ECLI:NL:RBROT:2025:15804

Datum uitspraak
02-09-2025
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/10/702105 / FA RK 25-4844
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek tot vaststelling van een zorgregeling. In geschil is of de veiligheid van de minderjarige voldoende is gegarandeerd en wat er moet gebeuren.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/702105 / FA RK 25-4844

Beschikking van 2 september 2025 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.A. Hoste te Den Haag,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. B. van der Wolf te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 26 juni 2025 na verwijzing vanuit de rechtbank Midden-Nederland;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 augustus 2025;

  • het bericht met bijlage van de man van 10 augustus 2025;

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de vrouw, bijgestaan door mr. Dierkx als waarnemer voor mr. Van der Wolf;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortdatum] 2023 te [geboorteplaats] .

2.2.

De man heeft de minderjarige erkend.

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

3 De beoordeling

3.1.

Zorgregeling

3.1.1.

De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, die inhoudt dat de minderjarige bij de man verblijft als volgt:

  • de ene week van vrijdag 18.00 uur tot dinsdag 18.00 uur;

  • de andere week van zondag 18.00 uur tot dinsdag 18.00 uur;

  • waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige bij de vrouw brengt.

Daarnaast verzoekt de man vaststelling van een verdeling van de vakantie- en feestdagen bij helfte vast te stellen.

3.1.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat een raadsonderzoek wordt gelast over de omgang tussen de minderjarige en de man.

3.1.3.

Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.1.4.

Vaststaat dat partijen kortstondig hebben samengewoond en de man en de minderjarige tot maart 2025 contact met elkaar hebben gehad bij de moeder van de vrouw thuis. Partijen spraken in onderling overleg af wanneer dat kon door elkaar te appen. De frequentie van het contact wisselde; soms was het twee keer per week en soms pas weer na een paar weken. Er zat dus weinig structuur in de zorgcontacten.

3.1.5.

In maart 2025 is het contact tussen de man en de minderjarige gestopt. Desgevraagd heeft de vrouw verklaard dat de man zich via Whatapp denigrerend tegen de vrouw uitliet, dat zij de man vervolgens heeft bericht dat haar telefoonnummer niet meer bereikbaar voor hem is en hij haar zus moest benaderen voor contact met de minderjarige. Volgens de vrouw heeft de man niets meer van zich laten horen en is dat de praktische reden dat er geen contact meer is geweest. Daarbij speelt ook dat de vrouw bang is voor de man en bezorgd is over de veiligheid van de minderjarige bij de man.

3.1.6.

Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling wordt duidelijk dat de kern van het geschil is of de veiligheid van de minderjarige in een zorgregeling tussen de man en de minderjarige voldoende gewaarborgd is.

3.1.7.

De man stelt dat er geen contra-indicaties zijn voor toewijzing van zijn verzoek.

3.1.8.

De vrouw meent dat er eerst zicht moet komen op de agressieproblematiek en het drugsgebruik van de man. De vrouw heeft de door haar, in het kader van haar betwisting, gestelde zorgen onderbouwd met de volgende stukken:

  • een verslag van de kraamzorg van 23 april 2023 en 24 april 2023, waarin is vastgelegd dat partijen flink ruzie hebben gehad en dat de man spoorloos is;

  • een melding van de politie van 16 juli 2023, waarin staat dat de vrouw heeft gemeld dat partijen ruzie hebben gehad, de man agressief is geworden en haar met de minderjarige, toen een baby van drie maanden, zonder spullen uit huis heeft gezet;

  • kopieën van Whatsappgesprekken tussen partijen waaruit blijkt dat de man fors denigrerende, dwingende en dreigende berichten schrijft naar de vrouw;

  • een uittreksel van het strafblad van de man, waaruit onder meer blijkt dat de man in de periode 2011-2021 is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, huiselijk geweld, mishandeling en diefstal, overige vernielingen en overige mishandeling;

  • twee beschikkingen en het raadrapport in de omgangsprocedure tussen de man en zijn ex-partner [persoon B] ;

  • foto’s van letsel aan de lip van een ex-partner van de man;

  • foto’s waaruit blijkt dat de man voor de deur van de vrouw heeft gestaan;

  • een foto van de minderjarige bij de man terwijl daar cannabis op de tafel ligt;

  • een melding van Kwadraad bij Veilig Thuis van 18 juni 2024, waarin een incident wordt beschreven waarbij de man de minderjarige uit de handen van de vrouw heeft gepakt, de vrouw bij haar keel heeft gegrepen, op de grond heeft gegooid en een kopstoot heeft gegeven en de minderjarige een tik heeft gegeven;

  • een verwijsbrief naar traumatherapie voor de vrouw en de andere zoon van de vrouw, volgens de vrouw naar aanleiding van de ruzies en incidenten tussen haar en de man.

3.1.9.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij zich grote zorgen maakt over de veiligheid van de minderjarige en dat die zorg, zoals blijkt uit de door haar overgelegde stukken, ook gerechtvaardigd is. Alhoewel voor de rechtbank duidelijk is dat de zorgen bij de vrouw groot zijn en dat haar vertrouwen in de man een behoorlijke deuk heeft opgelopen, is op basis van bovengenoemde stukken voor de rechtbank niet objectief vast te stellen dat er bij de man nog steeds sprake is van agressieregulatieproblematiek en middelengebruik. De man heeft erkend dat hij in het verleden fouten heeft gemaakt, maar hij heeft ontkend dat de gestelde problematiek nog speelt en in de weg staat aan contact met de minderjarige. De man heeft toegelicht dat hij zijn behandeltraject bij de Waag succesvol heeft afgerond, zijn werk en woning op orde heeft en bovendien werkt met kwetsbare kinderen waarvoor hij een Verklaring Omtrent het Gedrag heeft gekregen. Tegelijkertijd constateert de rechtbank dat de man niet heeft onderbouwd welke positieve ontwikkeling hij heeft doorgemaakt en dat hij de eerdere problematiek nu onder controle heeft. Om alle zorgen weg te kunnen nemen en de vrouw vertrouwen te kunnen geven, had de man bijvoorbeeld een verklaring van de Waag over het verloop en de uitkomst van zijn behandeltraject, zijn Verklaring Omtrent het Gedrag en een verklaring van zijn werkgever kunnen overleggen, maar dat is niet gebeurd.

3.1.10.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen recente stukken heeft die kunnen bevestigen of ontkrachten dat de zorgen van de vrouw actueel zijn. Daarvoor hebben beide partijen hun stellingen onvoldoende onderbouwd.

3.1.11.

Tegen deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man op dit moment niet kan worden toegewezen. Voor het vaststellen van een onbegeleide zorgregeling zoals de man verzoekt, moet er geen enkele twijfel over bestaan dat de veiligheid van de minderjarige is gegarandeerd. Die twijfel heeft de man gelet ook op de ernst van de door de vrouw vermelde voorbeelden met zijn stellingen over bijvoorbeeld zijn behandeltraject en zijn werk met kwetsbare jonge kinderen wel deels verminderd bij de rechtbank, maar vooralsnog niet voldoende weggenomen – ook niet bij de vrouw.

3.1.12.

Tegelijkertijd volgt de rechtbank het standpunt van de vrouw dat een raadsonderzoek moet uitwijzen wat er moet gebeuren, ook niet. In eerste instantie rust op degene die zich op een rechtsgevolg beroept de stelplicht. Het is niet aan de raad om een tekortkoming aan de invulling van die stelplicht op te vangen. Daarbij komt dat de rechtbank de redenering van de vrouw dat een raadsonderzoek mogelijk uitwijst dat het opstarten van begeleide omgang niet in het belang van de minderjarige is, ongefundeerd en voorbarig acht. Als er sprake is van begeleide omgang dan zal immers bij het omgangshuis een professionele setting worden gecreëerd waarbij zowel de veiligheid van de minderjarige als het fundamentele recht van een ouder en kind op contact met elkaar worden gewaarborgd. De vrouw heeft niet concreet of aannemelijk gemaakt dat begeleide omgang niet in het belang van de minderjarige zou kunnen zijn. Hieruit volgt dat de rechtbank geen aanleiding heeft om te veronderstellen dat zelfs begeleide omgang niet tot de mogelijkheden behoort. Verder weegt de rechtbank mee dat als een raadsonderzoek wordt verricht, mogelijk pas over een jaar duidelijkheid wordt verkregen en al die tijd geen contactherstel is geweest, terwijl die duidelijkheid en contactherstel bij het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding eerder en tegelijkertijd kunnen worden bewerkstelligd. Bovendien is het de inschatting van de rechtbank dat een goed verloop van begeleide omgang kan bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de vrouw in de man, wat gelet op haar onderbouwde zorgen nodig is.

3.1.13.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank bepaalt dat partijen verplicht deelnemen aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding, zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen zullen ontvangen, welk traject gelet op het feit dat zicht op de situatie ontbreekt ook door de raad wordt geadviseerd. Dit proces-verbaal wordt nog verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie nadat partijen de rechtbank hun contactgegevens (telefoonnummer en e-mailadres) hebben gegeven. De rechtbank zal ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt.

3.1.14.

De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde manier.

3.1.15.

De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.

3.1.16.

Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.

3.1.17.

Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of (alsnog) een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.

3.1.18.

Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.

3.1.19.

Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.

3.1.20.

Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:

  • Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de minderjarige?

  • Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?

3.1.21.

Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.

3.2.

Proceskosten

3.2.1.

Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

stelt vast dat partijen, te weten:

[naam man] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

en

[naam vrouw] ,

wonende op een GEHEIM ADRES;

nadat partijen de rechtbank binnen één week na de datum van deze beschikking hun contactgegevens (telefoonnummer en e-mailadres) hebben verstrekt bij proces-verbaal van doorverwijzing worden verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

4.2.

bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject zullen bewerkstelligen dat de omgang/het contact tussen de man en de minderjarige wordt hersteld en dat zij afspraken zullen maken aan de hand waarvan de minderjarige onbelast contact/omgang kan hebben met beide partijen;

4.3.

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:

Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond

t.a.v. het routeringspunt

Dynamostraat 16, 3083 AK Rotterdam

e-mailadres: zorgbemiddeling@jbrr.nl;

4.4.

bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;

4.5.

beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;

4.6.

verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;

4.7.

verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:

- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;

- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en

- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en

- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,

met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;

4.8.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.9.

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan tot 1 juni 2026 PRO FORMA.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 2 september 2025.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »