ECLI:NL:RBZWB:2026:7964

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/398561 / FA RK 22-2626 en C/02/398628 / FA RK 22-2657
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

G&O - toewijzing verzoek eenhoofdig gezag

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/398561 / FA RK 22-2626 en C/02/398628 / FA RK 22-2657

datum uitspraak: 21 juli 2026

(nadere) beschikking betreffende wijziging gezag

in de zaken van

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [plaats] ,

verzoeker in de zaak met zaaknummer C/02/398628 / FA RK 22-2657,

verweerder in de zaak met zaaknummer C/02/398561 / FA RK 22-2626,

advocaat: mr. A. Ramsaroep te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

verweerster in de zaak met zaaknummer C/02/398628 / FA RK 22-2657,

verzoekster in de zaak met zaaknummer C/02/398561 / FA RK 22-2626,

advocaat: voorheen mr. C.L. de Koeijer, thans mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,

betreffende de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, hierna te noemen: [minderjarige 2] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het verdere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- de beschikking van 20 december 2024 en alle daarin genoemde stukken;

- het rapport van de Raad van 1 april 2025;

- het door mr. Ramsaroep op 29 december 2025 ingediende F5-formulier

- het door mr. Burlet op 1 december 2025 ingediende F9-formulier;

- het door mr. Ramsaroep op 29 december 2025 ingediende F5-formulier;

- het door mr. Ramsaroep op 29 december 2025 ingediende F9-formulier;

- het door mr. Burlet op 8 januari 2026 ingediende F9-formulier met bijlage;

- het bericht van de Raad van 6 februari 2026;

- het door mr. Burlet op 1 april 2026 ingediende F9-formulier;

- het door mr. Ramsaroep op 4 juni 2026 ingediende F9-formulier;

- het door mr. Burlet op 4 juni 2026 ingediende F9-formulier.

2 De (verdere) beoordeling

2.1.

Bij beschikking van 20 december 2024 is de beschikking van 15 november 2023 als volgt gewijzigd en is voorlopig bepaald dat dat de vrouw de man eenmaal per kwartaal schriftelijk informeert (per e-mail) op elke eerste dag van een kwartaal, te weten 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals eventuele medische zaken, hun schoolse ontwikkeling en gebeurtenissen in hun dagelijks leven, inclusief een recente foto van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij deze informatie op A4-formaat times new roman punt 11 dient te zijn, waarbij er voor ieder kind een halve A4 beschreven dient te worden, een en ander zoals opgenomen onder rechtsoverweging 2.12 van die beschikking. Hiernaast is de vrouw veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,= (vijfhonderd euro) voor iedere keer dat de vrouw niet voldoet aan hetgeen over de informatieregeling is uitgesproken, tot een maximum van € 5.000,= (vijfduizend euro) is bereikt. Ook is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 2.13 en 2.15 van die beschikking vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

2.2.

Op 1 april 2025 heeft de Raad de rechtbank een rapport doen toekomen. Hierin adviseert de Raad de rechtbank om de definitieve beslissing met betrekking tot de zorgregeling en het gezag aan te houden voor de duur van 8 maanden vanaf de start van de hulpverlening. Gedurende deze periode kan de in het huidige raadsrapport geadviseerde hulpverlening worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van deze hulpverlening kan de Raad de rechtbank over 8 maanden zo nodig voorzien van een definitief advies.

2.3.

Op 29 december 2025 heeft mr. Ramsaroep laten weten dat de man zijn verzoeken intrekt. Na 3,5 jaar procederen en geen enkel (zicht op) resultaat, gooit de man de handdoek in de ring. Het systeem faalt en hij voelt zich niet serieus genomen door de rechtbank, ondanks internationale verdragen die aan de overheid en daarmee ook aan rechtbanken een actieve verplichting opleggen om contact tussen een vader en zijn kinderen tot stand te brengen. Sinds september 2021 heeft de man zijn kinderen niet gezien, kon de vrouw met de kinderen met de noorderzon vertrekken en heeft zij met - volgens de man valse aantijgingen - de kinderen van hem kunnen weghouden, gesteund door instanties die enkel het narratief van de vrouw herhalen dan wel daarvan uitgaan, zonder voldoende rekening te houden met de versie van de man. De man benadrukt voor de goede orde dat zijn kinderen altijd welkom en veilig zijn bij hem, maar dat hij deze ongelijke strijd met de vrouw moe is en opgeeft. Zelfs de informatieverplichting die aan de vrouw op straffe van een dwangsom is opgelegd, komt zij niet na. Alhoewel de beschikking op 6 januari 2025 is betekend aan de vrouw en de dwangsommen zijn aangezegd, heeft zij alleen op 2 januari 2025, 10 april 2025 en 2 juli 2025 een kort verslagje met telkens twee foto’s gestuurd en daarna laat zij niets meer van zich horen. Kort na het rapport van de Raad in april 2025 is de man één keer gebeld door iemand die een plan besprak om de kinderen een brief te schrijven. Daarna heeft de man tot op heden van niemand meer iets vernomen en heeft alles stil gelegen. De man begrijpt niet waarom er geen ondertoezichtstelling wordt verzocht aangezien de vrouw niet meewerkt aan omgang tussen de man en de kinderen. De man heeft altijd met alles meegewerkt, wenst enkel zijn kinderen op regelmatige basis te zien, maar wordt nergens gehoord.

2.4.

Op 8 januari 2026 heeft mr. Burlet aan de rechtbank laten weten dat de vrouw, naar aanleiding van het intrekken van de verzoeken door de man, het door haar ingediende zelfstandige verzoek een contactregeling vast te stellen waarbij de man eenmaal per maand gedurende een dagdeel onder begeleiding van een professionele instantie contact heeft met de kinderen intrekt. De vrouw handhaaft het resterende verzoek te bepalen dat het gezag over de minderjarigen voortaan eenhoofdig wordt uitgeoefend door de vrouw.

2.5.

Op 6 februari 2026 heeft de Raad de rechtbank een bericht doen toekomen. Hierin wordt onder meer vermeld dat de vrouw goed meegewerkt heeft met de hulpverlening, de hulpverlening heeft toegelaten en zich niet belemmerend heeft opgesteld in het onderzoek naar contactherstel. De man blijft zakelijk, geeft aan dat hij contact wil, maar is wisselend bereikbaar geweest en heeft zich uiteindelijk teruggetrokken, hetgeen bij de hulpverlening vragen oproept over zijn betrokkenheid. Nu de man zijn verzoeken heeft ingetrokken en geen rol meer voor zichzelf ziet in het leven van de kinderen zal het door [persoon] voorgestelde vervolgtraject met betrekking tot ouderschapsbemiddeling geen doorgang kunnen vinden. De verdere hulptrajecten met betrekking tot de vrouw en de kinderen zullen wel doorgaan. Doordat de man aangeeft geen enkele rol meer te willen spelen in het leven van de kinderen, is het volgens de Raad van belang dat er een besluit wordt genomen ten aanzien van het gezag. Als uitgangspunt geldt dat het in het belang is van een kind wanneer de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De Raad is van mening dat instandhouding van het gezamenlijk gezag ervoor zal zorgen dat de kinderen klem of verloren zullen raken. Nu de man geen betrokkenheid meer wenst en geen rol meer wil spelen in het leven van de kinderen, dient de vrouw zelfstandig belangrijke beslissingen te kunnen nemen aangaande de kinderen zonder de man om toestemming te moeten vragen. Mede gezien de houding van de vrouw en samenwerking met hulpverlening vanuit het vrijwillig kader, ziet de Raad geen reden om het verzoek van de vrouw af te wijzen.

2.6.

Bij bericht van 4 juni 2026 heeft mr. Ramsaroep namens de man bevestigd dat, ook na het lezen van het rapport van de Raad van 5 februari 2026, hij zijn eerdere standpunt zoals ingediend bij F9-formulier van 29 december 2025 handhaaft (waarbij hij ook zijn verzoeken heeft ingetrokken). Ten aanzien van het verzoek eenhoofdig gezag van de vrouw refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank. De man zal niet verschijnen ter zitting van 8 juni 2026 en verzoekt de rechtbank beschikking te geven zonder een mondelinge behandeling.

2.7.

Bij bericht van 4 juni 2026 heeft mr. Burlet namens de vrouw gesteld dat ook de vrouw niet bij de mondelinge behandeling zal verschijnen. Namens de vrouw verzoekt mr. Burlet de zaak schriftelijk af te doen.

Eenhoofdig gezag

2.8.

Ingevolge artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.

2.9.

Gezien het feit dat de man zijn verzoeken heeft ingetrokken en de vrouw haar zelfstandige verzoeken heeft ingetrokken ligt alleen nog ter beoordeling voor of de vrouw al dan niet met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen moet worden belast. Ten aanzien van dit verzoek refereert de man zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank overweegt als volgt. Ze is het met de Raad eens dat het verzoek van de vrouw moet worden toegewezen. De vrouw staat open voor hulpverlening, maar de man heeft aangegeven dat hij geen rol meer ziet voor hem in het leven van de kinderen en heeft zich inmiddels volledig uit de hulpverlening teruggetrokken. Op deze manier kan er geen ouderschapsbemiddeling plaatsvinden. Ook naar de door de rechtbank geplande zitting wil de man niet komen. Als de ouders samen het gezag willen uitoefenen, is het nodig dat ze in staat zijn om in het belang van de kinderen gezamenlijk beslissingen over hen te nemen, zonder dat de kinderen hiermee worden belast. De rechtbank is van oordeel dat dit niet kan op het moment dat de man zich terugtrekt uit het leven van de kinderen. De vrouw moet dan ook voortaan zelfstandig beslissingen kunnen nemen over hen zonder dat ze hiervoor toestemming van de man nodig heeft.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.10.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

Overige verzoeken

2.11.

Nu partijen hun overige verzoeken hebben ingetrokken, kan de rechtbank deze niet inhoudelijk beoordelen. Het meer of anders verzochte zal derhalve worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en bepaalt dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan alleen aan de vrouw toekomt;

3.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »