Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-113191-26
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Datum zitting: 22 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats]
ingeschreven op [adres 1] [postcode] te [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. D.W.H.M. Wolters
Officier van justitie: mr. W.A.J.A. Welten
Benadeelde partij: [slachtoffer 1]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt beschuldigd van meerdere diefstallen door middel van zogeheten babbeltrucs/(bank)helpdeskfraude. De rechtbank oordeelt dat er voldoende bewijs is dat de verdachte bij één diefstal betrokken is geweest. Voor de betrokkenheid van de verdachte bij de overige diefstallen, is onvoldoende bewijs. Daarnaast had de verdachte een onderdeel van een vuurwapen en meerdere soorten munitie voorhanden. De verdachte krijgt hiervoor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een taakstraf opgelegd.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – meerdere diefstallen heeft gepleegd door middel van een babbeltruc en dat hij een patroonmagazijn en munitie voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
Feit 1
hij op/in of omstreeks de periode van 16 januari 2026 tot en met 30 januari 2026 te Huissen, Oud-Beijerland, Numansdorp, Dordrecht , Westervoort en/of Didam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meerdere (contante) geldbedragen, bankpassen met bijbehorende pincodes en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan- [slachtoffer 2] ,- [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ,- [slachtoffer 5] ,- [slachtoffer 1] ,- [slachtoffer 6] en/of- [slachtoffer 7] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeftweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel en/of het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, door- telefonisch contact op te nemen met voornoemde personen en zich voor te doen als politieagent of bankmedewerker,- voornoemde personen te waarschuwen voor virussen op hun bankrekening en/of verdachtesituaties,
- voornoemde personen te vragen naar hun pincodes en/of waardevolle goederen,- voornoemde personen mede te delen dat er een (politie)collega langskomt om waardevolle goederen veilig te stellen en/of bankpassen op te halen,- bij de woning van voornoemde personen langs te gaan, zich voor te doen als politieagent en bankpassen, contant geld en/of juwelen weg te nemen,- onbevoegd gebruik te maken van de bankpassen en/of pincodes van voornoemde personenen/of- meerdere malen, althans eenmaal, met de bankpassen van die voornoemde personen geld op te nemen en/of betalingen te verrichten.
2
hij op of omstreeks 15 april 2026 te Hoogvliet Rotterdam, een onderdeel van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn, zijnde een onderdeel/hulpstuk dat van wezenlijke aard en specifiek bestemd is voor een pistool/vuurwapen van het merk Glock, alle modellen, in het kaliber 9x19 mm en/of munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie II onder 4º te weten 6 kogelpatronen van het kaliber 9x17 mm (380Auto)
en/of munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 27 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en/of 16 Geco kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm voorhanden heeft gehad.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide feiten. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan één diefstal door middel van een zogeheten “babbeltruc” en aan het bezit van een onderdeel van een wapen en munitie. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
Feit 2
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte 1
2. Proces-verbaal van de politie2
3. Proces-verbaal van de politie3
Feit 1
De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen4 en de onderstaande bewijsmotivering.
4. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 1] 5
Op vrijdag 30 januari 2026 om 19.05 uur, werd ik gebeld op mijn huistelefoon. Toen ik opnam hoorde ik een mannenstem. Ik hoorde dat hij zei dat er vanuit België een malware virus was overgekomen en dit virus op mijn pinpas stond. Ik hoorde dat hij zei dat ik mijn pinpas door dit virus niet meer kon gebruiken. Ik hoorde dat hij zei dat een collega van hem mijn pinpas thuis zou komen ophalen en ik de volgende dag een nieuwe pinpas zou krijgen. Ik hoorde dat hij vroeg wat mijn adres is en waar deze collega naartoe kon komen om mijn pinpas op te halen. Ik antwoordde hierop dat ik woon op [adres 2] in [plaats 1] . Ik hoorde dat de man aan mij vroeg wat mijn rekeningnummer en pincode van deze pinpas was. Ik heb mijn rekeningnummer en pincode toen aan de man doorgegeven.Ik hoorde dat de man zei dat ik mijn bankpas en de geheime code, [code] , in een envelop moest stoppen, zodat ik deze aan zijn collega kon meegeven. Ik hoorde dat de man aan de telefoon vroeg of ik sieraden in huis had. Ik zei dat ik twee ringen in huis had. Hier werd door de man aan de telefoon verder niet meer naar gevraagd.Ik hoorde dat de man aan de telefoon zei dat zijn collega, een koerier, mijn bankpas zou komen ophalen. Ik hoorde dat de man aan de telefoon zei dat ik de geheime code moest opschrijven. Als de man aan de deur kwam zou hij deze code doorgeven.Op vrijdag 30 januari 2026, tussen 21.15 uur en 21.45 uur, zag ik dat er een man aan kwam lopen. Toen hij voor de deur stond hoorde ik dat hij hardop de code [code] noemde. Ik belde op dit moment nog steeds met de man, waarmee ik al twee uur lang een telefoongesprek voerde. Ik hoorde dat de man zei, waarmee ik nog steeds belde, dat hij de code hoorde en alles in orde was. Toen ik naar de wasmachine liep om de envelop met mijn bankpas te pakken, liep de man achter mij aan. Ik zei dat mijn bankpas in de envelop zat. Hij pakte de envelop en keek er in om te bekijken of mijn bankpas erin zat. Hierna liep de man gelijk naar mijn voordeur en verliet mijn woning.
Mijn zoon zag dat er drie keer was gepind en er geld van mijn rekening was gehaald. Er waren drie transacties gedaan bij de Shell in [plaats 2] , namelijk:
- vrijdag 30 januari 2026, om 21.52 uur - 100 Euro en 50 eurocent;
- vrijdag 30 januari 2026, om 21.53 uur - 110 Euro;
- vrijdag 30 januari 2026, om 21.56 uur - 50 Euro.
5. Proces-verbaal van de politie6
Ik, verbalisant, opende de locatiegegevens van de in beslag genomen iPhone 15 Pro met de naam iPhone van [voornaam verdachte] . Ik zag dat de locatie van de iPhone op 30 januari 2026 om 21:38:13 uur [straat 1] in [plaats 1] was. Ik zag dat de coördinaten van deze locatie [coördinaat 1] en [coördinaat 2] waren. Ik voerde deze locatie in in
PolitieAtlas en ik zag dat de afstand tussen deze locatie en het adres van het
slachtoffer en ook plaats delict [adres 2] in [plaats 1] hemelsbreed
55 meter was.
Ik zag dat de locatie van de iPhone op 30 januari 2026 om 21:51:32 uur [straat 2] in [plaats 1] was. Ik zag dat de coördinaten van deze locatie [coördinaat 3] en [coördinaat 4] waren. Ik voerde deze locatie in in PolitieAtlas en ik zag dat de afstand tussen deze locatie en het adres van het Shell tankstation waar driemaal met de bankpas van het slachtoffer gepind was hemelsbreed 60 meter was.
6. Verklaring van de medeverdachte7
V: Ik specificeer het voor je: waar was je op vrijdag 30 januari 2026, tussen 21.00
uur en 22.00 uur?
A: Ik zou het niet weten.
V: Wat deed je bij het Shell tankstation aan [adres 3] in [plaats 1] ?
A: Sigaretten enzo.
V: Kan je nog iets meer vertellen over die avond bij de Shell toen je sigaretten ging
halen. Wat is het verhaal daarachter?
A: We gingen rijden. Hij zei tegen mij dat ik alleen hoefde te pinnen en paar dingen
bij de winkel moest halen. Ik vroeg waarom hij zelf niet ging. Hij zei ja ik heb
beetje problemen enzo ik hoef niet. Dus toen ging ik. Als ik het verhaal zo hoor met
de vragen heb ik een slecht gevoel over de pinpas. Hij gaf mij pinpas en pincode.
7. Proces-verbaal van de politie8
Op vrijdag 30 januari 2026, tussen 19.05 uur en 21.30 uur, vond er een bankhelpdeskfraude plaats aan [adres 2] in [plaats 1] . Hiervan deed het slachtoffer aangifte onder BVH-nummer [nummer] . Hierin verklaarde het slachtoffer dat er op de volgende momenten werd gepind bij de Shell aan [adres 3] in [plaats 1] :
- vrijdag 30 januari 2026, om 21.52 uur- 100 Euro en 50 eurocent;
- vrijdag 30 januari 2026, om 21.53 uur- 110 Euro;
- vrijdag 30 januari 2026, om 21.56 uur - 50 Euro.
Op dinsdag 3 februari 2026 om 15.42 uur, belde ik met de medewerker die op vrijdag 30
januari 2026 in het tankstation aanwezig was. Ik hoorde dat de vrouw het volgende verklaarde wat betreft die betreffende avond: Op vrijdag 30 januari 2026, omstreeks 21.50 uur, kwam er een man de winkel ingelopen. (…)
Ik gaf hem de bon en toen is hij weggegaan. Er stond nog een klant achter hem en die zei: "Volgens mij is hij zijn pinpas in het pinapparaat vergeten." Ik keek naar het pinapparaat en ik zag dat daar inderdaad een oranje ING-bankpas in zat. Ik keek naar het pinapparaat en ik zag dat daar inderdaad een oranje ING-bankpas in zat. Ik haalde die eruit en ik zag dat er een Hollandse naam op stond. Dit was voor mij de bevestiging dat het helemaal niet klopte.
8. Proces-verbaal van de politie9
Op vrijdag 6 maart 2026, omstreeks 14.50 uur, deed ik onderzoek naar de in beslaggenomen mobiele telefoon van [medeverdachte] .
Ik zag in de rapportage dat er een gesprek c.q. chat op social mediaplatform was opgestart tussen twee partijen. Ik zag dat het een chat betrof tussen de volgende gebruikersnamen met de volgende start- en eindtijd:
DEELNEMER 1 : " [gebruikersnaam 1] "
DEELNEMER 2: " [gebruikersnaam 2] "
Start time: 5-2-2026 09:28:53(UTC+0)
Last activity: 15-2-2026 17:32:14(UTC+0)
ACHTERGELATEN PINPAS BIJ DE SHELL [adres 3] IN [plaats 1]
Onder [proces-verbaalnummer 1] verklaarde de medewerker van de Shell die werkte ten tijde
van de transacties die gedaan werden met de gestolen pinpas van het slachtoffer, dat
er gevraagd werd naar "PaySafe-bonnen", zijnde tegoedbonnen. Tevens verklaarde deze medewerker dat [medeverdachte] de pinpas achterliet in het pinautomaat, waarna [medeverdachte]
de winkel zonder pinpas verliet.
Ik las in het Snapchat-gesprek tussen " [gebruikersnaam 1] " en " [gebruikersnaam 2] " dat op 14 februari 2026 het volgende besproken werd:
[gebruikersnaam 1] : Aii nee fucktup bro ik hoor je bro en Die doekoe van die bonnen daar die % nog van[gebruikersnaam 2] : We gaan bewegen op tempo donderdag vrijdag ben ik vrij
[gebruikersnaam 2] : Die laatste
[gebruikersnaam 2] : Toen we die pasje kwijt waren?
[gebruikersnaam 2] : Die bankoe?
[gebruikersnaam 1] : Jatoch die op mij was
[gebruikersnaam 1] : Afgelopen weken ben altijd actief geweest dat lag niet aan mij
[gebruikersnaam 2] : Bro die dokie is er toch lang niet
[gebruikersnaam 1] : Jatoch is goed
Ik las dat " [gebruikersnaam 1] ", zijnde [medeverdachte] in zijn gesprek met " [gebruikersnaam 2] " refereerde
naar een situatie waarbij hij sprak over "bonnen" in combinatie met het "kwijt zijn
van een pasje". In het verdachtenverhoor van [medeverdachte] verklaarde [medeverdachte] dat hij de persoon was die de pintransactie met de gestolen pinpas verricht had, vindbaar onder [proces-verbaalnummer 2] . Ik zag dat " [gebruikersnaam 2] " hierover sprak in het
Snapchat-gesprek naar [medeverdachte] . Hieruit kon ik met zekerheid aangrenzende
waarschijnlijkheid stellen dat '' [gebruikersnaam 2] " enige betrokkenheid had bij het netwerk, dan
wel organisatie die betrokkenheid had bij de oplichting die plaatsvond aan [adres 2]
in [plaats 1] , op 30 januari 2026.
9. Proces-verbaal van de politie10
Om de identiteit van de gebruiker achter het Snapchataccount " [gebruikersnaam 2] " te achterhalen
vorderde ik de historische internetgegevens met betrekking tot IP-adressen die
gebruikt werden bij het gebruik van het Snapchataccount.
Ik zag dat het andere IP-adressen die het meest gebruikt was in de periode tussen 30
januari 2026 en 19 februari 2026 [IP-adres] betrof. Ik zag in het resultaat van de
vordering dat dit IP-adres in totaal 381 keer gebruikt was.
Ik bevroeg de gebruikersgegevens van het IP-adres middels een vordering op grond van
artikel 126na Wetboek van Strafvordering, zijnde een CIOT-bevraging. Hieruit kwam het
volgende resultaat:
Voorletters: [voorletters] .
Achternaam: [achternaam]
Straat: [adres 1]
Postcode: [postcode]
Woonplaats: [woonplaats]
Op vrijdag 27 maart 2026, omstreeks 14.10 uur, deed ik onderzoek naar de
ingeschrevenen op [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] . Dit deed ik om
de identiteit van " [gebruikersnaam 2] ", dan wel " [gebruikersnaam 3] " te achterhalen. Ik bevroeg het adres in
politieregister Basis Registratie Personen (BRP) en zag dat er in de periode tussen
2019 en heden vijf personen ingeschreven waren op het adres. Ik zag dat onder andere de volgende persoon betrof:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998
10. Verklaring van de verdachte11
V: De IP-adressen van dit Snapchataccount straalden uit op jou adres. Wat kun je daarover zeggen?
A: Okay. Misschien vorige telefoon die ik had gehad. Ik heb nu een andere telefoon. Van dat [gebruikersnaam 2] account, daar was het wachtwoord van geblokkeerd. Daarna ben ik er nooit meer op geweest.
Bewijsmotivering
In het dossier bevinden zich meerdere aanwijzingen dat de verdachte te maken heeft gehad met meerdere diefstallen door middel van babbeltrucs. Met name het feit dat een snapchataccount van de verdachte, met gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] , in meerdere chats zit waarin gesproken wordt over de diefstallen duidt hierop. De verdachte heeft verklaard dat hij dit account in de relevante periode niet meer in gebruik had, maar het tegendeel blijkt uit het feit dat er in die periode honderden keren vanaf zijn IP-adres op dit account is ingelogd. Tot een bewezenverklaring voor alle in de tenlastelegging opgenomen diefstallen komt de rechtbank echter niet vanwege het gebrek aan overig wettig bewijs. Niet duidelijk is geworden of de verdachte in al die diefstallen een aandeel heeft gehad en welke rol dat was. Ten aanzien van de diefstal op 30 januari 2026 te [plaats 1] , met slachtoffer [slachtoffer 1] , is dat anders, nu de locatiegegevens van de iPhone van de verdachte aantonen dat hij ten tijde van het wegenemen van de pinpas uit de woning van het slachtoffer en tijdens de pintransacties met de pinpas van het slachtoffer in de nabije omgeving was. [medeverdachte] heeft toen de bankpas weggenomen en de betalingen verricht. Daarbij werd hij vervoerd en geïnstrueerd door een tweede persoon, zo volgt uit zijn verklaring. Gelet op het chatgesprek tussen de verdachte en [medeverdachte] en de locatiegegevens van de telefoon van de verdachte, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte deze persoon is geweest en dus betrokken was bij deze diefstal.
Wegneming
De verdediging heeft bepleit dat de handelingen in de woning van aangever waarbij de bankpas met bijbehorende pincode werd meegenomen, niet kunnen worden aangemerkt als wegnemingshandelingen. Er is dan ook geen sprake van diefstal, maar hooguit van oplichting: de aangever werd immers door het aannemen van een valse hoedanigheid bewogen de bankpas af te geven en gaf zelfs de bijbehorende code. Voor het wegnemen werd dus als het ware toestemming verleend, hetgeen typerend is voor oplichting, welk delict niet ten laste is gelegd.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de verdachte (en zijn medeverdachte) het slachtoffer opzettelijk hebben misleid door zich voor te doen als (bank)medewerker. Deze misleiding was gericht op het winnen van vertrouwen van het slachtoffer, het binnenkomen van de woning, het verkrijgen van toegang tot de bankrekening en het in bezit krijgen van waardevolle goederen. In dat kader is het slachtoffer bewogen tot het afstaan van de bankpas en pincode. Vervolgens is echter, zonder dat daarvoor expliciete toestemming was verleend en zonder dat de bankpas door slachtoffer [slachtoffer 1] werd overhandigd, de bankpas door de verdachte feitelijk weggenomen. [slachtoffer 1] heeft immers verklaard: “Hij pakte de envelop en keek er in om te bekijken of mijn bankpas erin zat. Hierna liep de man gelijk naar mijn voordeur en verliet mijn woning.” Deze onttrekking aan de beschikkingsmacht van de rechthebbende wordt gekwalificeerd als het wegnemen. Het ten laste gelegde kan bewezen verklaard worden.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 30 januari 2026 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meerdere geldbedragen en een bankpas met bijbehorende pincode die aan [slachtoffer 1] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte of zijn mededaders toebehoorden heeftweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, door- telefonisch contact op te nemen met voornoemde personen,- voornoemde persoon te waarschuwen voor virussen op de bankrekening of verdachte situaties,
- voornoemde persoon te vragen naar de pincode en waardevolle goederen,- voornoemde personen mede te delen dat er een collega langskomt om waardevolle goederen veilig te stellen en bankpassen op te halen,- bij de woning van voornoemde personen langs te gaan en de bankpas weg te nemen,- onbevoegd gebruik te maken van de bankpas en pincode en- meerdere malen, met de bankpas geld op te nemen en betalingen te verrichten.
Feit 2
hij op 15 april 2026 te Hoogvliet Rotterdam, een onderdeel van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn, zijnde een onderdeel/hulpstuk dat van wezenlijke aard en specifiek bestemd is voor een pistool/vuurwapen van het merk Glock, alle modellen, in het kaliber 9x19 mm en munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie II onder 4º te weten 6 kogelpatronen van het kaliber 9x17 mm (380Auto) en munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 27 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en 16 Geco kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm voorhanden heeft gehad.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels
Feit 2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij een veroordeling om een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met eventueel een voorwaardelijk deel, gelet op het feit dat de verdachte first offender is en zijn leven op orde heeft. Een gevangenisstraf zal alleen maar schade aanrichten en is niet passend.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van een babbeltruc, in dit geval zogeheten (bank)helpdeskfraude. De babbeltruc die de verdachte gebruikte, is een steeds vaker ingezette en lucratieve methode om op onbeschaamde wijze geld af te troggelen, vaak van kwetsbare mensen, zoals ook in deze zaak het geval was. Van het slachtoffer is op geraffineerde en slinkse wijze de bankpas bemachtigd. Met de weggenomen bankpas is vervolgens gepind en zijn er betalingen verricht. Het slachtoffer was ten tijde van het feit 85 jaar oud en behoort tot een zeer kwetsbare groep mensen die in toenemende mate afhankelijk is van hun medemensen. De verdachte heeft daar op laffe en slinkse wijze misbruik van gemaakt en het vertrouwen in het maatschappelijk verkeer daarmee gekrenkt. Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, veel overlast en gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Daarnaast leiden dergelijke feiten tot maatschappelijke onrust. Niet alleen onder ouderen in het algemeen, maar bij de betrokken slachtoffers en hun naasten in het bijzonder. De verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin en zich niet bekommerd om het slachtoffer. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Daarnaast heeft de verdachte een patroonmagazijn en verschillende soorten munitie voorhanden gehad. Vuurwapens en onderdelen daarvan worden gebruikt voor het plegen van zeer ernstige strafbare feiten en maken veel slachtoffers. Zij vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen in de samenleving en zorgen voor gevoelens van angst. Het in de maatschappij brengen van dit soort wapens en munitie is dan ook gevaarlijk en heel onwenselijk.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
Uit het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 19 juni 2026 blijkt dat de verdachte zijn leven op orde heeft en er geen begeleiding of interventie noodzakelijk is. De reclassering merkt wel op dat er zorgen bestaan over het morele kompas, het empathisch vermogen of de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte, nu hij doelbewust een kwetsbare oudere tot slachtoffer heeft gemaakt. Hiermee heeft hij een morele grens overschreden. Omdat er echter geen problemen zijn op leefgebieden en er geen risicofactoren gezien worden die de kans op herhaling vergroten, adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor de diefstal wordt aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor “insluiping woning”. De verdachte heeft 16 dagen in voorarrest doorgebracht. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het niet wenselijk is dat de verdachte - voor een relatief korte periode – terug moet naar de gevangenis. Wel dient een stevige straf te volgen in reactie op het handelen van de verdachte. Daarom wordt een forse taakstraf van 180 uren opgelegd. Daarnaast wordt een gevangenisstraf van 90 dagen opgelegd, waarvan 74 dagen voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De overige 74 dagen blijven twee jaar boven het hoofd van de verdachte hangen, om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. In lijn met het advies van de reclassering ziet de rechtbank geen reden om bijzondere voorwaarden op te leggen.
5 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer 1]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 820,50 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze kosten zien op “veiligheid huis” en een bedrag van € 260,50 dat is gepind door de verdachte met de pinpas van de benadeelde partij.
Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 260,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige deel van de vordering is niet onderbouwd. In dit deel van de vordering kan de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit, namelijk het gepinde bedrag van € 260,50. Het overige deel van de vordering is niet nader onderbouwd. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering wordt tot een bedrag van € 260,50 toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 260,50 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 30 januari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat van de gevangenisstraf 74 (vierenzeventig) dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan [benadeelde partij] (feit 1), te betalen een bedrag van € 260,50, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 januari 2026 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de staat € 260,50 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 augustus 2026.
Mrs. Esser en Hoebe zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.