RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/349934 / JE RK 26-1211
Datum uitspraak: 24 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat: mr. K. Kok,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[oma mz] en [opa mz],
hierna te noemen: de oma en opa moederszijde (mz),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026;
-
de e-mail van de oma mz, ontvangen op 31 juli 2026;
-
de aanvullende stukken namens de GI, ontvangen op 4 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-
de vader;
- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.
De oma en opa mz zijn, met kennisgeving, niet verschenen.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft met haar moeder bij [locatie 1] in [plaats 1] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 september 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 september 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter zitting heeft de GI het verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing aangepast, in die zin dat de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verzoekt in de vorm van een weekendplaatsing van vrijdag tot en met zondag bij de oma en opa mz. De GI verzoekt deze machtiging in te laten gaan vanaf 25 september 2026.
Verder heeft de GI ter zitting verklaard dat zij er nu nog onvoldoende vertrouwen in heeft dat de ouders zonder gedwongen kader meewerken aan de nodige hulpverlening. De zorgen zijn nog onvoldoende weggenomen. De GI wil op advies van [locatie 1] systeemtherapie inzetten, vanwege de verstoorde verhouding tussen de vader en de oma en opa mz. De GI ziet dat de moeder last heeft van deze verstoorde verhouding en is bang dat ook [minderjarige] er last van gaat krijgen. De deeltijduithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma en opa mz is noodzakelijk, omdat het de moeder ontlast en het een fijne plek voor [minderjarige] is. De GI wil deze deeltijdplaatsing vastleggen, omdat de vader heeft aangegeven dat hij niet achter deze plaatsing staat.
4 De standpunten
De moeder is het niet eens met de verzoeken. De moeder wil geen bemoeienis meer van de GI. Zij vindt dat zij samen met de vader en haar familie kan bepalen wat goed is voor [minderjarige] . Ook vindt de moeder dat de GI niet goed heeft uitgelegd waarom de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] kan op vrijwillige basis logeren bij de oma en opa mz en dat is de afgelopen periode ook goed gegaan. Dat kan de moeder zelf regelen met de oma en opa mz. De moeder vindt het ook niet nodig dat [minderjarige] ieder weekend naar opa en oma mz gaat. Als de machtiging toch wordt verleend, vindt de moeder dat die niet langer moet gelden dan voor de duur dat zij in [locatie 1] verblijft. Daarna wil zij zelf bepalen waar [minderjarige] in de weekenden verblijft. De moeder vindt het niet eerlijk dat zij niet zomaar met [minderjarige] ergens naartoe kan gaan zoals evenementen, maar dat de oma en opa mz dat wel mogen. De moeder wil toewerken naar het vormen van een gezin. De vader zal niet bij haar wonen, maar kan wel op bezoek komen. De moeder heeft twijfels of systeemtherapie iets gaat opleveren, maar ze vindt het goed als iedereen ermee instemt.
De vader vindt alle verplichtingen chaotisch. Volgens de vader is er geen dik probleem met de oma en opa mz. Als de oma en opa mz normaal doen is het bij hen voor [minderjarige] wel een goede plek om te zijn. De systeemtherapie vindt de vader niet nodig en tijdverspilling, maar als het voor [minderjarige] moet staat hij ervoor open.
5 De beoordeling
De verlenging van de ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Sinds begin april 2026 verblijft [minderjarige] met de moeder in [locatie 1] in [plaats 1] . De moeder kan tot april 2027 in [locatie 1] blijven. Het gaat met [minderjarige] en de moeder goed in [locatie 1] . De moeder is betrokken, liefdevol en zorgzaam voor [minderjarige] . Er is een zichtbare, warme en veilige band tussen [minderjarige] en de moeder, wat een positieve basis vormt voor de hechting. De begeleiding ziet dat de moeder gebaat is bij duidelijkheid, voorspelbaarheid en structuur in de verzorging van [minderjarige] . Om de moeder hierin te ondersteunen is er een dagstructuur gemaakt die gericht is op de eet- en slaapmomenten van [minderjarige] . De begeleiding ziet dat de moeder moeite heeft met de situatie als [minderjarige] iets anders nodig heeft dan volgens de planning is voorzien. Ook lukt het de moeder niet altijd om zich te houden aan de afgesproken planning en afspraken. De moeder wil dan bijvoorbeeld met [minderjarige] de deur uit, terwijl het dan eigenlijk een slaapmoment van [minderjarige] is. Op zulke momenten is de moeder gebaat bij ondersteuning van de begeleiding in het maken van passende keuzes. Zonder deze ondersteuning lukt het de moeder nog onvoldoende om het belang van [minderjarige] voorop te stellen. De moeder werkt goed samen met de begeleiding en accepteert de ondersteuning. De begeleiding ziet dat de moeder minder gespannen raakt dan voorheen het geval was, omdat zij zelf ondersteuning durft te vragen wanneer zij dat nodig vindt. Hierdoor is de moeder meer beschikbaar voor [minderjarige] en kan [minderjarige] opgevoed worden in een veilige en stabiele omgeving. Per 20 augustus 2026 is de moeder binnen [locatie 1] doorgestroomd naar fase 2. Het is goed dat de moeder de ondersteuning accepteert om voor [minderjarige] een goede opvoedomgeving te creëren. Hiermee handelt zij in het belang van [minderjarige] .
De moeder vindt de aanwezigheid van een jeugdbeschermer niet nodig en wil geen bemoeienissen van buitenaf. De kinderrechter is echter wel van oordeel dat het voor zowel [minderjarige] als voor de moeder belangrijk is dat de ondertoezichtstelling nog doorloopt. Binnen de ondertoezichtstelling laten zowel [minderjarige] als de moeder goede ontwikkelingen zien en de kinderrechter vindt dat dit te danken is aan de hulp en begeleiding van de jeugdbeschermer en [locatie 1] , die door de jeugdbeschermer is ingezet. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] zich ook verder kan ontwikkelen in een veilige stabiele omgeving. En de kinderrechter is van oordeel dat de moeder ondersteuning en begeleiding nodig heeft om er voor te zorgen dat het goed blijft gaan met de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder kan nog niet genoeg zelf de dagstructuur aanhouden die zo belangrijk is voor [minderjarige] . Met de ondersteuning en begeleiding heeft de moeder bovendien minder spanning en stress. De kinderrechter vindt het voor [minderjarige] noodzakelijk dat de jeugdbeschermer de mooie ontwikkelingen die [minderjarige] en de moeder laten zien blijft monitoren.
Ook op het gebied van het contact tussen [minderjarige] en de vader is monitoring van de GI nog nodig. De omgang wordt anders geregeld, omdat de vader de omgang bij [locatie 1] niet prettig vond. In het vervolg zal de omgang plaatsvinden bij [locatie 2] op hun locatie in [plaats 2] . Verder wil de GI in het belang van [minderjarige] systeemtherapie inzetten, omdat de moeder last ondervindt van de spanningen en conflicten tussen de vader en de oma en opa mz. De GI maakt zich zorgen dat [minderjarige] hier ook last van krijgt. Het lijkt de kinderrechter een goed idee dat de GI hier verder onderzoek naar doet, om ervoor te zorgen dat [minderjarige] onbelast kan genieten van het contact tussen haar en de vader en haar en de oma en opa mz.
De machtiging tot deeltijduithuisplaatsing
[minderjarige] gaat al meerdere maanden ieder weekend naar de oma en opa mz. [minderjarige] gaat naar de oma en opa mz om de moeder te ontlasten. Er wordt een goede band geconstateerd tussen [minderjarige] en de oma en opa mz. Ook is dit structurele contact goed voor de hechting tussen [minderjarige] en de oma en opa mz. Het geeft [minderjarige] stabiliteit en veiligheid, dat ze erop kan rekenen dat ze opa en oma mz regelmatig ziet, omdat dit belangrijke mensen voor haar zijn. Door Trias is een netwerkonderzoek uitgevoerd. Trias heeft de oma en opa mz als pleeggezin geaccepteerd. Voor [minderjarige] is deze plaatsing fijn en voor de moeder is deze plaatsing belangrijk, omdat zij wordt ontlast en tijd voor zichzelf heeft. De ouders staan niet volledig achter dit verzoek, omdat zij zelf meer vrijheid willen om ook in de weekenden activiteiten met [minderjarige] te ondernemen. De moeder kan zich wel voorstellen dat de machtiging wordt verleend voor de duur dat zij met [minderjarige] in [locatie 1] verblijft, maar voor de periode daarna is het wat de moeder betreft niet meer noodzakelijk. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang vande verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat [minderjarige] ieder weekend naar de oma en opa mz blijft gaan, zo lang de moeder in [locatie 1] verblijft.2 De kinderrechter zal daarom een machtiging tot deeltijduithuisplaatsing van [minderjarige] verlenen tot 1 april 2027. De kinderrechter vindt het voor de structuur en duidelijkheid voor [minderjarige] belangrijk dat dit zo doorgaat. Omdat het structureel is dat [minderjarige] bij de opa en oma mz verblijft en opa en oma mz zo ook een opvoedrol hebben voor [minderjarige] , is hiervoor binnen de ondertoezichtstelling een machtiging tot deeltijduithuisplaatsing nodig. Dit staat zo in de wet.. De moeder kan uiterlijk tot april 2027 in [locatie 1] verblijven en zal daarna met [minderjarige] ergens anders gaan wonen. Er is nu nog veel onduidelijkheid over waar de moeder zal gaan wonen wanneer het verblijf bij [locatie 1] stopt. De kinderrechter is van oordeel dat wanneer de moeder met [minderjarige] naar een vervolgplek gaat, zoals bijvoorbeeld een moeder-kindhuis of een ander soort verblijf, de situatie opnieuw beoordeeld moet worden. De kinderrechter begrijpt de wens van de moeder om tegen die tijd in de weekenden voor [minderjarige] te zorgen. Te zijner tijd kan dan beoordeeld worden of dit ook verantwoord en in het belang van [minderjarige] is of dat het nodig is dat [minderjarige] structureel voor een deel bij de opa en oma mz verblijft. De kinderrechter houdt de beslissing voor het overig verzochte gedeelte van de machtiging tot deeltijduithuisplaatsing van [minderjarige] aan.
De kinderrechter zal een nieuwe mondelinge behandeling bepalen. De GI zal uiterlijk twee weken voorafgaand aan die mondelinge behandeling een briefrapport met de actuele stand van zaken aan de kinderrechter over moeten leggen. Tevens zal de GI de kinderrechter moeten berichten of de GI het verzoek voor de resterend verzochte duur van de machtiging tot deeltijduithuisplaatsing van [minderjarige] handhaaft of intrekt.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De kinderrechter merkt nog het volgende op. Tijdens de zitting heeft de GI benoemd dat zij met de ouders gaat kijken naar een wenselijke oplossing als bijvoorbeeld een verjaardag of feestdag in het weekend valt. De kinderrechter begrijpt dat de moeder wil dat er dan iets anders wordt geregeld gaat ervan uit dat de GI met de ouders passende afspraken maakt omtrent dergelijke bijzondere dagen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, te weten tot 25 september 2027;
verleent een machtiging tot deeltijduithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende ieder weekend van vrijdag tot en met zondag in een netwerkpleeggezin met ingang van 25 september 2026 tot 1 april 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over de resterend verzochte duur van de machtiging tot deeltijduithuisplaatsing van [minderjarige] aan;
stelt de GI en de advocaat van de moeder in de gelegenheid om uiterlijk 16 december 2026 verhinderdata over te leggen, waarna er een nieuwe mondelinge behandeling wordt bepaald;
bepaalt dat het aangehouden gedeelte van het verzoek tot machtiging tot deeltijduithuisplaatsing van [minderjarige] vóór 1 april 2027 zal worden behandeld op een nader te bepalen datum en tijdstip, waarvoor de GI en de belanghebbenden nog een oproep zullen ontvangen;
bepaalt dat de GI uiterlijk twee weken voorafgaand aan de mondelinge behandeling een briefrapport met de actuele stand van zaken toezendt aan de kinderrechter, alsmede te berichten of de GI het verzoek voor het overige verzochte handhaaft of intrekt.
|
Deze beslissing is gegeven door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026 in tegenwoordigheid van J.G.J. Remeijsen, griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.