ECLI:NL:RBOVE:2026:6027

Datum uitspraak
23-09-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/08/350993 / JE RK 26-1408
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het verzoek ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar toegewezen. Er zijn onder andere zorgen over zelfbepalend, agressief en crimineel gedrag van beide kinderen. Het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing wat betreft de ene minderjarige is afgewezen. Het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing wat betreft de andere minderjarige voor de duur van zes maanden is toegewezezen voor de duur van drie maanden en voor het overige aangehouden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Almelo

Zaaknummer: C/08/350993 / JE RK 26-1408

Datum uitspraak: 23 september 2026

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

hierna te noemen de raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. L.L. van Dijk,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2],

[minderjarige 1] en [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als informanten aan:

mevrouw [oma mz],

hierna te noemen oma moederszijde (mz),wonende in [woonplaats 3],

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Hengelo (O).

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 augustus 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

  • oma mz;

  • [naam 1] namens de raad;

  • [naam 2] namens de GI.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 1] verblijft bij oma mz.

2.3.

[minderjarige 2] verblijft op de JSG-LVB groep van Ambiq.

3 Het verzoek

3.1.

De raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] op het adres bij oma mz en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.

De raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Voor de onderbouwing van het verzoek wordt hier verwezen naar het verzoek en het raadsrapport. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad toegelicht dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. Beide jongens vertonen zelfbepalend en crimineel gedrag. In de thuissituatie hebben de kinderen onvoldoende begrenzing gekregen. [minderjarige 2] is geplaatst op de JSG-LVB groep van Ambiq en daar zal diagnostiek en behandeling plaatsvinden. Voor beide kinderen is het goed dat ze aan hun gedrag werken. In het vrijwillig kader is er veel geprobeerd om hulpverlening in te zetten maar dat heeft weinig effect gehad. Het zou goed zijn als een jeugdbeschermer kijkt wat voor hulp het meest passend zal zijn. Ook kan de jeugdbeschermer de ontwikkeling van de kinderen in de gaten houden. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht voor de duur van zes maanden. Binnen die termijn moet duidelijk worden waar het perspectief van de kinderen ligt en of een terugplaatsing mogelijk is en wat daarvoor nodig is. De raad begrijpt dat de moeder graag wil dat [minderjarige 1] bij haar komt wonen en [minderjarige 2] bij de vader, maar er is meer tijd nodig om aan een duurzame terugplaatsing te werken. De raad hoopt dat de jeugdbeschermer daar de komende zes maanden voldoende tijd voor heeft. De raad wil voorkomen dat [minderjarige 1] heen en weer zou moeten van oma mz naar moeder. De raad kan zich vinden in het (subsidiaire) verzoek van de moeder om het verzoek voor drie maanden toe te wijzen zodat er een toetsmoment kan zijn.

4 De standpunten

4.1.

[minderjarige 1] heeft de kinderrechter verteld dat hij niet goed weet wat hij van het verzoek vindt. [minderjarige 1] woont bij zijn oma, maar dat wil hij eigenlijk niet. [minderjarige 1] zou nog liever op een groep gaan wonen. De reclassering heeft bepaald dat [minderjarige 1] bij zijn oma moet wonen, maar [minderjarige 1] wil liever bij zijn vader of moeder wonen. Het liefste wil [minderjarige 1] weer bij zijn moeder wonen. [minderjarige 1] heeft een voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd gekregen. [minderjarige 1] had een vuurwapen en messen in bezit en deed dingen die niet mochten. Thuis bij zijn moeder ging het niet goed en [minderjarige 1] luisterde niet goed naar haar. [minderjarige 1] gaat één keer een weekend naar zijn moeder en het gaat nu beter thuis. [minderjarige 1] is dan nooit tegelijk met [minderjarige 2] thuis. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kunnen eigenlijk niet in één huis wonen. Op school gaat het goed. [minderjarige 1] gaat stage lopen bij zijn vader, die een bouwbedrijf heeft.

4.2.

[minderjarige 2] heeft de kinderrechter verteld dat hij graag weer bij zijn moeder of vader wil wonen. Het liefste wil [minderjarige 2] bij zijn moeder wonen. [minderjarige 2] gaat elke dag naar school en laat op school brutaal gedrag zien. [minderjarige 2] kan soms heel boos zijn en dan luistert hij niet en maakt hij dingen kapot. Dat doet hij op de groep niet meer. Het gaat goed als [minderjarige 2] bij zijn moeder is. Soms zijn er alleen wel discussies. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben geen ruzies meer zoals vroeger. Als [minderjarige 2] en [minderjarige 1] allebei bij moeder zouden wonen dan zal het nu wel beter gaan.

4.3.

Namens en door de moeder is gesteld zij zich kan vinden in het verzoek voor een ondertoezichtstelling. De moeder heeft altijd in het vrijwillig kader hulp gezocht als zij dacht dat het nodig was. Ze heeft veel wisselingen van hulpverleners gehad waardoor bepaalde hulpvragen niet zijn opgepakt. De moeder wil dan ook graag dat er een jeugdbeschermer komt die regie gaat voeren. Wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de moeder primair om het verzoek af te wijzen en subsidiair om het verzoek voor maximaal drie maanden toe te wijzen, waarbij er binnen drie maanden gewerkt wordt aan een thuisplaatsing. De moeder wil het liefste dat [minderjarige 1] weer bij haar komt wonen en dat [minderjarige 2] bij de vader gaat wonen. De wens van [minderjarige 1] om weer bij de moeder te willen wonen moet serieus genomen worden. [minderjarige 1] is vroeger weleens weggelopen en de moeder sluit niet uit dat [minderjarige 1] dat weer gaat doen. De moeder is er ook klaar voor om [minderjarige 1] weer bij haar thuis te laten wonen. De moeder heeft zelf hulp van Doppa-zorg en die therapie slaat goed aan. De moeder begrijpt dat zij moet leren begrenzen en zij heeft hier problemen mee als beide jongens bij haar zijn. De moeder ziet ook in dat als beide jongens bij haar zouden wonen dat het teveel wordt. Het grootste probleem was dat de moeder te lief was en de jongens maakten daar misbruik van. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven nu om het weekend afzonderlijk van elkaar bij de moeder en dat gaat goed. De jongens laten zich dan goed begrenzen. Een van de doelen van de raad is dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een positieve vrijetijdsbesteding moeten hebben. Dit gaat in het weekend nu ook goed. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaan allebei naar school en dat gaat ook goed. Accare is betrokken bij [minderjarige 1]. [minderjarige 1] laat nu weestand zien bij de behandeling omdat hij diep ongelukkig is. [minderjarige 1] vindt het moeilijk om iemand te vertrouwen en de moeder denkt dat het voor [minderjarige 1] zal werken als hij behandeling vanuit de thuissituatie zal krijgen. Hij zal zich dan meer open kunnen stellen. [minderjarige 1] verblijft al bijna een jaar bij oma mz en er is het afgelopen jaar niks gebeurd. Niemand kijkt naar hem om. De kinderen zijn ongelukkig op de plekken waar ze nu verblijven en voor de kinderen is de situatie traumatisch. Een van de doelen van de raad is dat de kinderen duidelijkheid krijgen over hun toekomstperspectief, maar de moeder vindt dat hier nu al duidelijkheid over moet zijn. De raad stelt dat een terugplaatsing eerst onderzocht moet worden, maar er weinig nog uit te zoeken. Een uithuisplaatsing is een uiterst middel en er zijn momenteel geen gronden meer voor.

4.4.

De vader is tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen en heeft zijn standpunt niet kenbaar gemaakt.

4.5.

De oma mz stelt dat [minderjarige 1] ongelukkig is bij haar. [minderjarige 1] zit alleen maar op zijn kamer en is down. Hij gaat netjes naar school, maar de oma mz merkt aan hem dat hij niet gelukkig is. [minderjarige 2] is een lieve jongen maar kan agressief worden. Voor [minderjarige 2] zou het goed zijn om een agressietraining te krijgen. De huidige situatie maakt de kinderen niet gelukkig. Het beste zou zijn als [minderjarige 1] weer bij de moeder gaat wonen, waarbij er begeleiding komt voor de moeder om op tijd te kunnen ingrijpen.

5 De beoordeling

De ondertoezichtstelling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De zorgen blijken uit het raadsrapport van 25 augustus 2026. Er zijn veel zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op verschillende leefgebieden. [minderjarige 1] is een vijftienjarige jongen die in mei 2026 is veroordeeld voor diefstal met geweld. Hij heeft een voorwaardelijke jeugddetentie met toezicht van jeugdreclassering opgelegd gekregen en heeft ook een tijd in een jeugdgevangenis gezeten. [minderjarige 1] is onderzocht door het NIFP, waaruit is gebleken dat er bij [minderjarige 1] sprake is van ADHD, een normoverschrijdende gedragsstoornis en systeemproblematiek. [minderjarige 1] is impulsief en beïnvloedbaar. [minderjarige 2] is een dertienjarige jongen en is net als [minderjarige 1] ook in aanraking gekomen met de politie. Er volgt nog een strafzitting vanwege vernieling. Er zijn zorgen over de agressieregulatie van [minderjarige 2]. In de thuissituatie hebben zich meerdere incidenten voorgedaan, waarbij [minderjarige 2] slaat en schopt richting de moeder, waardoor [minderjarige 2] uit huis is geplaatst. Op de groep van Ambiq wordt gezien dat [minderjarige 2] zich moeilijk laat aansturen en hij makkelijk meegaat in negatief gedrag van anderen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] waren thuis agressief naar elkaar. Momenteel acht de kinderrechter het dan ook niet mogelijk dat de kinderen allebei samen bij de moeder wonen. Het lukte de moeder onvoldoende om de kinderen te begrenzen. Moeder erkent dit ook. De kinderen vertonen zelfbepalend en onbeschoft gedrag en accepteerden het gezag van de moeder niet. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaan momenteel om het weekend naar de vader en naar de moeder. Als [minderjarige 2] bij de moeder is dan is [minderjarige 1] bij de vader en andersom. De moeder heeft toegelicht dat de weekendregeling goed gaat en dat de kinderen ook goed luisteren als de moeder alleen is met [minderjarige 2] of met [minderjarige 1]. De ouders hebben lange tijd geen contact met elkaar gehad, maar het is positief dat er recent weer communicatie is geweest over de kinderen.

5.3.

Om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen is het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijk. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De afgelopen jaren is er hulpverlening in het vrijwillig kader ingezet, maar dit heeft niet tot een verbetering van de opvoedsituatie geleid. De moeder wil zelf ook graag dat een jeugdbeschermer de regie neemt, omdat zij in het verleden veel wisselingen heeft gehad van hulpverleners waardoor haar hulpvragen niet goed werden opgepakt. De kinderrechter vindt het positief om te horen dat de moeder open staat voor iedere vorm van hulpverlening. De moeder ontvangt momenteel al hulp vanuit Doppa-zorg en de moeder is hier positief over.

5.4.

De ondertoezichtstelling is gelet op het bovenstaande nodig. De jeugdbeschermer zal de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] behartigen en daarbij kijken wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nodig hebben en welke hulpverlening ingezet dient te worden. Het komende jaar zal gewerkt moeten worden aan de doelen zoals omschreven in het rapport van de raad. De kinderrechter acht een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.

5.5.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.2[minderjarige 2] is op 16 juni 2026 op de crisisgroep van Ambiq geplaatst na de fysieke incidenten die plaatsvonden bij de moeder thuis. Op 27 augustus 2026 heeft [minderjarige 2] de overstap gemaakt naar de JSG-LVB groep van Ambiq en er wordt gekeken naar het starten van behandeling. De kinderrechter acht het voor nu van belang dat de woonplek van [minderjarige 2] bij Ambiq gewaarborgd blijft en dat hij de komende tijd nog in deze setting kan blijven wonen, zodat hij de structuur en voorspelbaarheid geboden krijgt die hij nodig heeft. Daarnaast kan daar passende hulpverlening worden ingezet voor de gedragsproblemen van [minderjarige 2]. De komende tijd zal er door de GI zorgvuldig onderzocht moeten worden of [minderjarige 2] bij de vader geplaatst kan worden. De vader is tijdens de zitting niet verschenen, maar uit het rapport van de raad blijkt dat de vader liever wil dat [minderjarige 2] bij hem komt wonen dan op de groep.

5.6.

De kinderrechter zal het verzoek van de raad met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] toewijzen voor de duur van drie maanden, zodat binnen drie maanden opnieuw kan worden beoordeeld hoe de situatie zich ontwikkelt en of het mogelijk zou zijn voor [minderjarige 2] om weer bij zijn vader te wonen. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van drie maanden en iedere verdere beslissing aanhouden. De kinderrechter wenst een vinger aan de pols te houden en na verloop van drie maanden te evalueren hoe het op dat moment gaat. De kinderrechter wenst uiterlijk een week voorafgaand aan de nieuwe zitting van de raad te horen wat de stand van zaken is.

5.7.

De kinderrechter zal het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] afwijzen. [minderjarige 1] verblijft inmiddels al een lange tijd bij oma mz en [minderjarige 1] ontwikkelt zich momenteel bij de oma mz niet goed. De kinderrechter acht het dan ook niet in [minderjarige 1] zijn belang om nog langer bij oma mz te blijven wonen. De oma mz heeft verteld dat [minderjarige 1] naar school gaat, maar dat hij verder veel op zijn kamer zit en heel ongelukkig is. Door de moeder wordt ook gezien dat [minderjarige 1] heel ongelukkig is. De kinderrechter is ook van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan waarom [minderjarige 1] niet weer bij de moeder kan gaan wonen, met inzet van (intensieve) hulpverlening. [minderjarige 1] verblijft momenteel al om het weekend bij de moeder en de moeder heeft onweersproken gesteld dat het ook goed gaat als [minderjarige 1] bij haar verblijft in het weekend. [minderjarige 1] heeft de kinderrechter zelf ook verteld dat het nu beter gaat als hij bij zijn moeder is. De moeder heeft erkend dat zij moeite heeft met het stellen van grenzen, maar dit was vooral het geval toen beide jongens samen bij de moeder woonden. De moeder staat open voor iedere vorm van hulpverlening. De moeder heeft in het verleden ook laten zien dat zij hulpverlening aangrijpt om de situatie te verbeteren. De kinderrechter gaat er vanuit dat de moeder ook nu alle hulpverlening zal aangrijpen om ervoor te kunnen zorgen dat [minderjarige 1] bij haar kan blijven wonen. Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] op het adres van de oma mz afwijzen. Dit betekent dat [minderjarige 1] weer bij zijn moeder kan wonen.

5.8.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.3

5.9.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.10.

Tegelijkertijd met de beschikking zal de kinderrechter aan [minderjarige 2] een brief sturen waarin de beslissing aan hem wordt uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:

Beste [minderjarige 2],

Op 17 september 2026 hebben wij met elkaar gesproken. Jij vertelde hoe het met jou ging en over hoe het op de groep gaat. Je zei dat je het liefste weer bij je moeder wilt wonen. Ook zou je liever bij je vader wonen dan op de groep. Je hebt toen laten weten dat je graag in een brief wil lezen wat ik heb besloten. Daarom schrijf ik deze brief, zodat jij weet wat ik over jou heb besloten en waarom.

Tijdens de zitting op 23 september 2026 heb ik gesproken met je moeder, haar advocaat, een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdbeschermer. Je vader is niet naar de zitting gekomen om met mij te spreken. We hebben toen besproken of er voor jou en voor [minderjarige 1] een jeugdbeschermer moet komen en of jij op de groep waar jij nu woont nog langer moet blijven.

Ik heb besloten dat er een jeugdbeschermer voor jou en voor [minderjarige 1] komt, omdat er veel zorgen zijn over jou en over [minderjarige 1]. Over dit onderwerp hebben we niet zo lang gesproken, omdat jouw moeder het ook een goed idee vindt dat er een jeugdbeschermer komt. De jeugdbeschermer blijft een jaar betrokken bij jullie, tot 23 september 2027. We hebben het er vooral over gehad of jij nog langer op de groep moet blijven. Ik heb besloten dat jij op dit moment nog niet terug kan naar jouw moeder of naar jouw vader, zoals jij graag zou willen.

Toen jij samen met [minderjarige 1] bij je moeder woonde, ging het niet altijd goed tussen jou en [minderjarige 1] en ook niet tussen jou en je moeder. Als je nu in het weekend bij je vader of je moeder bent, gaat het beter dan vroeger. Dat komt ook omdat je dan niet meer samen met [minderjarige 1] bent, want als jij en [minderjarige 1] samen zijn gaat het niet altijd goed. Op de groep gaat het ook nog niet altijd goed. Het lukt soms niet om je aan de regels te houden en je kan soms heel boos worden. Daar maakt ik me zorgen over. Daarom vind ik dat jij op dit moment nog langer op de groep moet blijven wonen. Ik heb de jeugdbeschermer gevraagd om uit te zoeken of het mogelijk zou zijn dat jij in de toekomst bij je vader kunt gaan wonen. Bij je moeder kan nu niet kan omdat [minderjarige 1] weer bij jouw moeder zal gaan wonen en het op dit moment nog moeilijk voor jullie is als [minderjarige 1] en jij onder 1 dak wonen. Op woensdag 16 december 2026 zal ik daar verder met jouw ouders, de jeugdbeschermer en de medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming over praten. Dan gaan we bespreken of jij nog langer op de groep moet blijven of dat je mogelijk weer bij je vader kunt wonen. Als jij wil, kan jij dan weer komen voor een gesprek met mij op 15 december 2026 om 14:00 uur.

Ik weet dat jij het graag anders had gewild, maar ik denk dat dit op dit moment het beste is voor jou.

Hartelijke groet,

De kinderrechter.

5.11.

Tegelijkertijd met de beschikking zal de kinderrechter aan [minderjarige 1] een brief sturen waarin de beslissing aan hem wordt uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:Beste [minderjarige 1],

Op 17 september 2026 hebben wij met elkaar gesproken. Jij vertelde hoe het met jou ging en over hoe het is om bij je oma te wonen. Je zei dat je het liefste weer bij je moeder wilt wonen en dat je niet bij je oma wilt wonen. Ook heb je toen laten weten dat je graag in een brief wil lezen wat ik heb besloten. Daarom schrijf ik deze brief, zodat jij weet wat ik over jou heb besloten en waarom.

Tijdens de zitting op 23 september 2026 heb ik gesproken met je moeder, haar advocaat, een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdbeschermer. Je vader is niet naar de zitting gekomen om met mij te spreken. We hebben toen besproken of er voor jou en voor [minderjarige 2] een jeugdbeschermer moet komen en of jij nog langer moet blijven wonen bij je oma.

Ik heb besloten dat er een jeugdbeschermer voor jou en voor [minderjarige 2] komt, omdat er veel zorgen zijn over jou en over [minderjarige 2]. Over dit onderwerp hebben we niet zo lang gesproken, omdat jouw moeder het ook een goed idee vindt dat er een jeugdbeschermer komt. De jeugdbeschermer blijft een jaar betrokken bij jullie, tot 23 september 2027. We hebben het er vooral over gehad of jij nog langer bij je oma moet blijven wonen. Ik heb besloten dat je niet langer bij je oma hoeft te wonen, maar dat je weer bij je moeder kunt gaan wonen. Ik heb van jou, van je moeder en ook van je oma begrepen dat je niet gelukkig bent bij je oma en dat het daar niet goed met jou gaat. Om het weekend verblijf je al bij je moeder en ik heb van jou en van je moeder gehoord dat het goed gaat als je in het weekend bij je moeder bent. Ik vind het belangrijk dat er een jeugdbeschermer betrokken is die kijkt wat jij en je moeder aan hulpverlening nodig hebben om ervoor te zorgen dat het doordeweeks ook goed blijft gaan thuis. Ik hoop dat de ondertoezichtstelling jou zal helpen.

Ik wens je heel veel succes met je stage en met alle andere dingen!

Hartelijke groet,

De kinderrechter.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel met ingang van 23 september 2026 tot 23 september 2027;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden met ingang van 23 september 2026 tot 23 december 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

houdt het verzoek met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voor het overige aan en roept de ouders, de raad en de GI op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, in het gerechtsgebouw aan de Egbert Gorterstraat 5 te Almelo op woensdag 16 december 2026 om 09:00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;

6.5.

nodigt [minderjarige 2] uit om met de kinderrechter in gesprek te gaan op dinsdag 15 december 2026 om 14:00 uur, waarbij aan hem wordt verzocht de kinderrechter tegen die tijd te informeren als hij niet op gesprek wil komen;

6.6.

stelt de raad in de gelegenheid om met een update zo mogelijk een week voor de mondelinge behandeling het verzoek met betrekking tot het nog resterende deel van het verzoek nader te onderbouwen;

6.7.

wijst het verzoek met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 door mr. A.B. de Wit, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E. Fleurke als griffier, en op schrift gesteld op 6 oktober 2026.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »