ECLI:NL:RBZWB:2026:6564

Datum uitspraak
17-06-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/446099 / FA RK 26-1362
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging regeling betreffende verdeling zorg- en opvoedingstaken

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/446099 / FA RK 26-1362

datum uitspraak: 30 juni 2026

beschikking betreffende wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. C.J.M. Veth te Rijen,

tegen

[de man] ,

hierna: de man,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M.M.M. Heesmans te Roosendaal,

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018, hierna: [minderjarige 1] ,

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020, hierna: [minderjarige 2] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het procesverloop

1.1

In het dossier bevinden zich de volgende stukken:

- het op 16 maart 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het F9-formulier van mr. Veth van 17 maart 2026 met bijlage;

- het op 21 mei 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.

1.2

Het verzoek is mondeling behandeld op 28 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, ieder bijgestaan door hun advocaat. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.

1.3

De rechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd, maar zij heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om haar standpunt over het verzoek kenbaar te maken.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

2.2

De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.3

Ingevolge het tussen partijen op 11 januari 2022 gesloten ouderschapsplan hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw. Met betrekking tot de zorg- en contactregeling zijn partijen overeengekomen dat de kinderen in de oneven weken van donderdagavond tot zondagavond en in de even weken van woensdagmiddag tot donderdagochtend bij de man verblijven. De vakanties, feestdagen en bijzondere dagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld. De ouders zullen hier in onderling overleg één keer per jaar een schema voor opstellen.

3 Het verzoek

3.1

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

1. de tussen partijen geldende zorg- en contactregeling zoals overeengekomen in artikel 3.1 van het ouderschapsplan wordt gewijzigd in die zin dat voortaan een regeling zal gelden waarbij in een cyclus van veertien dagen de zorg voor de kinderen van partijen als volgt wordt verdeeld:

- In de even weken verblijven de kinderen van woensdag 08.30 uur tot vrijdag 08.30 uur bij de man en aansluitend van vrijdag 08.30 uur tot donderdag 08.30 uur bij de vrouw, waarbij

• de vrouw zorgt dat [minderjarige 2] woensdag bij haar wordt opgehaald door de taxi en zij [minderjarige 1] om 08.30 uur naar school brengt;

• de man de kinderen op vrijdag naar school en naar de opvang brengt of laat brengen;

• de man de kinderen op woensdag doucht.

- In de oneven weken verblijven de kinderen van donderdag 08.30 uur tot maandag 08.30 uur bij de man en van maandag 08.30 uur tot woensdag 08.30 uur bij de vrouw, waarbij

• de vrouw zorgt dat [minderjarige 2] op donderdag bij haar wordt opgehaald door de taxi en zij [minderjarige 1] om 08.30 uur naar school brengt;

• de man de kinderen op maandag naar school en naar de opvang brengt of laat brengen;

• de man de kinderen op vrijdag of zaterdag doucht.

Tijdens de vakanties zal de zorg in onderling overleg tussen partijen bij helfte worden verdeeld.

2. dat partijen voor de dagen dat de kinderen bij hen verblijven zoveel mogelijk zelf regelen, waaronder

• het bestellen van sondevoeding en toebehoren voor [minderjarige 2] ;

• de aanschaf voor eigen rekening van cadeautjes voor kinderfeestjes en dergelijke, een cadeautje of bedankje voor de juffrouw op school, knutselwerkjes die ingeleverd moeten worden en dergelijke.

3.2

De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zoals over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd.

4.2

Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a BW juncto 1:377e BW van toepassing.

4.3

Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen, indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

4.4

De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.

Ontvankelijkheid

4.5

Naar de mening van de vrouw is sprake van gewijzigde omstandigheden.

De vrouw stelt hiertoe het volgende. [minderjarige 2] heeft een extreem zeldzame gen-afwijking, die leidt tot een algehele ontwikkelingsachterstand en hij is daarnaast ernstig verstandelijk beperkt. [minderjarige 2] heeft daardoor 24 uur per dag zorg en toezicht nodig. [minderjarige 1] heeft, onder andere door de bijzondere problemen van [minderjarige 2] , een trauma opgelopen. Toen partijen uit elkaar gingen, was volgens de vrouw nog onduidelijk hoe de zorgvraag voor de kinderen zich zou gaan ontwikkelen. De verdeling van de zorg zoals tussen partijen afgesproken was toen voor partijen praktisch nog uitvoerbaar. Thans is dat niet meer het geval. Met name bij [minderjarige 2] is sprake van een beduidend zwaardere vraag naar zorg. Zo is [minderjarige 2] intussen lichamelijk zwaarder en sterker geworden en heeft hij leren lopen. Daarbij is het maandelijkse bezoek van [minderjarige 2] in het weekend aan een logeeradres door personeelstekort weggevallen.

Vanwege de toenemende zorg voor de kinderen en de huidige wijze van verdeling van de zorg tussen partijen is de vrouw structureel overbelast geraakt en is zij bang dat zij om zal vallen. Zij acht een wijziging van de zorgregeling daarom in het belang van de minderjarigen noodzakelijk.

4.6

In de visie van de man is van een wijziging van omstandigheden geen sprake.

De woonsituatie en de arbeidssituatie van partijen is hetzelfde als ten tijde van het uiteengaan en het maken van de afspraken. Dit geldt ook voor de medische toestand van [minderjarige 2] . Bovendien was toen ook bekend hoe deze zich zou ontwikkelen. De man ontkent dat [minderjarige 1] een trauma zou hebben (opgelopen). Naar de mening van de man ervaart [minderjarige 1] wel problemen rondom de beslissingen die partijen in het kader van hun uiteengaan hebben genomen. Het feit dat de vrouw stelt de zorg niet langer in de huidige vorm te kunnen dragen, acht de man geen wijziging van omstandigheid in de zin van de wet, en subsidiair stelt hij dat voor zover die problemen er wel zijn, deze voortkomen uit de destijds dwingende wens van de vrouw om na hun uiteengaan terug te verhuizen naar [woonplaats 1] , hetgeen heeft geleid tot de huidige (beperkte) zorgregeling tussen hem en de kinderen. Naar de mening van de man mogen de gevolgen daarvan niet bij hem worden neergelegd.

4.7

De rechtbank overweegt dat de verslechterde gezondheidssituatie van de vrouw voldoende aannemelijk is geworden. Zij heeft daarvan ook onderbouwende stukken in het geding gebracht. Hetzelfde geldt voor de verzwaarde zorgvraag van [minderjarige 2] . Gebleken is dat hij inmiddels zorgindicatie VG7 heeft, waar dat eerder VG5 was. De rechtbank is van oordeel dat aldus sprake is van gewijzigde omstandigheden die beoordeling van het verzoek tot wijziging van de zorgregeling rechtvaardigen. De vrouw zal daarom worden ontvangen in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

4.8

De vrouw wijst er op dat zij de enige is die thuis doelmatige en verantwoorde zorg kan bieden. Als zij uitvalt, hetgeen dreigt te gebeuren, ontstaat een kwetsbare situatie, omdat geen vervangende zorgverlener beschikbaar is. De kinderen hebben belang bij continuïteit en stabiliteit van hun verzorging. Bovendien dreigt de hulp te kort te schieten. Nieuwe opvangplekken voor [minderjarige 2] zijn moeilijk te vinden. Op dit moment ligt de doordeweekse, meest belastende zorg (school, opvang, medische zorg) vrijwel volledig bij de vrouw. De weekenden zijn volgens de vrouw iets minder belastend, maar zijn wel gelijk verdeeld. De vrouw wenst tot een gelijkwaardige(re) verdeling van de zorg voor de kinderen te komen. Stabiliteit van haar acht de vrouw voor de kinderen ook om financiële redenen essentieel, omdat zij zelfstandig ondernemer is zonder een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De vrouw wijst er voorts op dat waar zij ondersteuning heeft gezocht om zoveel mogelijk hulp te verkrijgen, die mogelijkheden ook voor de man bestaan. Waar de man zijn fulltime werk als notaris als argument ziet om niet met uitbreiding van de zorgregeling akkoord te gaan, meent de vrouw ook om die reden dat argumenten om wel tot uitbreiding van de zorgregeling te komen in een belangenafweging zwaarder dienen te wegen. De vrouw wenst te komen tot een degelijke toekomstbestendige regeling.

4.9

De man voert aan dat hij de door de vrouw verzochte regeling niet in het belang van de minderjarigen acht en gelet op zijn werk praktisch ook niet mogelijk. Bij de regeling die de vrouw verzoekt moet hij de kinderen twee extra ochtenden in de twee weken, te weten de vrijdagochtend en de maandagochtend, naar school/de opvang brengen. Dit betekent dat de kinderen dan om 06.00 uur uit bed moeten om vervolgens lang in de auto te zitten om op tijd op school/de opvang te zijn. De man acht dit een te grote belasting voor de kinderen, temeer omdat [minderjarige 2] normaal gesproken bij de vrouw in [woonplaats 1] wordt opgehaald en [minderjarige 1] lopend naar school kan. Daarnaast betekent de door de vrouw verzochte regeling dat de man een extra donderdagavond (in de even weken) voor de kinderen moet zorgen. De man kan echter op die avond niet voor de kinderen zorgen, omdat hij dan naar zijn werk moet en tot laat aktes moet passeren. Zo heeft de man zijn werk thans rondom de huidige zorgregeling georganiseerd. Dit terwijl de vrouw op donderdagavond niet werkzaam is en het al met al weinig “oplost”. De man vermoedt dat de vrouw af wil van het halen en brengen van de kinderen, omdat dat haar veel tijd kost. Hij is echter van mening dat dat een consequentie is die zij moet aanvaarden als gevolg van haar wens om destijds naar [woonplaats 1] te verhuizen. Overigens geldt volgens de man dat dit ook niet kan, omdat hij niet én [minderjarige 1] kan ophalen in [woonplaats 1] én op tijd thuis kan zijn als [minderjarige 2] door de taxi thuis wordt gebracht. Verder geldt volgens de man dat de vrouw mogelijkheden heeft om zich te ontlasten door meer externe zorg in te schakelen en door zijn voorstel om de kinderen een extra dag in het weekend bij hem te laten verblijven te accepteren. Dat heeft zij echter niet gedaan.

4.10

De Raad brengt naar voren dat het vooral problemen van praktische aard zijn waarvoor partijen tot een oplossing moeten zien te geraken. Meest van belang is wat de kinderen daarin nodig hebben. De Raad stelt vast dat de vader veel werkt, dat hij deels de zorg voor de kinderen heeft en dat hij – anders dan de vrouw – kennelijk geen problemen ervaart. Naar de mening van de Raad ligt het dan in eerste instantie op de weg van de vrouw om tot een oplossing te komen, zoals door het – al dan niet middels het PGB – inschakelen van meer hulp. Een langere reistijd acht de Raad in elk geval niet in het belang van de minderjarigen.

4.11

De rechtbank stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat partijen beiden het beste met hun kinderen voor hebben en zij in de afgelopen periode zoals middels mediation en middels viergesprekken hun best hebben gedaan om tot een aanpassing van de zorgregeling te komen. Partijen zijn daar niet uitgekomen. Ter zitting is het partijen evenmin gelukt om alsnog tot afspraken te komen. Dat brengt met zich mee dat de rechtbank op het verzoek dient te beslissen.

4.12

Vast staat dat partijen sinds september 2022 uitvoering geven aan de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan. Deze regeling is ongelijkwaardig in omvang van de zorg die partijen dragen. Dit is het gevolg van de verhuizing van de vrouw naar [woonplaats 1] . De vrouw wilde vanuit [woonplaats 2] verhuizen naar [woonplaats 1] vanwege haar daar aanwezige (zorg)netwerk. De man was het niet met deze gewenste verhuizing eens, maar hij is daarin uiteindelijk toch mee gegaan, zo heeft hij onweersproken gesteld. Gebleken is dat de zorgregeling voor de kinderen goed verloopt en dat zij daaraan zijn gewend. De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of de door de vrouw verzochte wijziging van de zorgregeling in het belang is van de kinderen en overweegt daartoe het volgende. Tussen partijen staat vast dat [minderjarige 1] op de school in de buurt van de vrouw in [woonplaats 1] zal blijven. De door de vrouw verzochte regeling zou tot aanzienlijke extra reisbewegingen en reistijd leiden op doordeweekse dagen. De (enkele) reistijd van en naar de man bedraagt minimaal 45 autominuten, zo heeft de man onbetwist gesteld. Deze reistijd zou anders zijn geweest als partijen in hetzelfde dorp zouden wonen, maar dat is niet (meer) het geval. Voor [minderjarige 2] is overigens minder sprake van extra reistijd omdat hij, als dat geregeld kan worden, rechtstreeks vanuit [woonplaats 2] met de taxi naar de opvang zou kunnen worden gebracht. De rechtbank acht deze extra reisbewegingen en reistijd op verschillende doordeweekse dagen, die met name voor [minderjarige 1] aan de orde zijn, niet in haar belang. Zo zou zij dan in de even weken drie opeenvolgende schooldagen meerdere keren op en neer tussen [woonplaats 2] en [woonplaats 1] moeten reizen. De kinderen zijn gebaat bij rust en duidelijkheid. De huidige structuur brengt die met zich mee. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande echter niet strijdig met de belangen van de kinderen om in de oneven weken de regeling aldus te wijzigen dat deze loopt tot maandag 8.30 uur in plaats van tot zondag 17.30 uur. Dit brengt immers geen extra reisbeweging met zich mee en komt tegemoet aan het verzoek van de vrouw om in de doordeweekse zorg te worden ontlast. Het betreft weliswaar een reisbeweging door de week, maar omdat deze aansluit aan een weekend waarin de kinderen bij de man verblijven acht de rechtbank deze voor de kinderen niet te belastend. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze uitbreiding ook van de man gevergd worden. Voor het overige acht de rechtbank de door de vrouw verzochte wijziging gelet op het voorgaande niet in het belang van de kinderen. Het is echter wel in hun belang dat de vrouw in staat blijft haar zorgtaken uit te voeren en dat zij niet door overbelasting uitvalt. Dat van een risico op uitval sprake is, blijkt genoegzaam uit de toelichting van de vrouw en de door haar overgelegde stukken. De rechtbank acht om die reden voorstelbaar dat de vrouw gebruik maakt van het aanbod van de man om de regeling (al dan niet tijdelijk) uit te breiden met een extra weekend(dag) waarin de man de zorg draagt voor beide kinderen dan wel alleen voor [minderjarige 2] en/of dat zij gebruik maakt van zijn aanbod om de zorg op woensdagochtend in de even weken in de woning van de vrouw voor zijn rekening te nemen of andere taken voor zijn rekening te nemen. Dat geeft de vrouw tijd om op te laden en bij te komen en/of om tijd door te brengen met en te werken aan de relatie tussen haar en [minderjarige 1] . Ook kan zij wellicht een (groter) beroep doen op hulpverlening en haar netwerk in [woonplaats 1] . De rechtbank overweegt dat al het voorgaande niet wegneemt dat van de man mag worden verwacht dat hij de vrouw waar mogelijk ontlast en de rechtbank spreekt tot slot de hoop uit dat de vrouw ook stappen kan zetten in haar vertrouwen in de man. Al het voorgaande betekent dat ten aanzien van de zorgregeling als na te melden zal worden beslist.

4.13

De vrouw verzoekt daarnaast te bepalen dat de man de kinderen op de woensdag, vrijdag of de zaterdag zal douchen. De man heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij dat al doet als de kinderen bij hem zijn en dat de vrouw daarom geen belang heeft bij dat verzoek. Ter zitting is door of namens de vrouw hierop geen reactie meer gegeven. Dit verzoek van de vrouw zal daarom als onvoldoende nader toegelicht en onderbouwd worden afgewezen.

4.14

Tot slot verzoekt de vrouw te bepalen dat partijen voor de dagen dat de kinderen bij hen verblijven alles zoveel mogelijk zelf regelen, zoals het bestellen van sondevoeding en toebehoren voor [minderjarige 2] , alsook de aanschaf voor eigen rekening van cadeautjes voor kinderfeestjes, een cadeautje of bedankje voor de juffrouw op school of knutselwerkjes die ingeleverd moeten worden en dergelijke. De man heeft dit verzoek in zijn verweerschrift uitvoerig betwist en hierop is ter zitting door of namens de vrouw evenmin nog een reactie gegeven. Gelet hierop zal ook dit verzoek als onvoldoende nader toegelicht en onderbouwd worden afgewezen.

4.15

De rechtbank zal, gelet op de aard van het verzoek, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

4.16

Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

wijzigt de tussen partijen geldende zorgregeling, zoals overeengekomen in artikel 3.1 van het ouderschapsplan, voor wat betreft de oneven weken aldus dat de kinderen van donderdagavond tot maandagochtend bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen op maandag naar school en naar de opvang brengt of laat brengen. De zorgregeling blijft voor het overige ongewijzigd.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »