RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familie en Jeugd
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.296885.24 (P)
Datum vonnis: 8 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
Korte uitleg van het vonnis
Op de terechtzitting
De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte] ) opgeroepen om op 24 september 2026 voor de rechtbank te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. In de dagvaarding staat de tenlastelegging. In de tenlastelegging staat de beschuldiging, een beschrijving van het strafbare feit dat [verdachte] zou hebben gepleegd.
Op 24 september 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en haar raadsvrouw
mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldiging vinden. De rechtbank heeft daar naar geluisterd.
Ook heeft de rechtbank op die zitting kennis genomen van de door de aangever/benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) voorgedragen slachtofferverklaring en hetgeen door de benadeelde partij is aangevoerd.
De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldiging vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft. De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat de beschuldiging kan worden bewezen.
[verdachte] heeft samen met twee andere personen en onder dreiging met geweld [slachtoffer] gedwongen om spullen af te geven. Zij krijgt daarom een leerstraf en een voorwaardelijke werkstraf. De rechtbank zal daarbij bijzondere voorwaarden opleggen. Dit betekent dat [verdachte] de werkstraf nu niet hoeft uit te voeren, op voorwaarde dat zij binnen twee jaren niet weer een strafbaar feit pleegt en dat zij goed meewerkt met de jeugdreclassering en de hulpverlenging. De leerstraf moet [verdachte] wel nu uitvoeren. Ook moet zij schadevergoeding betalen aan [slachtoffer] .
1 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :
al dan niet samen met een ander of anderen, (onder bedreiging) met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het afgeven van goederen (primair) dan wel (onder bedreiging) met geweld goederen van [slachtoffer] heeft gestolen (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat:
zij op of omstreeks 14 september 2024 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] hebben gedwongen tot de afgifte van shag, wiet en/of vloei, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze niet alleen zijn en/of dat ze mensen in [plaats 1] kennen en/of dat ze een mes en een pistool op zak hebben, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of- een mes en/of priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 14 september 2024 te Enschede, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, shag, wiet en/of vloei, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze niet alleen zijn en/of dat ze mensen in [plaats 1] kennen en/of dat ze een mes en een pistool op zak hebben, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of- een mes en/of priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen.
2 De bewijsoverwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw vindt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
Voor de leesbaarheid van het vonnis worden de medeverdachten [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) en aangever [slachtoffer] hierna met hun voornaam aangeduid.
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het behandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
[verdachte] heeft [slachtoffer] benaderd via een Snapchat-account onder de valse naam ‘ [bijnaam 1] ’. Zij heeft een afspraak met hem gemaakt om elkaar op zaterdag 14 september 2024 in [plaats 1] bij het station te ontmoeten. Een dag voor de ontmoeting, op 13 september 2024, heeft [medeverdachte 1] berichten gestuurd naar [medeverdachte 2] met de woorden "ik ga straks nog em na die [slachtoffer] " en "haha em hem pakken". De volgende ochtend zei [medeverdachte 1] dat hij [slachtoffer] in een ‘setup’ wilde gooien. Later die dag heeft [verdachte] [slachtoffer] opgepikt en meegenomen naar een schoolgebouw aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook bleken te zijn. Ondertussen werden vanaf het telefoontoestel van [medeverdachte 1] berichten gestuurd naar de telefoon van [verdachte] met de teksten: "Schatje loop zo deze kant beetje op oke ik en broer wachten hier.", “Kom hier." "Nu.", "Wij wachter achter die school.", "Kom hier heen want dan kan die sws ni weg.”, "Top." "Waar ben je nu.". Bij het schoolgebouw kwamen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] direct naar [slachtoffer] toe en vroegen zij om geld. [medeverdachte 1] had een (soort) priem bij zich en liet die aan [slachtoffer] zien. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben onder meer tegen [slachtoffer] gezegd dat zij niet alleen waren, dat zij mensen in [plaats 1] kennen, dat zij een mes en een pistool op zak hadden. Ook hebben zij in de buiktas van [slachtoffer] gekeken. [slachtoffer] heeft daarop, uit angst en onder dreiging van geweld, zijn shag, wiet en vloei aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gegeven. [verdachte] heeft ook in de buiktas van [slachtoffer] gekeken en zij zei dat zij de Clipper aansteker uit die tas wilde hebben. Hierop heeft [slachtoffer] , nog altijd onder invloed van de dreigende setting, zijn aansteker aan haar gegeven. [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn na het incident samen weggegaan en [medeverdachte 2] heeft de priem verstopt. Kort na het incident werden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door de politie aangehouden. Bij [medeverdachte 1] werden de wiet en shag van [slachtoffer] aangetroffen. [verdachte] was in het bezit van de aansteker van [slachtoffer] .
Verklaring van [verdachte]
heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaringen afgelegd. In de kern komt haar verklaring erop neer dat zij volledig onder druk van [medeverdachte 1] heeft gehandeld en dat zij bij het schoolgebouw op een afstand is gebleven van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [slachtoffer] . [verdachte] ontkent dat zij een actieve rol heeft gespeeld tijdens de beroving en dus ook dat zij in de tas van [slachtoffer] heeft gekeken en de aansteker van [slachtoffer] heeft gekregen.
De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] . De verklaring is vrijwel direct na de gebeurtenissen afgelegd, waarbij ook de emoties die het voorval bij [slachtoffer] teweeg hebben gebracht duidelijk zijn waargenomen. Bovendien vindt de aangifte van [slachtoffer] ten aanzien van de handelingen die zijn gepleegd, de daarbij gebruikte bewoordingen, de betrokkenheid van [verdachte] en het feit dat [slachtoffer] goederen heeft afgegeven, steun in de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] .
De rechtbank overweegt daarbij dat er weliswaar verschillen zijn in de verklaringen die [verdachte] heeft afgelegd, maar in de kern ondersteunen die verklaringen op cruciale onderdelen de verklaring van [slachtoffer] over de feitelijke gang van zaken en in zoverre ook de geloofwaardigheid daarvan. De rechtbank zal die verklaring dan ook voor het bewijs gebruiken.
Ten aanzien van vermeend door [medeverdachte 1] uitgeoefende druk overweegt de rechtbank dat de verklaring van [verdachte] hierover volledig op zichzelf staat. De overige stukken in het dossier geven nu juist het beeld dat [verdachte] als volwaardig deelnemer meedeed met de geplande beroving. Zelfs als [verdachte] ondertussen enige druk ervaarde, geldt naar objectieve maatstaven dat zij zich daaraan had kunnen en moeten onttrekken. [verdachte] had immers al vóór de beroving, op het moment dat ze wist dat ze [slachtoffer] zou ophalen met het doel om hem in de val te lokken, de politie of haar vader kunnen waarschuwen. Ook daarna, toen ze [slachtoffer] ophaalde en met hem samen was, had ze [slachtoffer] kunnen waarschuwen. Door dit niet te doen, kan zij niet achteraf zich met succes beroepen op mogelijk door haar ervaren druk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] verwijtbaar gehandeld.
Overweging van de rechtbank
Op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde goederen door [slachtoffer] zijn afgegeven, dat daarbij de in de tenlastelegging genoemde woorden zijn gebruikt en dat ook de genoemde priem is gebruikt om dit mogelijk te maken. Uit de verklaring van [verdachte] dat sprake was van een ‘setup’, leidt de rechtbank af dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vooraf wisten dat mogelijk geweld zou worden gebruikt bij de ontmoeting. [verdachte] was daardoor op de hoogte van de aard en bedoeling van de ontmoeting. Zij heeft vervolgens een cruciale rol gespeeld in de totstandkoming van de ‘setup’ en zij heeft daadwerkelijk deelgenomen aan de beroving. Hieruit leidt de rechtbank af dat zij opzet had op de beroving.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijk plan en een gezamenlijke uitvoering van de afpersing. [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren in elkaars nabijheid voorafgaand, gedurende en na het incident, in de volle wetenschap van wat hun bedoeling was, namelijk spullen afhandig maken van [slachtoffer] . [verdachte] heeft bovendien samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een actief aandeel gehad in de afpersing. Geen van hen heeft zich op enig moment gedistantieerd of geprobeerd de ander tegen te houden. Ook waren zij na het incident in het bezit van de buit. Door betrokken te zijn en te blijven, is naar het oordeel van de rechtbank de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. Dat mogelijk niet alle afpersingshandelingen door [verdachte] zelf zijn begaan, is niet vereist om tot een bewezenverklaring te komen.
De bewezenverklaring
De rechtbank vindt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, namelijk:
primair
zij op of omstreeks 14 september 2024 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van shag, wiet en vloei, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze niet alleen zijn en/of dat ze mensen in [plaats 1] kennen en/of dat ze een mes en een pistool op zak hebben, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of- een mes en/of priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen.
De rechtbank vindt niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij [verdachte] daarvan zal vrijspreken.
3 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
4 De strafbaarheid van [verdachte]
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
5 De motivering van de straf en/of de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een taakstraf, te weten de leerstraf So Cool Verlengd, voor de duur van 50 uur, te vervangen door 25 dagen jeugddetentie als de taakstraf niet (naar behoren) wordt uitgevoerd. Verder heeft officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een voorwaardelijke taakstraf (werkstraf) voor de duur van 20 uur, met aftrek, eventueel te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vindt de officier van justitie dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden moeten worden gekoppeld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring rekening dient te worden gehouden met de druk die is uitgeoefend en de kwetsbaarheid van [verdachte] . De door de Raad geadviseerde straffen acht zij een passend, echter met een proeftijd van één jaar.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank een aantal punten mee: het soort feit dat is gepleegd, hoe zwaar dat feit is, hoe het is gebeurd, wat voor persoon [verdachte] is. De rechtbank kijkt daarbij naar het dossier en wat er tijdens de behandeling op de zitting naar voren is gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het gepleegde feit
[verdachte] heeft zich als mededader schuldig gemaakt aan afpersing waarbij zij het slachtoffer heeft misleid om naar een stille locatie te komen waar hij volledig was overgeleverd aan zijn berovers. Het slachtoffer was zich niet van bewust van deze ‘setup’. Onder dreiging van geweld heeft het slachtoffer spullen moeten afgeven, waarbij zelfs een priem werd getoond. Dit moet zeer beangstigend zijn geweest. [verdachte] en ook haar mededaders hebben geen respect getoond voor de geestelijke integriteit en het persoonlijke eigendom van het slachtoffer. Slachtoffers van feiten als deze gaan vaak nog lang gebukt onder de (psychische) gevolgen daarvan, wat in deze zaak ook blijkt uit de door het slachtoffer, een kwetsbare jongen, ter terechtzitting afgelegde verklaring en het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank rekent dit alles ook [verdachte] zwaar aan.
De persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 21 juli 2026. Hierin staat dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank het rapport van de Raad van 27 juli 2026 gelezen. De rechtbank heeft geluisterd naar wat de vertegenwoordigers van de Raad en de Jeugdreclassering tijdens de zitting hebben gezegd en de uitleg die zij hebben gegeven over het rapport. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] over zichzelf heeft verteld en wat haar vader over haar heeft verteld.
In het rapport van de Raad staat onder meer beschreven, zakelijk weergegeven, dat [verdachte] kwetsbaar is en dat sprake is van een belast verleden. Zij heeft veel traumatische gebeurtenissen meegemaakt, die nog steeds invloed hebben op haar functioneren. Uit onderzoek van Ambiq kwam naar voren dat [verdachte] een IQ tussen de 75 en 87 heeft en er is trauma vastgesteld. Deze factoren maken dat zij kwetsbaar is in sociale situaties en gevoeliger is voor beïnvloeding door anderen. In contact met anderen en instanties wordt gezien dat [verdachte] verbaal heftig kan reageren wanneer zij zich onbegrepen voelt. Haar emoties worden getriggerd wanneer ze het ergens niet mee eens is. Deze reactie lijkt voort te komen uit onderliggend trauma en niet uit onwil of gebrek aan respect voor anderen. Ook heeft [verdachte] een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Dit komt tot uiting in situaties waarin zij opkomt voor anderen, zoals docenten. Hoewel haar intenties daarbij positief zijn, kiest [verdachte] niet de juiste manieren, waardoor er juist conflicten kunnen ontstaan. De Raad maakt zich zorgen om [verdachte] , met name ten aanzien van een beter passende woonplek (zelfstandig, maar tegelijkertijd ook zicht, nabijheid en betrokkenheid), werk/dagbesteding en inzet van passende hulpverlening (traumatherapie en behandeling). Daarbij komt dat [verdachte] in februari 2027 de leeftijd van achttien jaar bereikt, waardoor het van belang is dat tijdige afstemming en voorbereiding op deze overgang noodzakelijk zijn. Ten aanzien de op te leggen straf wordt een onvoorwaardelijke straf passend geacht, waarbij [verdachte] haar oplossingsgerichte vaardigheden kan versterken. De leerstraf So Cool Verlengd (50 uur) kan bijdragen aan het vergroten van inzicht in eigen gedrag, het herkennen van spanningen en triggers, het versterken van emotieregulatie en het ontwikkelen van passende manieren om te kunnen reageren. Naast een onvoorwaardelijke straf is een voorwaardelijke werkstraf van meerwaarde voor [verdachte] , met voorwaarden waarop de jeugdreclassering toezicht houdt. [verdachte] heeft het nodig dat een jeugdreclasseerder een langere periode betrokken blijft voor het aanbrengen en vasthouden van positieve veranderingen in haar leven. Dit zal ook nodig zijn op het gebied van passende behandeling, waarbij aandacht uitgaat naar traumatherapie, emotieregulatie en het versterken van de aanwezige beschermende factoren. Daarnaast kan de jeugdreclassering ondersteuning bieden bij het vinden en behouden van passende dagbesteding, zodat [verdachte] meer invulling van de dag, structuur en succeservaringen kan opdoen. Ook kan de jeugdreclassering [verdachte] helpen om de vertaalslag vanuit de leerstraf naar de praktijk te maken. [verdachte] heeft hier herhaling, uitleg en praktische ondersteuning bij nodig. Een voorwaardelijke straf in de vorm van jeugddetentie kan gezien de ernst van het delict passend zijn, maar is voor [verdachte] niet voor de hand liggend gezien haar kwetsbaarheid en belaste verleden. Bovendien komt [verdachte] voor het eerst in aanraking met politie. Een voorwaardelijke jeugddetentie zal niet bijdragen aan het verminderen van de kans op herhaling van delictgedrag. [verdachte] heeft juist baat bij passende hulpverlening, het aanleren van vaardigheden en intensieve begeleiding. Indien de rechtbank van oordeel is dat meer straf nodig is, dan kan dit in de vorm van een onvoorwaardelijke werkstraf. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van de leerstraf So Cool Verlengd en daarnaast een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd en een proeftijd van twee jaren.
Ter terechtzitting heeft deskundige [naam 1] namens de Raad een toelichting op het rapport gegeven en het advies gehandhaafd. Aanvullend heeft de deskundige onder meer verklaard dat de geadviseerde duur van de proeftijd passend is bij de nog in te zetten interventies. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de begeleiding door de jeugdreclassering eerder worden beëindigd.
Ter terechtzitting heeft [naam 2], namens de Jeugdreclassering, onder meer verklaard dat [verdachte] niet zelf aangeeft dat zij hulpvragen heeft. Er wordt nog onderzoek gedaan naar welke behandeling passend is voor [verdachte] en bij welke aanbieder. Op korte termijn vindt hierover een groot overleg plaats. Het is op dit moment onbekend wanneer met een behandeling gestart kan worden. In overleg met [instelling] zal gekeken worden of [verdachte] daar ook nog kan verblijven als zij achttien jaar wordt. Zolang de Jeugdreclassering betrokken is, kan het verblijf daar ook verlengd worden vanuit de Jeugdwet. Het verblijf in een zorginstelling kan vallen onder de geadviseerde voorwaarde dat [verdachte] meewerkt aan door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering noodzakelijk geachte ondersteuning of verwijzing naar andere hulpverleningsinstanties. De onderbouwing van de geadviseerde duur van de proeftijd is begrijpelijk, maar fors gelet op het intensieve traject dat [verdachte] positief heeft doorlopen gedurende de schorsingsperiode. In het civiele kader loopt er ook veel rondom [verdachte] . De jeugdreclassering pleit daarom voor een proeftijd van één jaar.
De strafoplegging
Omdat [verdachte] minderjarig is, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening gehouden met het advies van de Raad en de ter terechtzitting gegeven adviezen. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht Jeugd (LOVS) en de straf die in soortgelijke zaken door andere rechters wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel oplegging van een forse straf passend is, gelet op de ernst van het strafbare feit dat [verdachte] heeft gepleegd. Maar gelet op haar persoon is vooral hulpverlening nodig die bijdraagt aan haar ontwikkeling. [verdachte] heeft langdurig toezicht en begeleiding nodig om de ingezette positieve lijn voort te zetten zodat zij niet weer in de fout gaat. Een deel van de straf zal daarom voorwaardelijk worden opgelegd, met daarbij de door de Raad geformuleerde bijzondere voorwaarden. Gelet op de nog in te zetten interventies verbindt de rechtbank daar de door Raad geadviseerde proeftijd van twee jaren aan.
[verdachte] heeft haar betrokkenheid bij het feit kleiner gemaakt dan die rol is. Daarmee heeft [verdachte] onvoldoende verantwoordelijkheid genomen voor haar handelen. De rechtbank vindt dit zorgelijk. Wel heeft zij spijt betuigd en ter zitting haar excuses gemaakt aan [slachtoffer] . Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank ook rekening met het aanzienlijke tijdsverloop sinds het begaan van het feit, waardoor [verdachte] lange tijd in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afdoening van de strafzaak. Ook houdt de rechtbank rekening met het strakke toezichtkader waarin [verdachte] tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is begeleid en waarin zij goed heeft meegewerkt, en ten slotte met haar jeugdige leeftijd.
De rechtbank zal aan [verdachte] opleggen een straf zoals door de officier van justitie is geëist, te weten de leerstraf So Cool Verlengd voor de duur van 50 uur en daarnaast een voorwaardelijke werkstraf van 20 uur met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest. Dit betekent dat [verdachte] de werkstraf nu niet hoeft te verrichten als ze zich aan de voorwaarden houdt. Als [verdachte] tijdens de proeftijd een strafbaar feit pleegt of zich niet houdt aan een van de andere voorwaarden, moet zij alsnog de werkstraf uitvoeren. De leerstraf So Cool Verlengd is onvoorwaardelijk, wat betekent dat [verdachte] die nu wel moet uitvoeren.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6 De schade van de benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Hij vordert [verdachte] te veroordelen om € 850,00 aan schadevergoeding te betalen. De schade bestaat uit immateriële schade (zoals pijn of verdriet), met daarbij de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Ook wil [slachtoffer] dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de gevorderde immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering omdat de opgevoerde psychische schade onvoldoende is komen vast te staan. Ook is niet komen vast te staan
dat de aard en ernst van de normschending de afwezigheid van een nadere onderbouwing kan
rechtvaardigen. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost
alsnog nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank stelt voorop dat de benadeelde partij heeft gesteld dat de psychiater een lichte PTSS heeft vastgesteld, maar dat de benadeelde partij het medisch dossier niet wenst te delen. Het betreft in dit geval echter een ernstig feit, namelijk afpersing van een kwetsbaar slachtoffer, waarvan de kwetsbaarheid bekend was bij verdachten, en waarbij een priem als wapen is gebruikt en met de aanwezigheid van een pistool is gedreigd. Met name door de kwetsbaarheid van het slachtoffer is hij nog steeds doodsbang voor verdachten, gaat hij niet zorgeloos over straat en heeft hij ook ruim een jaar na de feiten nog steeds nachtmerries.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gelet op bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij en de officier van justitie hebben gevraagd om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
De rechtbank zal deze maatregel opleggen, omdat [verdachte] tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
De rechtbank bepaalt het aantal dagen gijzeling op nul als [verdachte] niet voldoet aan haar verplichtingen vanuit de op te leggen schadevergoedingsmaatregel. Dit heeft te maken met de leeftijd van [verdachte] .
7 De toegepaste wettelijke voorschriften
8 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren;
- beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de in verzekering doorgebrachte dagen twee uren per dag aftrek plaatsvindt;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;
- bepaalt dat deze taakstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de volgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:
-
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
-
zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op de door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en haar medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
-
meewerkt aan door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en
Jeugdreclassering ( WSSJB&JR) noodzakelijk geachte ondersteuning of verwijzing naar andere hulpverleningsinstanties, die gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht om de kans op herhaling te verkleinen;
deelneemt aan een zinvolle dagbesteding zoals school, stage of werk, waarbij de jeugdreclassering bepaald wat zinvol is;
- draagt aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert (AST094), met als verantwoordelijke gemeente Enschede, op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit de leerstraf (So Cool Verlengd) van 50 (vijftig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen;
de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 850,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat géén gijzeling kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van vandaag;
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Mos, voorzitter, ook kinderrechter,
mr. B.T.C. Jordaans en mr. C. Verdoold, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.
Mr. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024432219. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 september 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb via een Snapchataccount onder de naam [bijnaam 1] een afspraak gemaakt met [slachtoffer] om elkaar te ontmoeten op 14 september 2024 in [plaats 1] bij het station. Ik wist dat het een setup was. Dit betekent dat je iets afspreekt, maar vervolgens gebeurt er iets anders. Je spreekt met één iemand af en de rest komt er dan bij. Er kan bij een setup ook geweld gebruikt worden. Ik ben samen met [slachtoffer] naar het schoolgebouw gelopen. [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) waren daar aan het wachten op ons. [medeverdachte 1] had een priem bij zich en liet die aan [slachtoffer] zien toen hij met hem aan het praten was. [medeverdachte 2] heeft zijn hand op de schouder van [slachtoffer] gelegd. [slachtoffer] heeft spullen aan [medeverdachte 1] gegeven. Ik heb gehoord dat er werd gezegd dat er mes en een wapen waren. Het zag er niet vriendelijk uit. Na het voorval ben ik samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weggegaan. Toen zat de Clipper aansteker in mijn tas. [medeverdachte 2] heeft de priem verstopt.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , van 14 september 2024, pagina’s 20 t/m 22, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:
Op 14 september 2024 had ik een afspraak met een meisje om af te spreken in [plaats 1] . Op 8 september 2024 zag ik op mijn snap account dat ik werd toegevoegd aan het account van iemand die ik niet kende. Deze account stond op naam van ene [bijnaam 2] . Daar stond de naam [bijnaam 1] bij. Ik wist niet wie dit was. Deze [bijnaam 1] stuurde afgelopen woensdag een bericht met hoi. Daar is het bij gebleven. Vandaag omstreeks 15:00 uur kreeg ik weer een bericht van deze [bijnaam 1] die mij vroeg om een foto te sturen. Zij stuurde mij toen een foto van zichzelf. Ik herkende haar toen als het meisje van een paar maanden terug die ik had ontmoet bij het station in [plaats 1] . Zij vroeg mij om af te spreken om elkaar beter te leren kennen. Wij spraken uiteindelijk af om tegen half vijf elkaar te ontmoeten bij het station te [plaats 1] . Omstreeks 16:30 uur was ik bij het station in [plaats 1] . Zij stuurde mij een live locatie om te laten zien waar zij was. Ik zag toen dat zij bij het schooltje aan de [adres 2] (de rechtbank begrijpt: in [plaats 2] ) stond. Ze zei dat daar geen camera's hingen of zo iets. Ik ben toen meegelopen. Ik wist niet dat er anderen bij zouden zijn. Ik zag bij de school twee mannen staan. Ik herkende eentje van hen als [medeverdachte 1] . De tweede man herkende ik ook wel van vroeger, maar ik ken zijn naam niet. Ik hoorde dat die tweede man mij aanriep. Ik hoorde dat hij naar mij riep: "He, kom eens hier". Ik ben toen naar hem toe gelopen. [medeverdachte 1] stond bij die tweede man. Ik hoorde dat beide mannen mij begonnen te bedreigen. Ik hoorde dat ze zeiden: We zijn niet alleen. Ze zouden mensen in [plaats 1] kenden en dat ze een mes en een pistool op zak hadden. Ik hoorde dat zij vroegen wat ik bij mij had. Zij vroegen mij of ik geld bij mij had. In mijn buiktasje had ik een zakje weed, een pakje shag van het merk Rancho Blond, een grinder, een pakje vloei en een aansteker van het merk Clipper. Ik zag dat beide mannen naar mij toe kwamen. Ik zag dat [medeverdachte 1] een mes (de rechtbank begrijpt: een priem) in zijn broeksband had zitten. Deze liet hij zien door zijn trui omhoog te trekken. Hij heeft het mes niet in zijn handen gehad. Beide mannen kwamen dichtbij en vroegen om de weed, de shag en een grinder uit mijn tasje te halen en om dat aan hen te geven. Ik gaf hen de shag, de weed en de vloei. Ik zag dat beide mannen hierna in mijn tas keken. Gedurende dit hele incident voelde ik mij erg bedreigd. Ik had het vermoeden dat zij het mes zouden gebruiken als ik niet mee zou werken. Tijdens de beroving deed het meisje ook mee. Zij heeft namelijk ook in mijn tasje gekeken en zag de Clipper aansteker. Deze wilde zij hebben en heb ik haar gegeven. Ik voelde mij namelijk nog bedreigd en deed wat zij wilden. Daarna hoorde ik dat die twee mannen begonnen te dreigen dat ik beter niets kon doen omdat zij een mes hadden. Ik moest van hen naar huis lopen, recht naar huis. Zij vertelden mij dat zij mij hadden gevolgd. Ik ben ervan overtuigd dat het meisje erbij betrokken was. Zij heeft mij namelijk meteen na onze ontmoeting naar [medeverdachte 1] en die andere man gebracht. En zij heeft actief meegedaan aan de beroving van mij.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , van 17 september 2024, pagina 47, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:
Op 17 september 2024 was ik, verbalisant, in dienst voor de recherche van basisteam Enschede en tevens belast met het digitaal onderzoek in het Alcatel toestel dat eigendom is van verdachte [medeverdachte 2] . In de whatsapp op het toestel van verdachte [medeverdachte 2] staat een gesprek dat gevoerd is met verdachte [medeverdachte 1] . Dit gesprek is gevoerd op 13 september daarin is te lezen dat verdachte [medeverdachte 1] naar verdachte [medeverdachte 2] , om 11.16 uur, stuurde; "ik ga straks nog em na die [slachtoffer] " en om 11.17 uur stuurde verdachte [medeverdachte 1] naar verdachte [medeverdachte 2] ; "haha em hem pakken".
[afbeelding]
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , van
14 september 2024, pagina’s 32 t/m 33, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten:
Op 14 september 2024 waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , belast met de (noodhulp)surveillance in de gemeente Enschede. Op bovengenoemde dag en datum kregen wij omstreeks 17:00 uur de opdracht van het Operationeel Centrum te gaan naar de [adres 2] . Daar zou melder door twee verdachten onder bedreiging van een mes en een vuurwapen zijn pak shag en wiet hebben moeten afstaan aan de verdachten.
Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , vervoerden verdachte [verdachte] . Voor ons bezoek aan het arrestantencomplex bracht zij ons eerst naar de locatie waar het mogelijke mes was verstopt. Wij kwamen uit op de [adres 3] die gelegen was aan de [adres 4] . Wij zagen een priem die achter een boom verstopt lag en in de grond was gestoken.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , van 14 september 2024, pagina’s 39 t/m 40, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:
Op 14 september 2024 was ik, verbalisant [verbalisant 4] , in dienst als Officier van Dienst Politie in het Politiedistrict Twente. Omstreeks 16.55 uur die dag kwam er een melding via het OC dat er aan de [adres 2] in [plaats 1] zojuist iemand overvallen zou zijn. De persoon zou door twee mannen zijn overvallen. Omstreeks 18.00 uur reed ik over de [adres 5] . Toen ik over de kruising [adres 6] met de [adres 5] reed zag ik op de [adres 6] 3 personen fietsen. Ik herkende [medeverdachte 1] direct als een van de mannen. Bij [medeverdachte 1] werden toen een zakje wiet en een zak shag van het merk Rancho Bloom (de rechtbank begrijpt: Blond) aangetroffen.
6.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , van 17 september 2024, pagina’s 133 t/m 135, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
A: Op 14 september 2024, was ik sowieso tot 2 uur thuis met [verdachte] en [medeverdachte 2] . Toen heeft zij met die [slachtoffer] afgesproken. Zij hadden constant contact met elkaar via snapchat. Dit bleek via een ander account te zijn, dan haar eigen account. Die [verdachte] kwam met die [slachtoffer] bij het schooltje waar [medeverdachte 2] en ik stonden te roken. Ik had die vijl (de rechtbank begrijpt: een priem) bij mij in mijn broek. Toen is er een beetje een woordenwisseling geweest. [slachtoffer] gaf de clipper aan [verdachte] . Toen zijn wij gaan fietsen. Toen zijn wij bij een bankje gestopt. Dat is waar de vijl is gevonden. [medeverdachte 2] heeft die vijl gepakt en weggegooid.
V: Jij heet [bijnaam 3] toch?
A: Ja zo word ik genoemd. [bijnaam 4] of [bijnaam 5] .
7.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , van 14 september 2024, pagina 42, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:
Ik ben begonnen in de telefoon van verdachte [verdachte] . In de sms-berichten vond ik een chatgeschiedenis met contact " [bijnaam 3] ". In het verhoor van verdachte [medeverdachte 1] staat dat hij twee aliassen heeft genaamd " [bijnaam 4] " en " [bijnaam 5] ". Ik zag dat de berichten van 14 september waren en begonnen om 16:27 uur. Dit is 25 minuten voordat de melding van de overval is gemeld. De chatgeschiedenis gaat als volgt:
- [bijnaam 3] : "Schatje loop zo deze kant beetje op oke ik en broer wachten hier
- [verdachte] : "Kom hier." "Nu."
- [bijnaam 3] : "En." "Wij wachter achter die school." "Kom hier heen want dan kan die sws ni weg." (sowieso niet weg)
- [verdachte] : "Sg." (Is goed)
- [bijnaam 3] : "Top." "Waar ben je nu."
- [verdachte] : "Terug weg."
- [bijnaam 3] : "Oke.”
- [verdachte] : "Ik kom naar jullie met hem."