RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448076 / JE RK 26-814
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de in deze zaak gegeven beschikking van 30 juni 2026 en alle daarin vermelde stukken;
-
de brief van de advocaat van de moeder van 2 juli 2026 met als bijlage het intakeverslag van [kliniek] van 24 juni 2026;
-
de brief van de advocaat van de moeder van 6 juli 2026;
-
de brief van de GI van 10 juli 2026 met bijlagen.
Op 14 juli 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de
zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
-
de moeder met haar advocaat;
-
een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt. De kinderrechter heeft hierover bericht ontvangen van de advocaat van de moeder.
2 De nadere beoordeling
Stand van zaken
Bij voormelde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging verlengd om
[minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot
15 juli 2026 en het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een (brede)
machtiging is aangehouden. Dit in afwachting van de berichtgeving vanuit de Nederlandse
centrale autoriteit of er toestemming voor de plaatsing vanuit België is verkregen.
De GI heeft in de brief van 17 juni 2026 de kinderrechter bericht dat de procedure via de Nederlandse centrale autoriteit nog niet is afgerond. Er is nog geen andere informatie beschikbaar over het traject bij de Belgische centrale autoriteit als is weergegeven in de beschikking van 8 juni 2026. De GI blijft de procedure actief volgen en zet zich in voor een spoedige afronding. Verder heeft de intake plaatsgevonden van [minderjarige] bij [kliniek] en zij is toegelaten tot het behandeltraject. De beoogde startdatum is 1 juli 2026. [minderjarige] is bereid dit traject aan te gaan. Tot deze plaatsing dient het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin in België te worden gecontinueerd.
[minderjarige] is op 1 juli 2026 overgeplaatst van het pleeggezin in België naar [kliniek] . Zij zal hier verblijven voor de duur van de resterende verzochte machtiging.
Nu [minderjarige] in Nederland is geplaatst en dus niet langer in België verblijft zal de toestemming van de centrale autoriteit niet langer noodzakelijk zijn en kan dit aanvraagtraject als afgesloten worden beschouwd.
Aan de kinderrechter ligt het verzoek van de GI nog voor om voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor een voorziening voor pleegzorg en aansluitend een machtiging voor een accommodatie jeugdhulpaanbieder.
Standpunten
De jeugdbeschermer van de GI heeft tijdens de mondelinge behandeling, voor zover van belang, aangegeven dat de GI nog steeds achter het traject en de plaatsing bij [kliniek] staat.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder het eens is met het verzoek van de GI. De moeder staat achter het traject dat [minderjarige] zal doorlopen bij [kliniek] . De moeder heeft daarbij aangegeven dat de intrinsieke motivatie van [minderjarige] om het traject te doorlopen steeds verder groeit. Ook is geregeld dat [minderjarige] op school kan starten na haar thuisplaatsing rond 9 september 2026. De moeder is heeft hierover ook contact met de leerplichtambtenaar, omdat [minderjarige] nog een dag per week nazorg zal krijgen vanuit [kliniek] .
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de
kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar
verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit
noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot
onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c
BW kan de kinderrechter duur van de machtiging verlengen.
De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] inmiddels is geplaatst bij [kliniek] waar zij in ieder geval de komende tien weken een behandeling zal doorlopen. De kinderrechter acht het, net als de GI en de moeder, noodzakelijk dat [minderjarige] deze behandeling zal doorlopen. Gelet op het verloop van de afgelopen jaren is het belangrijk dat [minderjarige] de nodige structuur en behandeling geboden krijgt zodat zij weer toekomt aan haar eigen ontwikkeling. Gelet op de hulpverlening die er reeds is ingezet, acht de kinderrechter een minder vergaande maatregel dan een uithuisplaatsing op dit moment ontoereikend. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij een gepaste behandeling krijgt voor haar problematiek en ook dat zij weer naar school zal gaan. Na haar behandeling bij [kliniek] kan worden bezien welk traject het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] . De kinderrechter zal dan ook het resterende verzoek van de GI toewijzen en de GI machtigen [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie zorgaanbieder tot het einde van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verklaart de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger
beroep gaat.
3 De beslissing
De kinderrechter:
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder met ingang van heden tot 21 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Boink, als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.