ECLI:NL:RBZWB:2026:6634

Datum uitspraak
19-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/445808 / FA RK 26-1216
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging zorgregeling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/445808 / FA RK 26-1216

datum uitspraak: 19 juni 2026

beschikking betreffende wijziging zorgregeling

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M.C. Buntsma te Middelburg.

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 16 februari 2026 ontvangen verzoek tot het wijzigen van de zorgregeling met bijlagen;

- het op 21 mei 2026 ontvangen verweerschrift;

- het op 27 mei 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Kalle.

1.2

Het verzoek is mondeling behandeld op 1 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordiger van de GI.

1.3

Gelet op de nauwe samenhang tussen dit verzoek en het door de man ingediende verzoek in de zaak met kenmerk C/02/446316 / JE RK 26-493, zijn de zaken tijdens de zitting gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij separate beschikking beslist.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.

2.2

De man heeft de minderjarige erkend.

2.3

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2.4

Bij beschikking van 28 februari 2023 is - onder meer en voor zover hier van belang - bepaald dat de man en de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar (met een voorafgaande opbouw) iedere dinsdag van 16.30 uur tot 18.30 uur en ieder weekend van zaterdag 09.00 uur tot zondag 10.00 uur.

2.5.

Bij beschikking van 30 oktober 2024 heeft de rechtbank de beschikking van 28 februari 2023 voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgreling gewijzigd en bepaald dat de man en de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar éénmaal per veertien dagen (in de oneven weken) van vrijdag tussen 18.30/19.00 uur tot zondag 18.30 uur en iedere dinsdag van 17.00 tot 18.30 uur en daarnaast gedurende een deel van de vakanties, te weten:

  • zolang [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, hebben ouders ieder de mogelijkheid om vier keer per jaar een week met [minderjarige] op vakantie te gaan. De reguliere contactmomenten tussen de man en [minderjarige] zullen in die weken geen doorgang vinden en ook niet worden ingehaald. Beide partijen dienen de vakantieweek minimaal een maand voorafgaand aan die week te melden aan de andere ouder;

  • wanneer [minderjarige] naar de basisschool gaat:

o in de herfstvakantie en voorjaarsvakantie: aansluitend of voorafgaand aan het omgangsweekend van de man verblijft [minderjarige] 2 dagen extra bij de man;

o in de meivakantie en de kerstvakantie: [minderjarige] verblijft afwisselend een week bij de man en een week bij de vrouw, waarbij [minderjarige] in de week aansluitend op het weekend van de man bij hem blijft. Het wisselmoment is dan vrijdagavond om 18.30/19.00 uur;

o in de zomervakantie: [minderjarige] verblijft afwisselend een week bij de man en de vrouw waarbij [minderjarige] aansluitend op het weekend van de man bij hem blijft. Het wisselmoment is dan vrijdagavond 18.30/19.00 uur;

waarbij in alle gevallen geldt dat de man [minderjarige] haalt en brengt.

3 Het verzoek

3.1

De man verzoekt, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring:

- de beschikking van 30 oktober 2024 met kenmerk C/02/240557 FA RK 24-1423 te wijzigen en voor de vakanties de zorgregeling vast te stellen conform onderstaande;

Voorjaarsvakantie en herfstvakantie

Optie 1: de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie verdelen. Dit betekent dat de ene ouder de voorjaarvakantie heeft en de andere de herfstvakantie. Wordt er voor deze optie gekozen dat heeft moeder in 2026 de gehele voorjaarsvakantie en vader de herfstvakantie. Daarna wisselt het jaarlijks.

Optie 2: de zorg tijdens de vakantie is aangesloten aan het weekend van de ouder conform het gewone schema tot en met woensdag 13:00. Vanaf 13:00 uur tot en met zondag bij de

andere ouder.

Meivakantie

Aangesloten aan het weekend van de ouder en dan een week tot en met vrijdag en dan een week bij de andere ouder.

Zomervakantie

In 2026 heeft vader de eerste drie weken de zorg en moeder daarna. Dat wisselt vervolgens per jaar.

Kerstvakantie

Vader heeft in 2026 de eerste week de zorg tijdens de kerstvakantie en moeder de tweede

week en dat wisselt jaarlijks. Er geldt dan geen aparte regeling voor de kerstdagen

teneinde het aantal wisselmomenten te beperken.

- dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in deze juist acht.

3.2

De vrouw verzoekt, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring:

- het verzoek tot wijziging zorgregeling voor de kerstvakantie toe te wijzen en voor de overige schoolvakanties af te wijzen;

- voor de zomervakantie te bepalen dat in de laatste week van de zomervakantie [minderjarige] bij de vrouw zal verblijven en dat voor de overige weken geldt dat in het even jaar de vrouw bepaalt hoe die weken verdeeld worden en in het oneven jaar de man waarbij partijen kunnen kiezen uit de volgende schema’s, waarbij dus opgemerkt dat [minderjarige] steeds de laatste week bij de vrouw zal zijn;

2211,

2121

1212

1122

1221

2112

3.3

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Het juridisch kader

4.1

Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a, vijfde lid, BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.

Ontvankelijkheid

4.2

Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, neemt de rechtbank als onweersproken aan dat de zorgregeling zoals die is vastgesteld bij beschikking van 30 oktober 2024 niet altijd door partijen wordt nageleefd omdat deze niet langer passend wordt gevonden. Er is in die zin sprake van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.

Standpunt van partijen

4.3

De man verzoekt om de beschikking van 30 oktober 2024 voor wat betreft de daarbij vastgestelde verdeling van de vakanties te wijzigen. Daartoe heeft de man aangevoerd dat het partijen niet lukt om hier samen afspraken over te maken. Ten aanzien van de herfst- en voorjaarsvakantie heeft de man twee opties gegeven. Ter zitting heeft hij duidelijk gemaakt dat hij geen voorkeur heeft voor één van de twee opties en dat hij een overdrachtsmoment op dinsdagavond in plaats van op woensdag om 12:00 uur ook prima vindt. Ten aanzien van de zomervakantie verzoekt de man om een zodanige regeling vast te stellen dat [minderjarige] drie weken bij de man en drie weken bij de vrouw verblijft. De man begrijpt dat de vrouw graag ziet dat [minderjarige] in de laatste week bij haar is, maar geeft aan dat dit niet altijd realistisch en haalbaar is. De man heeft nog een andere zoon waar hij rekening mee moet houden en een baan waarbij hij veel onderweg is.

4.4

De vrouw kan instemmen met het verzoek van de man voor wat betreft de kerstvakantie. De vrouw kan ook instemmen met het verzoek van de man ten aanzien van de meivakantie, nu dit geen verandering met zich meebrengt ten aanzien van de thans geldende zorgregeling. De vrouw kan zich niet vinden in het voorstel van de man ten aanzien van de herfst- en voorjaarsvakantie. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] zowel in de herfst-, als in de voorjaarsvakantie kan deelnemen aan de activiteiten die in zijn woonplaats worden georganiseerd. Dit is niet mogelijk als optie één wordt gevolgd. Ook optie twee vindt de vrouw niet passend. Zij geeft de voorkeur aan de thans geldende zorgregeling, waarbij het overdrachtsmoment plaatsvindt op dinsdagavond, in plaats van op de woensdagmiddag zoals is voorgesteld door de man. Ten aanzien van de zomervakantie vindt de vrouw [minderjarige] nog te jong om een regeling vast te leggen waarbij hij de ene ouder drie aaneengesloten weken niet ziet. Zij kan hier wel mee instemmen wanneer [minderjarige] de leeftijd van acht jaar heeft bereikt. De vrouw heeft de voorkeur om de drie weken die [minderjarige] in totaal bij iedere ouder zal doorbrengen, op te splitsen in twee en één week. De vrouw vindt het hierbij vooral van belang dat [minderjarige] in de laatste week van de zomervakantie bij haar is, zodat [minderjarige] weer in het ritme kan komen en mee kan doen aan de sociale activiteiten in zijn woonplaats.

4.5

Namens de Raad is naar voren gebracht dat de ouders overeenstemming lijken te hebben bereikt ten aanzien van de verdeling van de herfst- en voorjaarsvakantie, de meivakantie en de kerstvakantie. Ten aanzien van de zomervakantie merkt de Raad op dat een aaneengesloten periode van drie weken een lange periode is voor een minderjarige om zijn andere ouder te moeten missen. De Raad kan zich vinden in het standpunt van de vrouw, dat deze regeling kan gelden wanneer [minderjarige] de leeftijd van acht jaar heeft bereikt. Het opdelen van de zomervakantie, waarbij [minderjarige] maximaal twee weken bij de andere ouder is, wordt in het belang van [minderjarige] geacht. Hoe dit verder concreet moet worden verdeeld, laat de Raad aan partijen over. Het gaat er vooral om dat partijen het eens kunnen worden over de verdeling. De stelling van de vrouw dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] in de laatste week van de zomervakantie bij haar is zodat hij kan deelnemen aan sociale activiteiten in de stad, vindt de Raad geen doorslaggevend argument.

Inhoudelijke beoordeling rechtbank

4.6

Het geschil tussen partijen met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, meer specifiek de verdeling van de vakanties tussen hen, is ter zitting uitvoering besproken. De rechtbank stelt vast dat partijen grotendeels overeenstemming hebben bereikt.

Ten aanzien van de kerstvakantie kan de vrouw instemmen met het verzoek van de man.

Ook ten aanzien van de meivakantie zijn partijen het er over eens dat wat de man verzoekt, hetzelfde is als de situatie zoals die is in de thans geldende zorgregeling, zodat de thans geldende regeling op dat punt geen wijziging behoeft.

Verder is er tussen partijen overeenstemming bereikt over de herfst- en voorjaarsvakantie. De man heeft ter zitting geen duidelijke voorkeur uitgesproken voor optie één of twee. De vrouw kan instemmen met optie twee, indien het overdrachtsmoment plaatsvindt op dinsdagavond. De man heeft aangegeven dit prima te vinden. Dat betekent dat [minderjarige] in die vakanties tot dinsdagavond tussen 18:30 uur en 19:00 uur zal blijven bij de ouder waar hij conform het gewone schema het weekend voorafgaand aan die maandag en dinsdag verblijft.

Tot slot hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de zomervakantie in het jaar 2026. De man heeft zijn vakantie al moeten opnemen en is vrij in week twee, drie en zes en de vrouw heeft vrij in week twee, drie en vier maar geeft hierbij aan enigszins flexibel te kunnen zijn. De vrouw is bereid een compromis te sluiten over de laatste week van de zomervakantie en [minderjarige] dan bij de man te laten verblijven, mits [minderjarige] het laatste weekend bij de vrouw verblijft. Tussen partijen onderling is afgesproken dat [minderjarige] in week één, vier en vijf van de zomervakantie bij de vrouw verblijft en in week twee, drie en zes bij de man, waarbij de man [minderjarige] op de laatste vrijdagavond van de zomervakantie ussen 18:30/19:00 uur terugbrengt naar de vrouw. Op die manier kan [minderjarige] weer in het ritme komen alvorens hij moet starten met school. Wanneer [minderjarige] de leeftijd van acht jaar heeft bereikt, kunnen partijen instemmen met een regeling waarbij [minderjarige] drie weken bij de man en drie weken bij de vrouw verblijft.

4.7

Partijen kunnen het niet eens worden over de verdeling van de zomervakantie totdat [minderjarige] de leeftijd van acht jaar heeft bereikt. Dit betekent dat de rechtbank een regeling zal vastleggen over de verdeling van de zomervakantie in het jaar 2027, 2028 en 2029. [minderjarige] heeft in die jaren als kind in de basisschool leeftijd zes weken zomervakantie. De rechtbank acht het net als de Raad niet in het belang van [minderjarige] om, zolang hij de leeftijd van 8 jaar nog niet heeft bereikt, een regeling vast te stellen waarbij een minderjarige drie aaneengsloten weken een van zijn ouders niet ziet. De rechbank zal dan ook bepalen dat [minderjarige] maximaal twee aaneengesloten weken bij één van de ouder is. De rechtbank begrijpt het standpunt van de vrouw dat zij graag zou zien dat [minderjarige] in ieder zomervakantie de laatste week bij haar is, zodat [minderjarige] in het ritme kan komen en jaarlijks mee kan doen aan de sociale activiteiten in de stad. Deelnemen aan die activiteiten waar veel van zijn leeftijdsgenoten aan zullen deelnemen is natuurlijk leuk voor hem en het moet hem gegund worden dat hij daar eenmaal per twee zomervakanties aan kan deelnemen. Om die reden beslist de rechtbank voor wat betreft de laatste week van de zomervakantie dat [minderjarige] die week eenmaal per twee jaar bij de vrouw verblijft. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat wanneer [minderjarige] in de laatste week van de zomervakantie bij de man is, hij [minderjarige] op vrijdagavond terug zal brengen naar de vrouw. Om de verdeling per ouder wat overzichtelijker te maken in genoemde zomervakanties, zal de rechtbank deze hieronder in een tabel uiteenzetten. De rechtbank komt tot de navolgende verdeling:

Zomervakantie

Man

Vrouw

2026 (overeenstemming)

Week 2, 3 en 6, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagavond in week 6 tussen 18:30/19:00 uur terugbrengt naar de vrouw

Week 1, 4 en 5

2027

Week 1, 4 en 5

Week 2, 3 en 6

2028

Week 2, 3 en 6, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagavond in week 6 tussen 18:30/19:00 uur terugbrengt naar de vrouw.

Week 1, 4 en 5

2029

Week 1, 4 en 5

Week 2, 3 en 6

4.8

De rechtbank wil tot slot nog opmerken dat zij begrijpt dat partijen ermee geholpen zijn dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken duidelijk op papier staat, maar dat [minderjarige] ook steeds ouder wordt en de situatie steeds weer kan veranderen. Van belang is hierbij vooral dat partijen hun oudercommunicatie gaan verbeteren, zodat ze hierover samen én tijdig in overleg kunnen treden, en waardoor ze in staat zijn om op dat moment tot constructieve beslissingen te komen die zoveel mogelijk rekening houden met ieders belang van dat moment en de omstandigheden van dat moment. Uitgangspunt dient daarbij wel steeds het belang van [minderjarige] te zijn.

4.9

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 30 oktober 2024 voor zover deze ziet op de vastgestelde verdeling van de vakanties en bepaalt dat de volgende regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt:

  • in de herfst- en voorjaarsvakantie: [minderjarige] verblijft tot dinsdagavond 18:30/ 19:00 uur in die vakantieweek bij de ouder waar hij conform het gewone schema het weekend voorafgaand aan die maandag en dinsdag verblijft;

  • in de kerstvakantie: de man heeft in 2026 de eerste week de zorg voor [minderjarige] en de vrouw de tweede week en dat wisselt jaarlijks. Er geldt hierbij geen aparte regeling voor de kerstdagen teneinde het aantal wisselmomenten te beperken;

  • in de meivakantie: [minderjarige] verblijft afwisselend een week bij de man en een week bij de vrouw, waarbij [minderjarige] in de week aansluitend op het weekend van de man bij hem blijft. Het wisselmoment is dan vrijdagavond om 18.30/19.00 uur;

  • in de zomervakantie:

 voor de zomervakanties in de jaren 2026, 2027, 2028 en 2029, verwijst de rechtbank naar de regeling zoals die staat uiteengezet in de tabel onder r.o. 4.7.

 Voor de zomervakanties met ingang van het jaar 2030 geldt de regeling waarbij [minderjarige] aaneengesloten drie weken bij de man en drie weken bij de vrouw verblijft, het ene jaar de eerste drie weken bij de man en de laatste drie bij de vrouw en het volgende jaar de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man.

Waarbij in alle gevallen geldt dat de man [minderjarige] haalt en brengt;

5.2

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »