ECLI:NL:RBROT:2026:14676

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/10/723821 / JE RK 26-1458 en C/10/723827 / JE RK 26-1461
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing ondertoezichtstelling minderjarige 1. Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige 2 voor zes maanden met aanhouding van het restant. De ouders hebben positieve en aantoonbare stappen gezet.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummers: C/10/723821 / JE RK 26-1458 en C/10/723827 / JE RK 26-1461

Datum uitspraak: 24 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling en verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaken van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] en [naam vader],

hierna te noemen: de moeder en de vader,

tezamen te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats],

advocaat mr. A.L. Witteveen, kantoorhoudende in Rotterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de GI van 23 juli 2026 met bijlagen, ontvangen op diezelfde datum.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de ouders met hun advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 2] woont bij de ouders.

2.3.

[minderjarige 1] verblijft op een groep van [zorg instelling 1].

2.4.

Bij beschikking van 8 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 14 oktober 2026.

2.5.

Bij beschikking van 21 november 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 14 oktober 2026.

3 De verzoeken

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/723821 / JE RK 26/1458:

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/723827 / JE RK 26/1461:

3.2.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI handhaaft ter zitting de verzoeken en licht dit als volgt toe. De hulpverlening bij de ouders thuis verloopt goed. [minderjarige 2] is gestart bij [zorg instelling 2] voor therapie. De verwachting is dat [zorg instelling 2] zeker anderhalf jaar betrokken zal blijven. De GI begrijpt de wens van de ouders om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] af te sluiten, maar de GI vindt dat op dit moment nog te vroeg. [minderjarige 2] is pas twee maanden geleden thuisgeplaatst en op dit moment is er nog intensieve hulpverlening betrokken. Over [minderjarige 1] zijn er daarnaast nog veel zorgen. [minderjarige 1] loopt nog dagelijks weg en het blowen en roken is sinds de zomer weer toegenomen. De GI is op dit moment op zoek naar passende hulp voor [minderjarige 1]. De GI heeft gisteren de mogelijkheid met de moeder besproken dat [zorg instelling 3] de hulpverlening van [zorg instelling 1] overneemt. De ouders hebben een goede klik met [zorg instelling 3] en zij zijn ook bij [minderjarige 2] betrokken. De GI wil voorkomen dat [minderjarige 1] te snel wordt thuisgeplaatst. Indien de ouders de positieve stappen blijven voortzetten zou de hulpverlening op termijn kunnen worden overgedragen naar het vrijwillig kader.

4.2.

Door en namens de ouders wordt verweer gevoerd tegen de verzoeken van de GI.

Primair verzoeken de ouders het verzoek ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] af te wijzen. Subsidiair verzoeken zij de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een half jaar.

Ten aanzien van [minderjarige 1] verzoeken de ouders de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van een half jaar om een vinger aan de pols te houden. De ouders vinden het belangrijk om [minderjarige 1] meer perspectief te geven en vinden daarom een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing met een jaar te lang. De ouders erkennen de zorgen over [minderjarige 1] en hebben de afgelopen tijd positieve stappen gezet. De ouders werken mee met de hulpverlening en hebben ook het traject van GezinTotaal positief afgerond. Sinds de thuisplaatsing van [minderjarige 2] is de problematiek van [minderjarige 2] verder afgenomen. Zo slaapt [minderjarige 2] niet meer bij de ouders in bed en durft hij ook zonder licht aan te slapen.

Dit zijn voorbeelden die aangeven dat [minderjarige 2] zich weer veilig voelt bij de ouders. De ouders zijn zeer tevreden met de ondersteuning vanuit [zorg instelling 3]. De huidige jeugdbeschermer zal binnenkort stoppen en er is nog geen nieuwe jeugdbeschermer beschikbaar. Dit maakt dat de ouders zijn aangewezen op de bureaudienst van de GI. Juridisch gezien is dit in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens. Vanuit het vrijwillig kader kan er beter worden gemonitord en kunnen de mensen die betrokken zijn daadwerkelijk hulp inzetten zodra dit nodig is. Daarbij kan de traumabehandeling van [zorg instelling 2] en de coach vanuit school ook in het vrijwillig kader doorlopen.

5 De beoordeling

Ten aanzien van [minderjarige 2]:

5.1.

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat niet meer wordt voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling.1 De kinderrechter zal hieronder uitleggen waarom zij tot deze beslissing is gekomen.

5.2.

De kinderrechter stelt vast dat de afgelopen periode positieve stappen zijn gezet. Na een onrustige periode waarin [minderjarige 2] uit huis was geplaatst, woont hij sinds 1 augustus 2026 weer bij de ouders. De ouders hebben aantoonbare en belangrijke stappen gezet in hun persoonlijke ontwikkeling. Zo hebben beide ouders hun behandeling bij Antes succesvol afgerond en tonen ouders meer inzicht in hun eigen functioneren en in de opvoedingsbehoeften van [minderjarige 2]. De hulpverlening heeft aangeven dat de ouders leerbaar zijn, adviezen toepassen en actief samenwerken met de betrokken hulpverlening. Daarbij is sinds de terugplaatsing van [minderjarige 2] een intensief ambulant hulpverleningstraject vanuit [zorg instelling 3] gestart die de ouders zal begeleiden en ondersteunen. Ook de zorgen rondom [minderjarige 2] zijn afgenomen. Ter zitting hebben de ouders aangegeven dat na een eventuele overdracht naar het wijkteam, de systemische hulpverlening en de individuele hulpverlening van [minderjarige 2] kan worden voortgezet. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de ouders binnen het vrijwillig kader kunnen en zullen profiteren van de hulpverlening. Hulpverlening in het gedwongen kader acht de kinderrechter niet meer noodzakelijk. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de ouders zelfstandig in staat zijn om met de hulpverlening in het vrijwillig kader de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 2] weg te nemen en vol te houden op de goede weg.

5.3.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige 2] afwijzen.

Ten aanzien van [minderjarige 1]

5.4.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.2 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding.3 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.5.

[minderjarige 1] verblijft sinds februari 2026 bij [zorg instelling 1]. Hier wordt gezien dat [minderjarige 1] behoefte heeft aan een gestructureerde, voorspelbare en begrenzende opvoed- en behandelomgeving. Hoewel de ouders positieve stappen hebben gezet in hun persoonlijke ontwikkeling kan [minderjarige 1] op dit moment nog niet naar huis. [minderjarige 1] laat nog wisselend gedrag zien waarbij er nog zorgen zijn over haar veiligheid, beïnvloedbaarheid, middelengebruik en sociaal-emotionele ontwikkeling. [zorg instelling 1] is gestart met een behandeltraject dat aansluit bij de hulpvragen en problematiek van [minderjarige 1]. Het is belangrijk dat deze behandeling plaatsvindt in een stabiele en begrenzende behandelsetting. Daarbij hebben de ouders aangegeven dat de intensievere zorgvraag van [minderjarige 1] op dit moment meer vraagt dan zij kunnen bieden. De kinderrechter is daarom met alle betrokkenen eens dat de plaatsing van [minderjarige 1] bij [zorg instelling 1] voortgezet dient te worden. Ook [minderjarige 1] verdient het dat het haar goed gaat en dat zij een fijn leven tegemoet kan gaan.

5.6.

Om een vinger aan de pols te houden zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengen voor een kortere duur dan is verzocht, te weten voor de duur van zes maanden. De beslissing op het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen pro forma datum. Aan de GI wordt verzocht om de kinderrechter alsdan te informeren over de (dan) stand van zaken.

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/723821 / JE RK 26/1458:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 14 april 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst af het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2];

en alvorens verder te beslissen:

6.4.

houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 maart 2027 pro forma;

6.5.

bepaalt dat de GI, de ouders en mr. A.L. Witteveen op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

6.6.

verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de ouders en mr. A.L. Witteveen) de sub 5.6. verzochte rapportage te doen toekomen;

6.7.

verzoekt de griffie de nader te bepalen zitting opnieuw bij mr. M.P.G. Rietbergen te plannen.

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/723827 / JE RK 26/1461:

6.8.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 april 2027;

6.9.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

6.10.

houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 maart 2027 pro forma;

6.11.

bepaalt dat de GI, de ouders en mr. A.L. Witteveen op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

6.12.

verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de ouders en mr. A.L. Witteveen) de sub 5.6. verzochte rapportage te doen toekomen;

6.13.

verzoekt de griffie de nader te bepalen zitting opnieuw bij mr. M.P.G. Rietbergen te plannen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026 door

mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. van de Griend als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »