder contact.

3.2.

De arts van het VIP-team verklaart dat bij betrokkene sprake is van een autismespectrumstoornis en een psychotische kwetsbaarheid. Sinds betrokkene ontslagen is vanuit de opname, hebben er enkel korte telefoontjes plaatsgevonden. Verder is er geen contact geweest met betrokkene, waardoor er momenteel geen zicht is op hoe het met betrokkene gaat. Om betrokkene goed in te kunnen stellen op de medicatie, moet er zicht op hem zijn en moet er contact zijn tussen betrokkene en de zorgverleners. Hiervoor is telefonisch contact niet voldoende. Zonder medicatie is betrokkene gevoeliger voor overprikkeling vanuit zijn autismespectrumstoornis, waarna hij psychotisch ontregelt en waarbij sprake kan zijn van katatonie. Hoewel betrokkene aangeeft open te staan voor de zorg, heeft de arts daar twijfels bij. De keuzes die betrokkene maakt zijn onderhevig aan de spanningen die hij ervaart, waarbij de betrokkenheid van de familie van betrokkene ook spanningsverhogend kan zijn. In een rustige toestand staat betrokkene open voor hulpverlening, maar als de spanning oploopt niet meer. Ook als het nu beter zou gaan met betrokkene, is er volgens de arts een zorgmachtiging nodig voor een langere tijd. In de nabije toekomst kan het namelijk weer minder goed gaan, zodra de spanningen toenemen.

3.3.

De casemanager van het VIP-team verklaart dat er momenteel geen contact is met betrokkene, omdat dat niet lukt. De behandeling vanuit het VIP-team is echter wel effectief.

3.4.

De ouders van betrokkene geven aan dat het momenteel goed gaat met betrokkene en dat hij de medicatie goed inneemt. Als betrokkene overprikkeld raakt, kan hij als een reactie daarop agressie laten zien. Vanwege de medicatie is betrokkene echter een stuk rustiger. De betrokkenheid vanuit de GGZ is echter stressverhogend voor betrokkene en de ouders willen dat de frequentie van het contact een stuk wordt verlaagd. De ouders hebben de woning naast hun woning gekocht, zodat betrokkene daar met zijn zus kan gaan wonen. Verder hebben de ouders gezocht naar meer passende hulpverlening voor betrokkene, die gericht is op een autismespectrumstoornis. Deze hulpverlening zal over ongeveer twee maanden starten.

3.5.

De advocaat verzoekt namens betrokkene het verzoek af te wijzen. Er is onvoldoende sprake van ernstig nadeel. Hoewel er escalaties hebben plaatsgevonden, is dat inmiddels al een tijd geleden. Op dit moment gaat het goed met betrokkene. Daarnaast is er bij betrokkene sprake van een bereidheid om mee te werken aan de behandeling. Betrokkene neemt de medicatie in en zijn familie ondersteunt hem daarbij. Verder zal er over twee maanden hulpverlening betrokken raken. In de tussentijd is er geen zorgmachtiging nodig, aangezien betrokkene de medicatie zal blijven ophalen en innemen.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal het verzoek afwijzen. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

4.2.

De rechtbank is wel van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene heeft namelijk neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen, schizofreniespectrum-en andere psychotische stoornissen, andere problemen die een reden voor zorg kunnen zijn.

4.3.

Deze stoornis veroorzaakt daarnaast ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:

- ernstig lichamelijk letsel;

- ernstige psychische schade;

- maatschappelijke teloorgang;

- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt.

4.4.

Onder invloed van spanningen ontstaan bij betrokkene psychotische klachten en katatonie. In de thuissituatie is meermaals sprake geweest van (dreigende) agressie vanuit betrokkene richting zijn ouders, vanwege een onvermogen van betrokkene om zich verbaal te verweren tegen zijn ouders. Er ontstaan regelmatig forse spanningen binnen het systeem, waarbij overprikkeling ontstaat en betrokkene zich onvoldoende kan uiten richting zijn ouders. Hij is daarnaast meermaals weggelopen van huis, verdwaald en enkele keren verward en 'uit contact’ aangetroffen.

4.5.

Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.

4.6.

De rechtbank acht het van belang dat betrokkene de zorg krijgt die hij nodig heeft. Zo is het van belang dat betrokkene zijn medicatie blijft innemen en dat de hulpverlening, die door de ouders is aangevraagd, binnenkort zal worden ingezet en zal gaan starten. Het is de rechtbank gebleken dat betrokkene op dit moment de voorgeschreven medicatie inneemt. Betrokkene en zijn ouders merken dat betrokkene hier baat bij heeft en willen doorgaan met deze medicatie. Ook wil betrokkene meewerken aan de hulpverlening die door zijn ouders is aangevraagd. De rechtbank begrijpt anderzijds dat de GGZ zich afvraagt in hoeverre deze vrijwilligheid van betrokkene voldoende bestendig is om de benodigde behandeling en zorg te kunnen continueren.

4.7.

Los van de vraag of er mogelijkheden zijn om de benodigde zorg op vrijwillige basis te verlenen, is de rechtbank van oordeel dat het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene niet evenredig en effectief is. Ingevolge artikel 3:3 sub c en d Wvggz kan verplichte zorg alleen worden verleend als uiterste middel, waarbij onder meer als eis wordt gesteld dat het verlenen van verplichte zorg gelet op het beoogde doel evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het verlenen van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene. Op dit moment neemt betrokkene namelijk zijn medicatie vrijwillig in. Daarnaast is het, gelet op de enorme weerstand die zowel betrokkene als zijn ouders voelen richting de GGZ, voor medewerkers van de GGZ op dit moment praktisch onuitvoerbaar om betrokkene ambulant te begeleiden en lukt het de GGZ niet om in contact te komen met betrokkene. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de verzochte vormen van verplichte zorg op zichzelf wel effectief geacht kunnen worden, maar niet als deze zorg verplicht door de GGZ wordt verleend.

4.8.

Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. Phillips, rechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot, griffier en op schrift gesteld op 31 juli 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »