ECLI:NL:RBZWB:2026:7998

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/449395 / JE RK 26-1065
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verleging machtigimg uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449395 / JE RK 26-1065

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Tilburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat mr. mr. A.C.M. van Gool uit 's-Hertogenbosch,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juni 2026;

  • de op 15 juli 2026 ontvangen brief van de vader;

  • het e-mailbericht van 16 juli 2026 van [minderjarige] .

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. De pleegouders van [minderjarige] hebben een e-mailbericht gestuurd waarin staat dat [minderjarige] niet naar het kindgesprek zal komen omdat zij op vakantie is. [minderjarige] heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om een brief te schrijven.

2. De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 24 april 2027. Tevens is de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 24 juli 2026.

2.4.

De kinderrechter heeft in deze rechtbank bij beschikking van 2 april 2026 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat de moeder en de

[minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- een keer in de twee weken vanaf het moment dat de moeder [minderjarige] ophaalt uit

school, tot het moment dat de moeder [minderjarige] brengt naar dansles; waarbij de regie

voor een vermeerdering of andere vormgeving van het contact bij de GI wordt

belegd.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

Namens de GI is in aanvulling op het verzoek, samengevat, het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] is al langere tijd uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over haar veiligheid en de opvoedsituatie bij de moeder. Ondanks onder andere een opname bij [hulpverlening] bleek de moeder onvoldoende in staat [minderjarige] de noodzakelijke veiligheid en bescherming te bieden. Ook een plaatsing bij de vader was niet langer mogelijk vanwege zijn verslavingsproblematiek, waarbij sprake is geweest van een terugval. Een netwerkplaatsing bleek eveneens niet haalbaar vanwege instabiliteit en middelengebruik binnen de netwerken van de ouders. Na een tijdelijke plaatsing bij juf [persoon] , waar [minderjarige] zichtbaar tot rust kwam, verblijft zij sinds juni 2026 in een pleeggezin in [plaats 3] . Daar mag zij blijven zolang dat nodig is. [minderjarige] heeft veel behoefte aan veiligheid en stabiliteit. Zij laat gedrag zien dat past bij een verstoorde hechtingen en er is sprake van ingrijpende trauma’s. Daarom is een team met experts betrokken om haar hulpvraag goed in kaart te brengen en een passend behandelplan op te stellen. Volgens de GI staat de behandeling van [minderjarige] , onder meer in de vorm van speltherapie, op dit moment voorop. Daarnaast wil de GI, zodra [minderjarige] daaraan toe is, een perspectiefonderzoek laten uitvoeren. Als dit op dit moment nog te belastend is, zal daarmee worden gewacht. De GI vindt het van groot belang dat [minderjarige] de rust krijgt om zich verder te ontwikkelen in een voorspelbare, stabiele en trauma sensitieve omgeving. Een terugplaatsing naar een van de ouders is op dit moment niet in haar belang, omdat zij die veiligheid onvoldoende kunnen bieden. De gevraagde verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is volgens de GI noodzakelijk om behandeling voort te zetten en zorgvuldig te kunnen onderzoeken waar het perspectief van [minderjarige] ligt, zonder dat zij opnieuw wordt belast of beschadigd.

4.2.

Door de vader is tijdens de zitting het volgende, samengevat, aangevoerd. De vader erkent dat de uithuisplaatsing destijds noodzakelijk was, omdat zowel hij als de moeder [minderjarige] niet de zorg konden bieden die zij nodig had. Volgens de vader is de situatie inmiddels ingrijpend veranderd. Hij heeft hard gewerkt aan zijn herstel, is opgenomen geweest bij Novadic Kentron en heeft het behandeltraject succesvol afgerond. Sindsdien gebruikt hij geen drugs meer. De vader stelt dat hij [minderjarige] inmiddels een stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving kan bieden. Om zich verder voor te bereiden op een eventuele terugplaatsing heeft hij zich aangemeld voor opvoedondersteuning en cursussen positief opvoeden. Volgens de vader waren de eerdere zorgen over zijn opvoedvaardigheden vooral het gevolg van zijn middelengebruik, waarvan nu geen sprake meer is. De vader vindt dat een perspectiefonderzoek naar hem moet worden uitgevoerd. Hij verzoekt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook af te wijzen en toe te werken naar een plaatsing van [minderjarige] bij hem, zo nodig met ambulante hulpverlening of binnen een ouder-kindtraject. Mocht de kinderrechter de machtiging toch verlengen, dan verzoekt de vader de duur daarvan te beperken tot zes maanden, zodat deze aansluit bij de termijn waarbinnen het perspectiefonderzoek kan plaatsvinden.

4.3.

Door de moeder is tijdens de zitting, het volgende, samengevat, aangevoerd. De moeder is het niet eens met de uithuisplaatsing. Zij is van mening dat zij altijd goed voor [minderjarige] heeft gezorgd. Volgens de moeder ontstonden de problemen nadat de relatie met de vader is beëindigd vanwege zijn verslavingsproblematiek. Daarna is [minderjarige] uit huis geplaatst en meerdere keren overgeplaatst. Zij denkt dat een groot deel van de trauma’s van [minderjarige] ontstaan zijn na de uithuisplaatsing. Ook geeft de moeder aan dat zij eerder om hulp heeft gevraagd, maar dat daar niets mee is gedaan. De moeder is van mening dat zij, eventueel samen met de vader in een vorm van co-ouderschap, weer voor [minderjarige] kan zorgen.

De advocaat van de moeder heeft hieraan toegevoegd dat de moeder zich zorgen maakt over de zaken rondom de omgang. Bij het vorige pleeggezin verliepen de omgangsmomenten goed en konden deze onbegeleid plaatsvinden. Sinds de plaatsing in het huidige pleeggezin zijn echter zorgen geuit over vermeend drugsgebruik van de moeder tijdens omgangsmomenten. Volgens de advocaat zijn deze zorgen niet onderbouwd en berusten zij uitsluitend op aannames. De moeder was tijdens het betreffende contactmoment erg gespannen, waardoor zij mogelijk anders overkwam. De advocaat vindt het zorgelijk dat deze vermoedens gevolgen lijken te hebben voor de omgang, die inmiddels is stopgezet en naar verwachting begeleid zal worden hervat, terwijl dergelijke signalen voor de overplaatsing niet aan de orde waren. Volgens de advocaat is het van belang dat hier aandacht voor is.

5 De beoordeling

Het wettelijk kader

5.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits

aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de

ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder

toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig

opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de

minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of

onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen

binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te

achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel

1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

5.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling

5.4.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter, evenals de GI, van oordeel dat er nog altijd ernstige zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft in haar jonge leeftijd al veel onveiligheid en wisselingen van opvoedsituatie meegemaakt. Zij heeft hierdoor een belast verleden en laat kenmerken zien die passen bij een verstoorde hechting. Zij heeft behoefte aan veiligheid, stabiliteit en voorspelbaarheid en moet opnieuw leren wat het betekent om zich veilig te voelen. Dat rondom haar een team van deskundigen is betrokken, onderstreept de ernst van haar problematiek.

5.5.

De kinderrechter vindt het van groot belang dat [minderjarige] de behandeling krijgt die zij nodig heeft. Daarvoor is een stabiele, voorspelbare en trauma sensitieve opvoedomgeving noodzakelijk. Van haar opvoeders zal de komende periode veel worden gevraagd, omdat tijdens haar behandeling emoties en ervaringen naar boven kunnen komen die intensieve begeleiding vragen. De kinderrechter is van oordeel dat het huidige pleeggezin haar die rust, veiligheid en gespecialiseerde begeleiding op dit moment kan bieden.

5.6.

De kinderrechter begrijpt de wens van beide ouders om de zorg voor [minderjarige] weer op zich te nemen. Ook ziet de kinderrechter dat de vader belangrijke stappen heeft gezet in zijn herstel en dat hij gemotiveerd is om verder aan zijn opvoedvaardigheden te werken. Dat neemt niet weg dat een terugplaatsing op dit moment nog niet in het belang van [minderjarige] is. De hulpverlening die de vader voor ogen heeft, moet nog worden opgestart en zorgvuldig moet worden bezien welke ondersteuning passend is. Daarnaast bestaan ook ten aanzien van de moeder nog altijd zorgen over haar opvoedsituatie. Gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige] en haar traumaproblematiek is uiterste zorgvuldigheid geboden. Een nieuwe verandering van opvoedplek zonder voldoende waarborgen zou het risico met zich brengen dat zij opnieuw wordt belast of beschadigd. De kinderrechter vindt het verder van belang dat zo spoedig als verantwoord mogelijk duidelijkheid ontstaat over het perspectief van [minderjarige] . Dat is in eerste plaats van belang voor haarzelf, maar ook voor de ouders. De behandeling van [minderjarige] heeft op dit moment echter prioriteit. Pas wanneer haar ontwikkeling dat toelaat, kan het perspectiefonderzoek zorgvuldig worden uitgevoerd. In de tussentijd is het aan ouders om te blijven werken aan hun persoonlijke ontwikkeling en te laten zien dat zij de noodzakelijke stabiliteit kunnen bieden. Daarnaast vindt de kinderrechter het van belang dat de omgang tussen [minderjarige] en haar ouders, voor zover verantwoord, wordt voortgezet zodat de band behouden blijft.

5.7.

Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds is voldaan aan de wettelijke gronden voor een uithuisplaatsing. De machtiging zal worden verleend voor de door de GI verzochte duur. Anders dan de vader heeft verzocht, ziet de kinderrechter geen aanleiding de verlenging te beperken tot zes maanden. Gelet op de ernst van de problematiek van [minderjarige] , de nog op te starten behandeling, de vakantieperiode en het feit dat nog onduidelijk is wanneer het perspectiefonderzoek kan aanvangen en worden afgerond, vindt de kinderrechter de verzochte termijn noodzakelijk. Gedurende die periode dienen de behandeling en het verkrijgen van duidelijkheid over haar toekomst centraal te staan, waarbij haar rust, veiligheid en ontwikkeling steeds voorop moeten staan.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.8.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 24 juli 2026 tot 24 april 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 4 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »