ECLI:NL:RBDHA:2026:29942

Datum uitspraak
10-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/702708 / JE RK 26-569
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing, met toetsing opvoedbesluit

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/702708 / JE RK 26-569

Datum uitspraak: 10 september 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

per briefadres te [plaats],

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

in de Basisregistratie Personen geregistreerd als geëmigreerd, thans wonende in [land],

[pleegouder 1] en [pleegouder 2],

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De rechtbank merkt als informant aan:

[naam 1] ,

pleegzorgbegeleider van Jeugdformaat.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 13 september 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden, met verwijzing van de behandeling naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

1.2.

De rechtbank neemt nu ook de beschikking van 12 mei 2026 mee in de beoordeling.

De moeder heeft ter zitting twee aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd. De voorzitter van de meervoudige kamer heeft de stukken ter zitting voorgehouden aan partijen. De stukken zijn aan het dossier toegevoegd.

1.3.

Op 8 september 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet, gelijktijdig met de voortzetting van de behandeling van het verzoek van de gecertificeerde instelling tot het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]1. Op dit verzoek is bij afzonderlijke beschikking beslist. Op de zitting van de meervoudige kamer van 8 september 2026 zijn verschenen:

  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;

  • de moeder;

  • de vader, via digitale verbinding, ondersteund door een tolk;

  • de pleegvader van [minderjarige 1];

  • [naam 1];

  • [naam 3], de pleegvader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3], als toehoorder.

De pleegmoeder van [minderjarige 1], [pleegouder 2], is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij op de juiste wijze is opgeroepen.

1.4.

De rechtbank heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. Bij e-mailbericht van 4 september 2026 heeft [minderjarige 1] laten weten hier geen gebruik van te willen maken, omdat hij in zijn kindgesprek op 11 mei 2026 alles heeft kunnen zeggen.

2 De feiten

2.1.

Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 12 mei 2026.

3 Het verzoek

3.1.

Bij verzoekschrift van 3 april 2026 heeft de gecertificeerde instelling verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. Van dat verzoek resteren op dit moment nog acht maanden. De gecertificeerde instelling heeft daarnaast verzocht om het opvoedbesluit te beoordelen. Dat besluit houdt in dat het perspectief van [minderjarige 1] niet bij de moeder maar in het pleeggezin ligt. De gecertificeerde instelling heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek en motiveert dat als volgt. [minderjarige 1] is inmiddels meer dan vier jaar uit huis geplaatst. Hij verblijft sinds december 2024 in het huidige pleeggezin, wat een perspectief biedende plek voor hem is. Hij heeft daar een veilige, gestructureerde en liefdevolle opvoedomgeving. De afgelopen jaren is er intensieve hulpverlening voor [minderjarige 1] ingezet. Op dit moment is het belangrijk dat er rust en stabiliteit komt. Ook is het belangrijk dat hij leert omgaan met zijn emoties en zich durft te gaan uiten. Daarvoor zal hulpverlening bij [zorginstantie 1] starten. De moeder heeft sinds de uithuisplaatsing nog onvoldoende rust en stabiliteit in haar persoonlijke situatie kunnen creëren. Er zijn nog altijd zorgen over haar psychische gezondheid en middelengebruik. Wel positief is dat de moeder sinds kort een woning heeft via [zorginstantie 2]. Ook zet zij voorzichtige positieve stappen in het oplossen van haar persoonlijke problematiek. De moeder heeft behandeling bij [zorginstantie 3] geaccepteerd en komt afspraken goed na. Ook zet de moeder zich in voor de contacten met de kinderen. De moeder heeft één keer in de drie weken één uur begeleid contact met [minderjarige 1], bij voorkeur samen met broertje [minderjarige 2] en zusje [minderjarige 3]. De bezoeken verlopen wisselend. Het lukt de moeder op goede dagen om goed aan te sluiten bij de kinderen. Het lukt haar echter niet altijd om zich aan de veiligheidsafspraken te houden. De moeder zorgt dan voor onrust en doet belastende uitspraken. Daarnaast worden ook niet alle bezoekmomenten nagekomen. De gecertificeerde instelling hoopt dat de moeder de stijgende lijn blijft voortzetten en aan zichzelf blijft werken. Het is namelijk in het belang van [minderjarige 1] dat het goed gaat met de moeder. [minderjarige 1] kan echter niet langer wachten en moet duidelijkheid krijgen over zijn opvoedperspectief. De gecertificeerde instelling heeft al op 16 maart 2023 besloten dat het perspectief niet meer thuis ligt. De moeder is ondanks de inzet van jarenlange hulpverlening onvoldoende stabiel en is daardoor niet in staat om voor [minderjarige 1] te zorgen. Ook de vader is niet in staat om voor [minderjarige 1] te zorgen, omdat hij in [land] woont en geen mogelijkheid heeft om naar Nederland te komen. [minderjarige 1] heeft zijn leven in Nederland. Hij gaat hier naar school, heeft hier zijn sociale netwerk en zijn moeder, broertje en zusje wonen hier. Een verhuizing naar de vader is daarom niet in zijn belang. Voor [minderjarige 1] moet duidelijk zijn dat hij in het pleeggezin kan opgroeien. Dat neemt niet weg dat zijn ouders altijd een belangrijke rol zullen spelen in zijn leven. Als de moeder de stijgende lijn kan voortzetten en het beter met haar gaat, kan zij in de toekomst hopelijk een grotere rol spelen in het leven van de kinderen. Dat ziet dan op een uitbreiding van de omgang, maar niet op een rol als vaste verzorger van de kinderen.

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft ingestemd met een verlenging van de maatregelen. Zij staat niet achter het opvoedbesluit, waarin staat dat de kinderen niet meer terug naar haar kunnen. De moeder heeft aangevoerd dat zij de afgelopen jaren hard heeft gewerkt aan zichzelf. Zij heeft inmiddels een woning. Verder werkt zij mee aan hulpverlening en komt zij afspraken na. De moeder snapt dat de kinderen nu nog niet bij haar kunnen wonen, maar zij vindt dat dat op termijn wel kan. Het zou daarbij helpen als zij de kinderen vaker kan zien. Met [minderjarige 1] heeft zij meer contact dan met [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De moeder begrijpt niet waarom dat zo is. De moeder vindt het belangrijk dat zij wordt betrokken bij het leven van de kinderen en dat zij een bijdrage kan leveren aan hun opvoeding. Zij benadrukt dat ze altijd zal blijven vechten voor de kinderen.

4.2.

De vader heeft ingestemd met het verzoek. De vader is blij met de pleegouders. Zij zorgen goed voor [minderjarige 1]. Zolang de moeder niet voor [minderjarige 1] kan zorgen en de vader niet naar Nederland kan komen, is het belangrijk dat [minderjarige 1] in het pleeggezin kan blijven. De vader wil wel graag meer tijd doorbrengen met [minderjarige 1]. In de zomervakantie is [minderjarige 1] lang bij de vader in [land] op bezoek geweest. Dat is heel goed gegaan. De vader vindt dat er door de jeugdbeschermer onvoldoende gekeken is naar zijn rol als ouder. Hem is alleen verteld dat het heel lang zou duren voor hij eventueel voor [minderjarige 1] zou kunnen zorgen.

4.3.

De pleegvader heeft ingestemd met het verzoek. De pleegvader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het op veel vlakken goed gaat met [minderjarige 1]. Hij ontwikkelt zich goed in het pleeggezin, heeft goede sociale contacten en heeft met beide ouders een goede band. Dat neemt niet weg dat [minderjarige 1] het nodige heeft meegemaakt in zijn leven, waardoor hij beschadigd is. [minderjarige 1] vindt het moeilijk om zijn emoties te tonen. Daar zal nu hulpverlening voor worden ingezet. Voor [minderjarige 1] is het heel belangrijk dat er duidelijkheid en structuur is en dat hij weet waar hij aan toe is. Het zou daarom goed zijn als [minderjarige 1] weet dat hij in het pleeggezin kan opgroeien.

5 De beoordeling

5.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te verlengen voor de resterende duur van het gevraagde jaar. Daarbij heeft de gecertificeerde instelling de rechtbank verzocht het door haar genomen opvoedbesluit, te weten dat het perspectief van [minderjarige 1] niet bij de moeder maar in het pleeggezin ligt, te beoordelen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 volgt dat er geen zelfstandige rechtsgang is waarin het opvoedbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd, maar dat de rechter een opvoedbesluit wel mag beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opvoedperspectief van de minderjarige(n).2 De rechtbank is dan ook bevoegd om zich in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing uit te laten over het door de gecertificeerde instelling geformuleerde opvoedbesluit. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat nog altijd wordt voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling zoals bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor het resterende duur van het jaar verlengen.3 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding.4 Tevens is de rechtbank van oordeel dat de gecertificeerde instelling het opvoedbesluit op goede gronden heeft genomen en dat het opgroeiperspectief van [minderjarige 1] bij het huidige pleeggezin ligt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.2.

Hoewel [minderjarige 1] positieve stappen zet in het pleeggezin, zijn er nog altijd zorgen over zijn ontwikkeling. [minderjarige 1] heeft al veel meegemaakt in zijn leven, waaronder spanningen en onveilige situaties in de opvoedomgeving bij de moeder, persoonlijke problematiek van de moeder en wisselende verblijfplekken. Bij de moeder is sprake van een belast verleden, middelengebruik en psychische problematiek. Hierdoor was de moeder onvoldoende in staat om fysiek en emotioneel beschikbaar te zijn voor [minderjarige 1] en hem en zijn broertje en zusje de structuur, veiligheid en voorspelbaarheid te geven die zij nodig hebben. [minderjarige 1] verblijft sinds december 2024 in het huidige pleeggezin. [minderjarige 1] heeft een veilige plek bij de pleegouders, met wie hij een goede band heeft en die kunnen voorzien in zijn opvoedbehoeften. De huidige plaatsing is dan ook passend voor [minderjarige 1] en hij kan daar opgroeien. De afgelopen jaren is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat is om de zorg te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1]. Voor de moeder geldt dat er nog onvoldoende verbetering is gekomen in haar persoonlijke situatie. Het is wel positief dat zij sinds kort een woning heeft, dat zij behandeling volgt bij [zorginstantie 3] en dat zij haar afspraken met de hulpverlening nakomt. De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij inziet dat zij op dit moment niet zelf voor haar kinderen kan zorgen en dat de kinderen op de juiste plek zitten in de pleeggezinnen.

5.3.

De rechtbank begrijpt de wens van de moeder om op termijn zelf voor haar kinderen te willen zorgen, maar daar kan [minderjarige 1] helaas niet op wachten. Daarom sluit de rechtbank zich aan bij de visie van de gecertificeerde instelling in het opvoedbesluit. [minderjarige 1] heeft al heel lang onzekerheid of hij wel of niet in het pleeggezin gaat opgroeien en het is voor hem heel belangrijk dat hij daar nu echt duidelijkheid over krijgt. Dat neemt niet weg dat er wel ingezet moet blijven worden op het behouden van de band van [minderjarige 1] met zijn familie. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de gecertificeerde instelling en de pleegouders zich hiervoor zullen blijven inspannen.

5.4.

Gelet op deze overwegingen is het in het belang van [minderjarige 1] dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die zicht houdt op zijn ontwikkeling, de juiste hulpverlening voor [minderjarige 1] kan inzetten en de contacten tussen [minderjarige 1] en zijn beide ouders in de gaten houdt. Daarnaast moet de plaatsing van [minderjarige 1] in het huidige perspectief biedende pleeggezin gecontinueerd worden.

5.5.

Daarom zal de rechtbank beide kinderbeschermingsmaatregelen verlengen zoals verzocht.

5.6.

De beslissing tot verlenging tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.5

5.7.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 13 mei 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 13 mei 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 door

mr. M.M.C. Limbeek, mr. M.J.L. van der Waals en mr. C.M. Koole, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »