ECLI:NL:RBZWB:2026:7915

Datum uitspraak
20-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/448636 / KG ZA 26-269
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

KG begeleide omgang

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/448636 / KG ZA 26-269

Vonnis in kort geding van 28 juli 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. A. Fakiri te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

- het bericht van mr. Fakiri van 17 juli 2026 met bijlage;

- de mondelinge behandeling op 20 juli 2026.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen (de vrouw is aangesloten via Teams), bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1.4.

De voorzieningenrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzieningenrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna: [minderjarige] .

2.2.

De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.3.

[minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2026 is, voor zover hier van belang, bepaald dat:

- de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] , voorlopig bij de vader zal zijn: iedere dinsdag uit school tot 19.00 uur, waarbij de

vader zorgdraagt dat [minderjarige] uit school wordt gehaald en waarbij geldt dat als [minderjarige] een

vrije dag heeft op dinsdag, hij op die dag met de vader zal zijn van 10.00 uur tot 19.00 uur;

- de moeder met ingang van heden voorlopig aan de vader één keer per kwartaal per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling, de schoolgang, de medische behandeling, sport en andere hobby, et cetera;

- stelt vast dat de ouders bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Gezinsvertegenwoordiging en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.

3 De vorderingen in conventie en reconventie

3.1.

De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding:

Primair:

1. uitvoerbaar bij voorraad de bij beschikking van de Rechtbank Den Haag voorlopig

vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige] op te schorten

met ingang van de datum van het in dezen te wijzen vonnis, totdat partijen het door de

rechtbank voorgestelde traject van begeleiding en hulpverlening volledig hebben afgerond;

Subsidiair:

2. te bepalen dat de omgang tussen de man en de minderjarige [minderjarige] uitsluitend zal plaatsvinden onder professionele begeleiding van een door de voorzieningenrechter nader aan te wijzen instantie, op nader door de voorzieningenrechter te bepalen voorwaarden, totdat de bodemrechter anders heeft beslist;

Meer subsidiair:

3. een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht, een en ander in het belang van de minderjarige [minderjarige] .

3.2.

Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De relatie tussen partijen kenmerkte zich door huiselijk geweld. In januari 2019 heeft de man naar aanleiding hiervan een huisverbod opgelegd gekregen. In augustus 2023 heeft de vrouw het contact tussen de man en [minderjarige] stopgezet. Er was voortdurend sprake van geweld, dreiging en instabiliteit vanuit de man. [minderjarige] heeft tijdens een gesprek met sociaal maatschappelijk werk verklaard dat de man hem pijn heeft gedaan en hem tegen de muur en tegen de grond heeft gegooid. Bij beschikking van 30 maart 2026 is er onder meer, op verzoek van de man, echter toch een voorlopige omgangsregeling vastgesteld. Op 12 april 2026 heeft er een ernstig incident plaatsgevonden in de trein. De vrouw was meegegaan naar het omgangsmoment tussen de man en [minderjarige] om toezicht te houden. Tijdens deze treinreis heeft de man [minderjarige] hardhandig vastgepakt, hem op de grond getrokken en zijn armen kruislings op zijn rug geknepen. [minderjarige] riep luid ‘auw’ van de pijn, begon hevig te huilen en was zichtbaar angstig. Ook heeft de man, in het bijzijn van [minderjarige] , de vrouw uitgescholden. Op het perron heeft de man de beledigingen voortgezet. De man heeft [minderjarige] vervolgens recht aangekeken en tegen hem gezegd: ‘ik haat jou ook’. Toen [minderjarige] aangaf de man later, wanneer hij groot is, niet meer te willen zien, antwoordde de man: ‘maakt niet uit. Ik maak wel twee of drie nieuwe kinderen’. De vrouw heeft [minderjarige] direct uit de situatie gehaald. Na dit incident ontving de vrouw een voicebericht waarin te horen is dat de man haar wederom heeft uitgescholden. [minderjarige] heeft sinds dit incident meermalen en op eigen initiatief aan de vrouw, maar ook bij Mentaal Beter, verklaard dat hij zich onveilig voelt bij de man en geen contact meer met hem wenst. [minderjarige] is verdrietig en boos over het gedrag van de man tegen hem en tegen de vrouw. Er kan dan ook sprake zijn van hertraumatisering als hij op dit moment contact met de man moet aangaan. Het incident van 12 april 2026 staat niet op zichzelf. Er is eerder sprake geweest van agressief gedrag van de man en van een onveilige sfeer wanneer de man in het bijzijn van [minderjarige] verkeerde. Het incident van 12 april 2026 vormt in dat licht een ernstige escalatie van een reeds zorgwekkend patroon. [minderjarige] heeft momenteel rust en veiligheid nodig zodat hij weer kan herstellen. Ook vindt de vrouw het noodzakelijk dat de man hulp zoekt. Hierbij hebben de ouders een intake gehad voor hulpverlening. Dit is een korte, maar intensieve interventie. Noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] is dat dit resultaat wordt afgewacht en dat de omgangsregeling tot die tijd voorlopig wordt geschorst.

3.3.

De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.

In reconventie vordert de man bij vonnis de vrouw te veroordelen tot nakoming van de bij beschikking van 30 maart 2026 door de rechtbank Den Haag vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] op straffe van een dwangsom van €100,- per dag dat de vrouw de beschikking niet nakomt met een maximum van €5.000,-.

3.4.

Ter onderbouwing van zijn verweer en vordering voert de man, kort samengevat, het navolgende aan. Sinds de zomer van 2025 zagen de man en [minderjarige] elkaar wekelijks. Dit verliep goed. Daarna is de voorlopige omgangsregeling door de rechtbank Den Haag vastgelegd. De man en [minderjarige] hadden geen begeleiding bij de omgang nodig, maar toch is de vrouw op 12 april 2026 met [minderjarige] meegegaan. Tussen de man en de vrouw is discussie ontstaan. [minderjarige] was hier getuige van. De man heeft [minderjarige] echter niet op een onheuse wijze bejegend en heeft hem fysiek geen pijn gedaan. Wel heeft hij als grapje tegen [minderjarige] terug gezegd dat hij hem haat. Ook heeft de man de vrouw niet hardop uitgescholden. Dat de vrouw de contacten tussen de man en [minderjarige] heeft gestopt is niet in het belang van [minderjarige] . Het enkele feit dat er in april 2026 een vervelend voorval tussen partijen is geweest maakt niet dat er direct sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a BW. Hierbij heeft de man [minderjarige] op vaderdag, en dus na het incident, ook gezien. Hier was de vrouw bij aanwezig en dit is goed verlopen. Daarbij meent de man ook dat de vordering van de vrouw ‘te onbepaald is’. Immers, de vrouw vordert dat de omgang wordt opgeschort totdat het traject van begeleiding en hulpverlening ‘volledig is afgerond’. De man begrijpt niet hoe de vrouw dit voor zich ziet. Het idee van de hulpverlening is immers dat partijen tot afspraken komen over de invulling van het contact en onderdeel hiervan is dat tijdens de hulpverlening het vormgeven van dit contact dus ook mogelijk zou moeten zijn. De man kan zich ook niet vinden in de subsidiaire vordering van de vrouw, te weten dat de omgang onder begeleiding dient plaats te vinden. Dit om dezelfde redenen als dat de man meent dat er van opschorting van de omgang geen sprake kan zijn; de veiligheid van [minderjarige] is bij de man niet in het geding. Echter, als dit de enige manier is waarop er omgang kan zijn met [minderjarige] , wil de man hieraan meewerken. Dit is beter dan de omgang voorlopig schorsen, omdat de drempel voor [minderjarige] om omgang met de man de hebben dan alleen maar hoger wordt. Kennelijk is het enkele bestaan van een beschikking voor de vrouw onvoldoende stimulans om deze te eerbiedigen zodat er een (financiële) prikkel tot nakoming nodig is. Om die reden vordert de man nakoming op straffe van een dwangsom.

3.5.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast.

4.2.

Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

4.3.

Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, naar voren gebracht dat ze zich zorgen maken om [minderjarige] . [minderjarige] heeft het incident in de trein als heftig ervaren en vertelt dat hij de man niet meer wil zien. Het is goed dat de ouders binnenkort starten met hulpverlening. Echter vindt de Raad het niet in het belang van [minderjarige] om deze hulpverlening af te wachten, voordat het contact tussen de man en [minderjarige] kan worden opgestart. Dit kan namelijk wel zes tot negen maanden duren. Om het beeld dat [minderjarige] van zijn vader heeft te herstellen, is er contact tussen hen nodig. Hierbij neemt de Raad ook mee dat er na het incident van 12 april kennelijk opnieuw contact is geweest tussen de ouders waar [minderjarige] bij was. Dit is niet geëscaleerd. Het inzetten van begeleide omgang vindt de Raad echter passend, zodat [minderjarige] in ieder geval veilig contact aan kan gaan met zijn vader.

4.4.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Gebleken is dat de ouders een belast verleden hebben en dat het ze niet voldoende lukt om op ouderniveau te communiceren. De voorzieningenrechter vindt het dan ook goed te horen dat ze open staan voor hulpverlening en dit samen aan gaan. Echter is de voorzieningenrechter het met de Raad eens dat het opschorten van de omgangsregeling in afwachting van deze hulpverlening niet in het belang is van [minderjarige] . [minderjarige] kan de man dan lange tijd niet zien, waardoor het negatieve vaderbeeld dat hij inmiddels heeft ontwikkeld niet zal veranderen. De voorzieningenrechter weegt hierbij ook mee dat [minderjarige] en de man elkaar na het incident op 12 april 2026 al een keer hebben gezien en dat dit goed - en zonder escalaties - is verlopen. Hij vindt het wel belangrijk dat er begeleide omgang komt tussen de man en [minderjarige] , omdat de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd moet worden. De voorzieningenrechter neemt hierin mee dat [minderjarige] bij Mentaal Beter heeft aangegeven zich niet prettig te voelen bij de man en bang te zijn voor een nieuwe escalatie. Met begeleide omgang kan er voldoende veiligheid worden ingebouwd, waardoor een nieuwe escalatie voorkomen kan worden. Op deze manier kan ook het risico op hertraumatisering voorkomen worden. Omdat Mentaal Beter bij [minderjarige] betrokken is, dient in overleg met hen passende begeleide omgang te worden gezocht. Het is belangrijk dat de omgangsbegeleiding de omgangsmomenten met [minderjarige] voorbereidt, zodat de omgang voor hem zo fijn mogelijk verloopt. Hierbij kan de hulpverlening vanuit Mentaal Beter goed inschatten hoe het met [minderjarige] gaat als de begeleide omgang met de man is opgestart en kan de informatie die uit de (neutrale) omgangsbegeleiding komt, mee worden genomen in de hulpverlening van de ouders. Indien Mentaal Beter het voor [minderjarige] te belastend vindt om begeleide omgang op te starten c.q. te blijven hebben, is dit leidend of de omgang kan starten c.q. voortgaan.

4.5.

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.6.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat de omgang tussen de man en [minderjarige] voorlopig uitsluitend zal plaatsvinden onder professionele begeleiding zoals omschreven onder rechtsoverweging 4.4.;

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd in conventie en in reconventie.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »