ECLI:NL:RBROT:2026:14686

Datum uitspraak
25-09-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/10/726393 / FA RK 26-7472
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 6:4 Wvggz. Zorgmachtiging. Afwijzing verweer duur zorgmachtiging. Toewijzing.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie

25 september 2026C/10/726393 / FA RK 26-7472Zaak-/rekestnummer: C/10/726393 / FA RK 26-7472

Referentienummer: [nummer]

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 25 september 2026 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)

op verzoek van:

de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,

met betrekking tot:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1967, [geboorteplaats] ,

hierna: betrokkene,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J. van Veelen-de Hoop te Hoogvliet Rotterdam.

1 Procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 14 september 2026.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de medische verklaring opgesteld door [persoon A] , psychiater, van

11 september 2026;

  • de niet-ingevulde zorgkaart;

  • het zorgplan van 23 juli 2026;

  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;

  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wvggz;

  • het bericht dat er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 25 september 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;

  • [persoon B] , verpleegkundig specialist, verbonden aan Antes.

1.3

De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2 Beoordeling

2.1

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 maart 2026 is op grond van artikel 7:11 Wvggz een zorgmachtiging verleend tot en met 23 september 2026. De officier heeft op 14 september 2026 een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden.

2.2

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie.

2.3

Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige materiële schade en de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.

Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene eerder overlast op straat veroorzaakte. Ook in contact met de behandelaren doet hij wisselend verbaal agressieve uitspraken. Deze uitspraken waren dat de vorige behandelaar hem met rust moet laten omdat deze anders ‘tussen zes planken het pand zal verlaten’ en dat als hij de politie te pakken krijgt hij hun wapen af zal pakken en ‘een kogel door hun kop zal jagen’. Betrokkene geeft aan dat hij nare ervaringen uit het verleden heeft met mannen, en daardoor zich fel heeft uitgesproken. De rechtbank acht de uitspraken echter dusdanig ernstig, dat hieruit het ernstig nadeel blijkt. Tijdens de mondelinge behandeling licht de verpleegkundig specialist toe dat betrokkene aan het herstellen is, maar nog niet de oude is. De zorg is dat betrokkene zonder verplicht kader de medicatie niet zal innemen en de agressie toeneemt.

2.4

Om een crisissituatie af te wenden, het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.

2.5

Namens betrokkene wordt aangevoerd dat betrokkene inmiddels goed ingesteld is op de medicatie en dit ook vrijwillig wil voortzetten. Ook wil hij de contacten met Antes voortzetten. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene onvoldoende bereid is om behandeling of zorg op vrijwillige basis te accepteren. Er is geen sprake van ziektebesef en -inzicht. Hij wil niet behandeld worden door de GGZ en wil geen verplichting tot inname van de medicatie. Een halfjaar geleden was ook een crisismaatregel nodig, toen betrokkene zijn medicatie onvoldoende innam. Om die redenen is verplichte zorg nodig.

2.6

De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:

  • het toedienen van medicatie, ter behandeling van een psychische stoornis;

  • het beperken van de bewegingsvrijheid;

  • het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;

  • het opnemen in een accommodatie.

2.7

De andere door de officier verzochte vorm van verplichte zorg, te weten het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, wordt door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig is om het ernstig nadeel af te wenden.

2.8

Voor de toegewezen vormen van verplichte zorg zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Verder is de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.9

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De advocaat voert aan dat het verzoek niet voor twaalf maanden toegewezen kan worden, omdat het verzoek niet op tijd is ingediend. De rechtbank verwerpt dit verweer. De lopende machtiging is een zorgmachtiging aansluitend op een voortzetting crisismaatregel en in zo een geval hoeft een nieuw verzoek niet vier weken voor de einddatum van de machtiging ingediend worden (artikel 6:6 lid 2 in verbinding met 6:5 sub a Wvggz). De officier heeft het verzoek ingediend voordat de geldigheidsduur van de zorgmachtiging is verstreken. Dit is dus tijdig gedaan. De rechtbank heeft verder binnen drie weken beslist, waardoor de machtiging aansluitend kan worden verleend. De rechtbank zal daarom de zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging verlenen voor de verzochte duur van twaalf maanden met ingang van vandaag.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;

3.2

bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.6. kunnen worden getroffen;

3.3

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 25 september 2027;

3.4

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is op 25 september 2026 mondeling gegeven door mr. E.M. Moerman, rechter, in tegenwoordigheid van L. Mast, griffier, en op 6 oktober 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »