beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/794038 / FA RK 26/7260
kenmerk: ZM/IND/211996
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 7 oktober 2026 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. J.K. Gaasbeek te Haarlem,
zorgaanbieder: Arkin.
1 Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 18 september 2026.
De eerste mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op vrijdag 2 oktober 2026 op het thuisadres van betrokkene. Bij aankomst bleek betrokkene niet bereikbaar dus het verzoek is aangehouden. Op 7 oktober 2026 heeft de voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gebouw van de rechtbank.
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de raadsman (telefonisch);
- mw. [naam 1], arts;
- [naam 2], verpleegkundige.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2 Beoordeling
De rechtbank kan op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging verlenen ten aanzien van betrokkene wanneer wordt voldaan aan de criteria en doelen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:3 en 3:4 van de Wvggz. Indien het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, kan als uiterste middel verplichte zorg worden verleend, indien geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn, het verlenen van verplichte zorg gelet op het beoogde doel evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. Verplichte zorg kan worden verleend om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, of de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor.
In de overgelegde stukken staat dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een chronische paranoïde psychose in het kader van schizofrenie en een vermoeden van een stoornis in cannabisgebruik.
De raadsman heeft verzocht om de zorgmachtiging af te wijzen. De laatste opname heeft betrokkene weinig gebracht. Hij is toen naar huis gegaan. Betrokkene wil geen zorgmachtiging en wil zijn vrijheid. Daarnaast ziet hij het ernstig nadeel niet. Er dreigt geen uithuiszetting en er is ook geen financiële schade. Betrokkene heeft een bewindvoerder die zijn financiële zaken regelt. Betrokkene wil niet in de verplichte zorg komen. Omdat er geen sprake meer is van ernstig nadeel moet het verzoek dan ook worden afgewezen.
De arts heeft verzocht om verlenging van de zorgmachtiging. In het verleden is betrokkene vaker uit zorg geraakt omdat hij niet altijd op zijn afspraken komt. De afgelopen zorgmachtiging had betrokkene een depot en toen ging het beter. Uiteindelijk is betrokkene weer uit beeld geraakt. Het is moeilijk om in contact te komen, maar dat is wel nodig. Zonder zorgmachtiging zal betrokkene contact vermijden en de behandeling helpt hem ook voor langere tijd.
Naar het oordeel van de rechtbank is weliswaar sprake van een psychische stoornis, maar op dit moment zijn onvoldoende aanwijzingen dat dit leidt tot het veroorzaken van ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is daarnaast onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank begrijpt dat de behandelaren een zorgmachtiging voor betrokkene in zijn belang vinden, om de behandeling op gang te helpen en contact te houden met betrokkene, maar het bestaan van een ernstig nadeel is onvoldoende onderbouwd en is ook overigens niet gebleken. Er zijn over de afgelopen recente periode geen meldingen van buren bekend van door betrokkene veroorzaakte geluidsoverlast. Ook is niet gebleken dat nu sprake is van een huurachterstand of van een dreigende huisuitzetting. Betrokkene heeft een bewindvoerder en zonder andersluidende informatie mag er van worden uitgegaan dat er geen serieuze financiële zorgen zijn. Hiermee vervalt de grond voor het opleggen van verplichte zorg. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen.
3 Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 7 oktober 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, bijgestaan door D.L. Overduin als griffier en op 15 oktober 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.