RECHTBANK Rotterdam
Handel en haven
Zaaknummer: C/10/687425 / HA ZA 24-878
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
STEDIN NETBEHEER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: Stedin,
advocaat: mr. A. Ester,
tegen
[Persoon A] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [Persoon A],
advocaat: mr. I. Stolting.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 11 juni 2025;
- de akte uitlating bewijslevering;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 november 2025;- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 april 2026;
- de conclusie na enquête van Stedin;
- de antwoordconclusie na enquête van [Persoon A]; en
- de akte uitlating productie van Stedin.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
In conventie
De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het vonnis van 11 juni 2025. In dat vonnis is Stedin opgedragen voldoende aannemelijk te maken dat er sprake is geweest van vier oogsten voorafgaand aan de aangetroffen kweek.
In het kader van haar bewijsopdracht heeft Stedin de heer [persoon B] (hierna ‘[persoon B]’) als getuige laten horen. [persoon B] is als fraudemedewerker werkzaam bij Stedin.
[Persoon A] heeft zichzelf en mevrouw [persoon C] (hierna ‘[persoon C]’) als getuige laten horen in contra-enquête. [Persoon A] en [persoon C] zijn vrienden.
Hieronder wordt op de verklaringen van de getuigen ingegaan.
Getuigenverklaringen
[persoon B] heeft – voor zover hier van belang –het volgende verklaard:
“(…) Ik heb destijds wat aantekeningen gemaakt, maar het rapport is direct opgesteld waardoor ik daarvan uit kan gaan (…) Ik hou mij dagelijks bezig met onder andere energiediefstal (…) Ik ben de medewerker van Stedin die op 23 juni 2024 in de woning aanwezig was, die de aangifte heeft gedaan en die het fotoboek aangifte heeft opgesteld.
(…)
In de garage/voorruimte van de schuur trof ik twee gebruikte koolstoffilters op de grond. Er zal veel stof op de filterdoeken en er was sprake van verkleuring. Op de filters die ik aantrof zag ik afdrukken van spanbanden waardoor mij duidelijk was dat de filters opgehangen waren geweest. Eén filter gaat ongeveer vijf oogsten me. Dat was voor mij al een indicatie dat er meerdere malen geoogst is. Verder zag ik vier à vijf gasflessen die gebruikt worden als toevoeging voor de planten en mogelijk om de kweekduur te verkorten.
In de tussenruimte trof ik verder twee IBC-containers aan. Dat zijn watervaten. Op een plank daarboven zag ik jerrycans staan waar voeding in zat dat wordt gemengd met het water. De jerrycans waren schoon, maar de plank waar de jerrycans op stonden was heel vies.
(…)
Mijn algemene indruk van de ruimte was dat die vies was. Ik zag afdrukken op de muur, de deur en de grond. Dit zegt mij dat de ruimte al lange tijd in gebruik was (…) Ik zag meerdere aanwijzingen dat er lange tijd gekweekt werd. Ik zag stof op de armaturen en stof en condens-kalkafzetting op de ventilatiekanalen die er aanwezig waren. Dit zegt mij dat de ruimte al langer in gebruik was. Er hing een opticlimate. Dat is een apparaat die de temperatuur beheerst in die ruimte. In de opticlimate zit een afzuigfilter dat vol zat met stof. Ook dit is een aanwijzing van langer gebruik (…) Ik heb een aanvulling op wat ik heb verklaard over de kabel. Ook ten aanzien van de kabel heb ik de indruk dat die al geruime tijd in de grond lag nu de tuin niet was omgespit en er ook geen sprake was van nieuw tegelwerk (…) Ik heb geen indicatie dat de materialen/filters ergens anders zijn gebruikt. De afdrukken van de spanbanden op de filters die ik op de grond zag staan kwamen overeen met de manier waarop de filters in de ruimtes waren opgehangen (…) Vanuit mijn ervaring schat ik in dat er sprake is van meerdere oogsten. Door de verzameling van indicatoren zoals ik hiervoor heb genoemd. Ik heb in het rapport opgenomen dat er vier oogsten moet hebben plaatsgevonden voor de gevonden oogst op basis van het feit dat koolstoffilters over het algemeen ongeveer vijf kweken meegaan. Door vier oogsten op te nemen ben ik aan de veilige kant gaan zitten.
(…)
Op de vraag of ik kan aangeven hoeveel oogsten een gasfles meegaat antwoord ik dat ik dat niet kan zeggen.”
[Persoon A] heeft – voor zover hier van belang –het volgende verklaard:
“Ik heb de heer [persoon D] leren kennen in Dordrecht bij een uitgaansgelegenheid. Dit was bij een café maar ik weet de naam niet meer. Dat was begin 2024. Ik raakte met de heer [persoon D] in gesprek en hij gaf aan op zoek te zijn naar een ruimte. Hij wilde die ruimte bedrijfsmatig of hobbymatig gebruiken voor meubelen en de restauratie daarvan. Naar aanleiding van ons contact is de heer [persoon D] bij het bijgebouw komen kijken. Na dit bezoek is de huurovereenkomst gesloten (…) De ruimte moest leeg. Voor de sleuteloverdracht zijn de heer [persoon D] en ik nog bij de ruimte gaan kijken of deze naar wens van de heer [persoon D] was. Dat was zo. De ruimte was leeg behalve de zolder (…) De heer [persoon D] had een eigen ingang tot het bijgebouw via de achterzijde van de tuin. Daar had ik geen zicht op. De heer [persoon D] betaalde de huur cash.
(…)
Mijn ingang is compleet afgescheiden van het bijgebouw (…) Ik had wel eens door dat de heer [persoon D] in het bijgebouw aanwezig was maar ik heb niet gezien wat hij daar deed. Ik ben nooit een praatje gaan maken met de heer [persoon D] als hij daar aanwezig was. Ik zag weinig. Er is mij in ieder geval niks opgevallen. Ik heb ook niks geroken.
(…)
Ik heb de heer [persoon D] heel vaak geprobeerd te bellen maar ik heb hem niet te pakken gekregen. Ik heb niets meer van de heer [persoon D] gehoord. Ik heb hem verder ook niet gezocht. Op uw vraag of ik heb overwogen om de heer [persoon D] als getuige in deze procedure op te roepen zeg ik u dat hij volgens mij zelfs gezocht is door de politie maar hij is niet gevonden voor zover ik weet.
In de achtertuin heb ik niks opgemerkt. Ik heb geen kabel gezien. Het was netjes weggewerkt. Ik vermoed dat de heer [persoon D] wist waar de sleutel van mijn woning lag (…) Ik denk dat de heer [persoon D] in een weekend zijn kans heeft gepakt om de woning in te gaan.
(…)
Mr. Stolting houdt mij twee keer voor dat in de conclusie van antwoord is geschreven dat de heer [persoon D] contact heeft opgenomen met mij omdat hij problemen had met de elektriciteit. Ik moet daar even over nadenken. Het is al even geleden. Volgens mij gaf de heer [persoon D] aan dat hij het zelf wel kon. Ik zal toen hebben aangegeven waar de sleutel lag. Zo moet het gegaan zijn.
Tot februari/maart 2024 gebruikte ik het bijgebouw als fitnessruimte. Ik gebruikte die ruimte niet alleen maar samen met [persoon C].
(…)
De fitnessruimte werd niet door andere personen gebruikt.”
[persoon C] heeft – voor zover hier van belang –het volgende verklaard:
“Ik sportte eens per maand of per twee maanden in de garage. Ik weet niet meer sinds wanneer ik dat deed. In de garage stond sportapparatuur. Er is mij niets bijzonders opgevallen. Ik heb daar gesport tot februari 2024. Daarna werd de ruimte verhuurd. Ik heb de ruimte toen niet meer gezien. Ik ben daar ook niet meer geweest. De heer [persoon D] ken ik niet.
(…)
Ik heb twee keer gezegd dat ik in februari vorig jaar voor het laatst heb gesport in het bijgebouw. De rechter heeft gezegd dat het ging om februari 2024.”
Bewijswaardering
Ten aanzien van de waardering van het bewijs geldt het volgende kader. Voor het oordeel in een civiele zaak, dat een partij is geslaagd in een op hem of haar rustende bewijsopdracht, dient de rechter een redelijke mate van zekerheid te hebben dat het betreffende feit zich voor heeft gedaan. Met andere woorden: het feit dient voor de rechter voldoende aannemelijk te zijn. Niet vereist is dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk vast komen te staan.1De vraag of Stedin in haar bewijsopdracht is geslaagd, wordt hierna besproken.
Geslaagd in bewijsopdracht?
Stedin heeft na enquête geconcludeerd dat zij met de verklaring van [persoon B] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van vier oogsten voorafgaand aan de aangetroffen kweek en dat zij daarom in haar bewijsopdracht is geslaagd. De verklaringen van [Persoon A] en [persoon C] maken dit volgens Stedin niet anders. [Persoon A] heeft niet consistent verklaard als het gaat om de uitleg over de manier waarop de heer [persoon D] (hierna ‘[persoon D]’) toegang heeft gekregen tot de elektrische installatie in de woning van [Persoon A], wat volgens Stedin niet bijdraagt aan de betrouwbaarheid van het geheugen van [Persoon A] of de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Verder heeft [Persoon A] volgens Stedin geen overtuigende verklaring gegeven over de reden van het niet laten horen van [persoon D] als getuige.[persoon C] verklaarde daarnaast niet overtuigend uit eigen wetenschap, zo voert Stedin aan. Tijdens het verhoor heeft zij gesproken over ‘februari vorig jaar’, terwijl het niet ging om februari 2025 maar februari 2024. Daarnaast is volgens Stedin, ten aanzien van het moment waarop de garage werd verhuurd en wanneer [persoon C] daar voor het laatst had gesport, sprake van beïnvloeding van [persoon C] vooraf en het geven van sturende informatie. Daarmee is ook de verklaring van [persoon C] onvoldoende geloofwaardig, aldus Stedin.
Tot slot heeft Stedin zich bij akte uitgelaten over de foto in de antwoordconclusie na enquête van [Persoon A], waarop een fitnessruimte te zien is. Stedin heeft aangevoerd dat uit de foto niet blijkt dat het om dezelfde ruimte gaat waar later de hennepkwekerij is aangetroffen. De foto bevat volgens Stedin geen kenmerken die te combineren zijn met de foto’s van de garage die eerder zijn overgelegd. Ook blijkt niet dat de foto is verstuurd door [persoon C] of dat deze daadwerkelijk is gemaakt op 26 februari 2024.
[Persoon A] heeft na enquête geconcludeerd dat Stedin niet is geslaagd in de haar opgedragen bewijslevering. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit de verklaring van [persoon B] onvoldoende blijkt dat daadwerkelijk vier eerdere oogsten hebben plaatsgevonden in de garage, die zijn eigendom is. Dat in de aangetroffen kweekruimte allerlei eerder gebruikte apparatuur is aangetroffen, impliceert op geen enkele wijze dat er in die ruimte ook eerder werd gekweekt. Het is immers eerder standaard dan uitzondering dat hennepkwekerijen op het ene adres worden ontmanteld en op een volgend adres weer worden opgebouwd met gebruikmaking van dezelfde apparatuur, aldus [Persoon A].
Volgens [Persoon A] is het bovendien feitelijk en technisch onmogelijk dat er vóór 26 februari 2024 is geoogst, omdat er toen nog een fitnessruimte aanwezig was en de huurovereenkomst met [persoon D] pas na 1 april 2024 is aangegaan. Stedin heeft zelf ook aangevoerd dat de aangetroffen kweek acht weken oud was op 23 juli 2024, zo voert [Persoon A] aan.
Over de betrouwbaarheid van zijn verklaring zegt [Persoon A] dat het afleggen van een verklaring onder ede voor hem geen dagelijkse kost is en dat het ook niet dagelijks voorkomt dat op zijn perceel een hennepkwekerij wordt aangetroffen. Dat [Persoon A] zich niet meer letterlijk voor de geest kan halen hoe [persoon D] aan de sleutel is gekomen, kan hem daarom niet worden aangerekend. Daaruit kan juist worden afgeleid dat hij onbevangen het getuigenverhoor is ingegaan zonder de stukken nauwkeurig te bestuderen of te herhalen wat in de stukken is geschreven, aldus [Persoon A].
Verder kan er volgens [Persoon A] geen misverstand over bestaan dat [persoon C] met ‘vorig jaar’ 2024 bedoelde. Het was de eerste keer dat [persoon C] als getuige werd gehoord, zij was zenuwachtig en heeft zich vergist.
De rechtbank overweegt als volgt.
[persoon B] heeft als getuige verklaard dat:
a. hij twee gebruikte koolstoffilters heeft aangetroffen;
b. er veel stof op de filterdoeken zat en er sprake was van verkleuring;
c. hij op de aangetroffen filters afdrukken van spanbanden zag waardoor het hem duidelijk was dat de filters opgehangen waren geweest;
d. één filter ongeveer vijf oogsten meegaat;
e. de gebruikte filters volgens hem dezelfde maat hadden als de filters die werden gebruikt in de kwekerij;
f. zijn algemene indruk van de ruimte was dat die vies was en dat er afdrukken op de muur, deur en grond zaten;
g. hij stof zag op de armaturen en stof en condens-kalkafzetting op de aanwezige ventilatiekanalen;
h. in de opticlimate (een apparaat dat de temperatuur regelt in de ruimte) een afzuigfilter zat, vol met stof;
i. op de bladen van de ventilatoren stof zat; en
j. de afdrukken van de spanbanden op de filters die hij op de grond zag staan, overeenkwamen met de manier waarop de filters in de ruimtes waren opgehangen.Dit zijn volgens [persoon B] allemaal aanwijzingen voor het langer in gebruik zijn van de ruimte en dat er langere tijd is gekweekt.
De verklaring van [persoon B] vormt naar het oordeel van de rechtbank een aanvulling op hetgeen [persoon B] na de ontdekking van de hennepkwekerij in het ‘Fotoboek aangifte’ heeft vastgelegd.2 De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [persoon B] te twijfelen.
Dat het volgens [Persoon A] eerder standaard is dan uitzondering dat hennepkwekerijen op het ene adres worden ontmanteld en op een volgend adres weer worden opgebouwd met gebruikmaking van dezelfde apparatuur, maakt dit niet anders. [persoon B] heeft immers ook verklaard dat de afdrukken van de spanbanden op de filters die hij op de grond zag staan overeenkwamen met de manier waarop de filters in de ruimtes waren opgehangen en dat hij geen indicatie had dat de materialen/filters ergens anders zijn gebruikt.
Daarnaast acht de rechtbank het, als van het afbouwen op de ene locatie en weer opbouwen op een andere locatie sprake is, niet zonder meer aannemelijk dat de gebruikte filters zouden worden meegenomen naar de volgende locatie (in dit geval de garage van [Persoon A]) in plaats van dat ze worden weggegooid.
Tegenover de verklaring van [persoon B] en het ‘Fotoboek aangifte’ heeft [Persoon A] geen concrete feiten en gegevens aangedragen waaruit blijkt dat slechts van de aangetroffen kweek moet worden uitgegaan. Daarbij weegt de rechtbank de volgende omstandigheden mee:
a. [Persoon A] heeft [persoon D] niet als getuige laten horen, terwijl hij niet heeft toegelicht of onderbouwd welke concrete pogingen hij heeft ondernomen om [persoon D] als getuige op te roepen;
b. [Persoon A] heeft verklaard dat hij [persoon D] tijdens het uitgaan heeft leren kennen, vrij kort voordat hij de garage aan hem heeft verhuurd. [persoon D] betaalde de huur volgens [Persoon A] contant. Als dat zo is mocht van [Persoon A] tenminste worden verwacht dat hij (in enige mate) controle hield op de activiteiten van [persoon D] in de garage. [Persoon A] heeft dat in het geheel niet gedaan volgens zijn eigen verklaring; hij heeft verklaard dat hij niet heeft gezien wat [persoon D] in de garage deed en dat hij ook nooit een praatje met hem is gaan maken;
c. de foto van de fitnessruimte is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er daadwerkelijk tot 26 februari 2024 fitnessapparatuur stond in de ruimte waarin later de hennepkwekerij is aangetroffen. Wanneer de rechtbank de foto in de antwoordconclusie na enquête van [Persoon A] vergelijkt met foto’s van de ruimte waar de hennepkwekerij is aangetroffen in het ‘Fotoboek aangifte’, dan wijkt bijvoorbeeld de muur aan de linkerzijde op de foto’s af. Zonder nadere toelichting – die door [Persoon A] niet is gegeven – kan daarom niet worden vastgesteld dat het om dezelfde ruimte gaat;
d. de verklaring van [Persoon A] en [persoon C] dat de ruimte waarin de hennepkwekerij is aangetroffen werd gebruikt als fitnessruimte, strookt niet met het standpunt van [Persoon A] in de conclusie van antwoord dat vóór 1 april 2024 de garage niet in gebruik was, niet bij [Persoon A] en evenmin bij een ander.
Dit alles doet naar het oordeel van de rechtbank afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [Persoon A] en [persoon C].
De rechtbank gaat daarom niet uit van de juistheid van de verklaringen van [Persoon A] en [persoon C], maar wel van de juistheid van de verklaring van [persoon B].
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Stedin – met de verklaring van [persoon B] als aanvulling op het ‘Fotoboek aangifte’ – voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van meer dan één oogst. [Persoon A] moet de schade die Stedin daardoor heeft geleden vergoeden.
Stedin heeft echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van vier oogsten. [persoon B] heeft weliswaar met betrekking tot het aantal oogsten verklaard dat hij op vier oogsten kwam op basis van de aangetroffen koolstoffilters en het feit dat een koolstoffilter ongeveer vijf kweken meegaat, maar Stedin heeft niet uitgelegd waarom niet van twee of drie oogsten kan worden uitgegaan. Ook niet nadat daar op de zitting uitdrukkelijk naar is gevraagd. Stedin heeft op de zitting namelijk slechts toegelicht dat fraudespecialisten het aantal kweken zien op basis van hun ervaring. Van Stedin mocht echter een meer concrete uitleg worden verwacht op dit punt in dit specifieke geval, omdat Stedin de stelplicht en de bewijslast draagt in deze procedure.
De rechtbank kan daarom niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen dat er meer dan twee oogsten zijn geweest. Voor de schadeberekening wordt daarom uitgegaan van twee oogsten.
Hieronder wordt besproken welk bedrag [Persoon A] aan Stedin moet betalen.
Schade Stedin
Stedin vordert – na vermindering van eis – vergoeding van haar schade van € 59.443,03, te vermeerderen met rente.3
Onbemeten elektriciteit
Stedin heeft gesteld dat haar schade aan afgenomen elektriciteit en het capaciteitstarief in het geval van twee oogsten € 24.256,91 bedraagt en heeft haar stelling toegelicht aan de hand van de in de procedure overgelegde ‘Herberekeningen’ over de periode van 19 maart 2024 tot 23 juli 2024.
[Persoon A] heeft de door Stedin overgelegde berekeningen niet betwist. Hij heeft bij antwoordconclusie na enquête aangegeven dat de berekeningen geen aanleiding geven tot aanvullende opmerkingen en dat de berekeningen consistent lijken te zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat [Persoon A] de berekeningen van Stedin niet heeft betwist, staat de juistheid van die berekeningen vast. Ook staat vast dat [Persoon A] op het bedrag van € 24.256,91 op 2 februari 2025 een bedrag van € 11.281,61 in mindering heeft betaald, omdat Stedin dit heeft gesteld en [Persoon A] dit niet heeft betwist. De resterende schadepost is in redelijkheid toe te rekenen aan [Persoon A]. Hieruit volgt dat [Persoon A] wordt veroordeeld om aan Stedin te betalen € 12.975,30 aan afgenomen energie en het capaciteitstarief.
Werkzaamheden Stedin
Stedin vordert € 1.180,11 voor door haar verrichte werkzaamheden. Stedin stelt dat het gaat om kosten die zijn gemaakt voor werkzaamheden van de binnen- en buitendienst, waaronder het veiligstellen van de aangetroffen situatie toen de politie ter plekke kwam, het ontmantelen van de hennepkwekerij, het maken van de schadeberekening en het opstellen van een rapportage omtrent hetgeen is aangetroffen, alsmede het doen van aangifte en de werkzaamheden om buiten rechte betaling van de vordering te verkrijgen.
[Persoon A] betwist deze kosten omdat het hem niet duidelijk is waarom deze kosten hem in rekening worden gebracht tegen de tarieven zoals door Stedin genoemd. [Persoon A] kan niet controleren of en in hoeverre de kosten daadwerkelijk door Stedin zijn gemaakt en in hoeverre de werkzaamheden zijn verricht. Bovendien blijkt niet waarom deze kosten voor zijn rekening moeten komen, zo voert [Persoon A] aan.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW komt als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
De rechtbank overweegt als volgt. [Persoon A] is aansprakelijk voor de schade die Stedin heeft geleden als gevolg van de illegaal afgenomen elektriciteit. Stedin heeft ter toelichting op de schadeposten van in totaal € 1.180,11 een overzicht van de werkzaamheden overgelegd met daarachter de verschillende kosten per post. De gestelde posten zijn daarmee voldoende feitelijk gemotiveerd en onderbouwd.4[Persoon A] heeft de verschillende posten onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft namelijk niet per post aangegeven waarom de betreffende post niet voor zijn rekening komt of waarom de daaraan gekoppelde kosten geen redelijke kosten betreffen. Deze kosten zijn in redelijkheid als schade aan [Persoon A] toe te rekenen.Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.180,11 toewijst.
Herstel energietransport
Stedin vordert een bedrag van € 176,93 aan kosten voor het herstel van het energietransport. Stedin stelt dat als gevolg van de aangetroffen fraude de elektriciteitsmeter is afgesloten. Als de vordering wordt betaald of een nieuwe contractant moet worden aangesloten, moet een monteur ter plaatste gaan om de elektriciteit aan te sluiten, aldus Stedin.
[Persoon A] heeft deze schadepost van Stedin niet betwist.
De rechtbank overweegt als volgt. [Persoon A] heeft deze schadepost van Stedin niet betwist. Het is aannemelijk dat Stedin kosten heeft gemaakt voor het weer aansluiten van [Persoon A] op het energienet. De kosten hiervoor zijn ook in redelijkheid toe te rekenen aan [Persoon A].
De conclusie is dat de rechtbank het gevorderde bedrag van € 176,93 toewijst.
In totaal moet [Persoon A] daarom aan Stedin betalen € 14.332,34 (€ 12.975,30 + € 1.180,11 + € 176,93).
Wettelijke rente
Stedin vordert wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 over een bedrag van € 70.724,64, althans vanaf 20 september 2024, tot 2 februari 2025 en de wettelijke rente over € 59.443,03 vanaf 2 februari 2025. Stedin stelt dat [Persoon A] aansprakelijk is gesteld bij brief van 1 augustus 2024, waaruit blijkt dat aanspraak werd gemaakt op de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024.
[Persoon A] heeft de door Stedin gevorderde rente niet betwist.
Op grond van artikel 6:119 lid 1 BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd vanwege te late betaling, in de wettelijke over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.
De rechtbank overweegt als volgt. Stedin heeft voldoende gesteld dat zij aanspraak kan maken op wettelijke rente en dit is door [Persoon A] niet betwist. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe zoals in de beslissing vermeld.
In reconventie
[Persoon A] heeft in reconventie een vordering tot heraansluiting ingesteld voor elektriciteit en gas naar zijn woning. [Persoon A] erkent dat op zijn perceel een hennepkwekerij aanwezig is geweest, maar ontkent enige betrokkenheid daarbij. [Persoon A] begrijpt dat Stedin enige schade heeft geleden doordat er illegaal elektriciteit is afgenomen, maar mist bij Stedin iedere vorm van begrip voor zijn situatie. [Persoon A] voert aan dat hij zijn huis niet kan verwarmen en zichzelf niet dagelijks warm kan douchen, nog los van alle andere dagelijkse ongemakken waarmee iemand te kampen heeft wanneer hij/zij geen elektriciteit heeft. De afsluiting is disproportioneel, aldus [Persoon A].
Stedin voert bij antwoord in reconventie aan dat [Persoon A] geen zelfstandig belang meer heeft bij een reconventionele vordering tot heraansluiting, omdat deze al is gerealiseerd. Als de vordering van Stedin tot boven het door [Persoon A] betaalde bedrag van € 11.281,61 wordt toegewezen, heeft Stedin onverkort het recht om bij het uitblijven van betaling van dat bedrag weer over te gaan tot afsluiting van de elektriciteitsvoorziening, aldus Stedin.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij vonnis van 8 januari 2025 is Stedin veroordeeld om het transport van elektriciteit en gas naar de woning van [Persoon A] te hervatten voor de duur van het geding, onder de voorwaarden dat [Persoon A] a) een bedrag van € 11.281,61 aan Stedin zou betalen en b) dat hij aan Stedin een actief contract zou sturen van een energieleverancier voor de levering van elektriciteit en gas. Stedin heeft bij antwoord in reconventie gezegd dat [Persoon A] aan die voorwaarden heeft voldaan en gesteld dat de heraansluiting is gerealiseerd op 12 februari 2025. Dit is door [Persoon A] niet weersproken, zodat dit vaststaat. [Persoon A] heeft niet gesteld dat Stedin hem na 12 februari 2025 weer heeft afgesloten van energie of dat Stedin hem weer afsluit op het moment dat in onderhavige procedure een eindvonnis is gewezen. De rechtbank is daarom met Stedin van oordeel dat [Persoon A], nu heraansluiting reeds is gerealiseerd, geen belang meer heeft bij zijn vordering in reconventie.De reconventionele vordering van [Persoon A] wordt daarom afgewezen.
Proceskosten (in conventie en in reconventie)
[Persoon A] is – zowel in conventie als in reconventie – in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stedin worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
112,99 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.201,00 |
|
|
- salaris advocaat (conventie) - salaris advocaat (reconventie) - salaris advocaat (conservatoir beslag) |
€ € € |
4.180,00 653,00 836,00 |
(5 punten × € 836,00) (1 punt x € 653,00) (1 punt x € 836,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
8.171,99. |
3 De beslissing
De rechtbank
In conventie
veroordeelt [Persoon A] om aan Stedin te betalen een bedrag van € 14.332,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 25.613,95 met ingang van 16 augustus 2024 tot 2 februari 2025 en over € 14.332,34 vanaf 2 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
In reconventie
wijst de vorderingen af,
In conventie en reconventie
veroordeelt [Persoon A] in de proceskosten van € 8.171,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [Persoon A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
4020/1694