afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001067-26
datum uitspraak: 29 september 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2026 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers
10-146354-25 (zaak A) en 10-114322-25 (zaak B) en 10-320412-25 (zaak C), alsmede
10-198446-24 (TUL) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010,
wonende in [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2026 en in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman, de advocaat van de benadeelde partij en de vader van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak A met parketnummer 10-146354-25:
primairhij op of omstreeks 8 mei 2025 te Ridderkerk aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe snijwonden, in elk geval blijvend letsel in het gezicht, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] (met kracht) te slaan met een kapotte fles in (de richting van) het gezicht, althans op het hoofd;
subsidiairhij op of omstreeks 8 mei 2025 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) heeft geslagen met een (kapotte) fles, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van/naar het gezicht en/of het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Zaak B met parketnummer 10-114322-25 (gevoegd):
hij op of omstreeks 12 april 2025 te Ridderkerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets en/of de inhoud van die bromfiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [medeverdachte] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
Zaak C met parketnummer 10-320412-25 (gevoegd):
hij op of omstreeks 1 april 2025 te Ridderkerk [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te slaan/stompen in het gezicht (tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt van het in de zaken A en C tenlastegelegde.
Bewijsoverwegingen zaak B
De raadsman heeft gesteld dat de verdachte door zijn handelen niet als medepleger, maar slechts als medeplichtige kan worden aangemerkt. Omdat alleen medeplegen is tenlastegelegd, dient hij van het in de zaak B tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte op de zitting in hoger beroep af dat de verdachte samen met een ander het stuurslot van de scooter van de aangeefster heeft verbroken waarna de scooter is meegenomen.
De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij zag dat zijn vriend een scooter wilde stelen en dat hij hem riep om hem daarmee te helpen. De verdachte en de medeverdachte hebben vervolgens beiden de scooter vastgehouden en samen met kracht het stuur heen en weer bewogen om het stuurslot te verbreken. De verdachte en de medeverdachte zijn daarna weggereden in dezelfde richting, de medeverdachte op de weggenomen scooter, de verdachte op een andere scooter.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte die bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daaraan doet niet af dat het niet de verdachte is geweest die op de bewuste scooter is weggereden.
Het hof acht het in de zaak B tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaken A, B en C tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A met parketnummer 10-146354-25:
primairhij op 8 mei 2025 te Ridderkerk aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe snijwonden in het gezicht, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] met kracht te slaan met een kapotte fles in het gezicht;
Zaak B met parketnummer 10-114322-25 (gevoegd):
hij op 12 april 2025 te Ridderkerk, tezamen en in vereniging met een ander, een bromfiets en de inhoud van die bromfiets, die aan [medeverdachte] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;
Zaak C met parketnummer 10-320412-25 (gevoegd):
hij op 1 april 2025 te Ridderkerk [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te stompen in het gezicht ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen.
Hetgeen in de zaken A, B en C meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A, B en C bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak A met parketnummer 10-146354-25 primair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
Het in de zaak B met parketnummer 10-114322-25 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Het in de zaak C met parketnummer 10-320412-25 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaken A primair, B en C bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren waaraan bijzondere voorwaarden zijn gekoppeld. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 50 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door een jeugddetentie van 25 dagen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaken A primair, B en C tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren waaraan de bijzondere voorwaarden, zoals opgelegd door de rechtbank moeten worden gekoppeld, alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie. De advocaat-generaal acht een contactverbod met de aangever Van der Velde niet langer aangewezen.
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De nog jeugdige verdachte heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan twee heftige geweldsfeiten en een diefstal van een scooter in vereniging. Nadat verdachte en zijn slachtoffer vanwege online beschuldigingen elkaar hadden uitgedaagd tot een gevecht, heeft de verdachte met een kapotte fles in het gezicht van het slachtoffer geslagen, waardoor dit slachtoffer diepe snijwonden in zijn gezicht heeft opgelopen die met dertig hechtingen moesten worden gedicht. De snijwonden bevonden zich onder meer dicht bij het oog. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft plastische chirurgie moeten ondergaan en de littekens zijn nog steeds zichtbaar. Uit een slachtofferverklaring van het slachtoffer die is voorgelezen op de zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat hij nog dagelijks last ondervindt van de littekens, doordat hem vaak de vraag wordt gesteld hoe hij deze littekens heeft opgelopen en hij op die wijze aan het incident wordt herinnerd. Daardoor heeft hij het gevoel dat er op een andere manier naar hem wordt gekeken. Het hof rekent de verdachte zijn handelen en de impact daarvan op het slachtoffer aan.
De verdachte heeft zich enkele weken eerder samen met een ander schuldig gemaakt aan de diefstal van een bromfiets en een mishandeling van een oudere man door hem te slaan, waardoor deze man is gevallen. Diefstal is een zeer ergerlijk feit en veroorzaakt overlast en schade voor de benadeelde. De mishandeling van de man is een aantasting op zijn lichamelijke integriteit. Bovendien vond deze mishandeling plaats in het openbaar en waren omstanders hiervan getuige, wat bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Daaraan zullen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, zoals door de Raad voor de Kinderbescherming in het rapport van 30 april 2026 is geadviseerd. De Jeugdreclassering heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de daarin genoemde voorwaarden wenselijk en nodig zijn. Het hof zal daarom overgaan tot de oplegging van deze voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod met de aangever Van der Velde in zaak C, nu het hof daar niet langer aanleiding toe ziet.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (zaak A)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.862,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.050,00, vermeerderd met de proceskosten van € 812,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de gehele vordering toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht de hoogte van de vordering te matigen, omdat op grond van het dossier niet is vast te stellen wat i) de ernst van het letsel van de benadeelde partij is en ii) de (psychische) impact van de gebeurtenis op de benadeelde partij is. Daarnaast is sprake van eigen schuld van de benadeelde partij. Bovendien is de vordering onvoldoende onderbouwd. De gevorderde proceskosten dienen te worden afgewezen, omdat de benadeelde partij via een toevoeging gratis rechtsbijstand kan krijgen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A met parketnummer 10-146354-25 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
Het hof zal de totale materiële schade ad € 50,00 toewijzen, omdat uit het dossier en de onderbouwing van de vordering voldoende is gebleken dat de benadeelde partij deze schade ten gevolge van het handelen van de verdachte heeft geleden.
Immateriële schade
Immateriële schade komt in aanmerking voor een vergoeding op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als deze schade is ontstaan door een onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.
Op basis van het dossier en de namens de benadeelde partij overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij letsel in het gezicht heeft opgelopen, waarvoor hij is behandeld in het ziekenhuis. De littekens in het gezicht van de benadeelde partij zijn nog altijd aanwezig. Een litteken is naar algemene ervaringsregels ontsierend en kan langdurig of zelfs blijvend van aard zijn. Het hof weegt de nog jonge leeftijd van de benadeelde partij mee.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 9 ‘Gezichtsletsel’ worden onder categorie 9.2 (c) ‘Middelzware littekenvorming’ bedragen tussen de € 6.000,00 tot € 21.000,00 genoemd.
Aandeel van de benadeelde partij in de confrontatie met de verdachte
Ten aanzien van het beroep van de verdediging op eigen schuld van de benadeelde partij aan de gevorderde schade overweegt het hof als volgt.
Artikel 6:101, eerste lid, BW schrijft voor dat de vergoedingsplicht bij eigen schuld wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Uit hetzelfde artikellid volgt dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Ten eerste dient een causaliteitsafweging te worden gemaakt, die erop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van de benadeelde partij en anderzijds het gedrag van de verdachte aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Vervolgens volgt een beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van zowel de een als de ander met daarbij, indien van toepassing, een billijkheidscorrectie. Wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval kan de billijkheid immers een andere verdeling eisen dan de maatstaf van wederzijdse causaliteit met zich zou brengen. Bij deze billijkheidscorrectie mag ook de ernst van het letsel van de benadeelde partij worden betrokken.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij een escalerend aandeel heeft gehad in de confrontatie tussen hem en de verdachte, door voor te stellen om de ruzie uit te vechten bij de bushalte, vervolgens ook naar die plek te komen en daar de eerste klap uit te delen. Dat hij vervolgens zou worden teruggeslagen in zijn gezicht met een kapotte fles, waarbij hij ernstig letsel zou oplopen had de benadeelde partij niet kunnen voorzien. Het hof is – anders dan de raadsman in het kader van de vordering tot schadevergoeding naar voren heeft gebracht – van oordeel dat de billijkheid gelet op die omstandigheid en de ernst van het letsel eist, dat de schade in overwegende, na te melden, mate voor rekening van de verdachte blijft.
Alles afwegende en in verband met de toepassing van artikel 6:101 BW, zoals hiervoor overwogen, zal het hof het in dit kader te betalen bedrag naar billijkheid vaststellen op € 10.000,00 en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade, vermeerderd met de wettelijke rente, door de verdachte wordt vergoed.
Proceskosten
De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de proceskosten wordt dezelfde maatstaf gehanteerd als in civiele procedures, wat betekent dat in beginsel wordt uitgegaan van het liquidatietarief kantonzaken. Het hof ziet, gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden in verband met de ingediende vordering, geen aanleiding om hiervan af te wijken en zal de proceskosten daarom toewijzen volgens het liquidatietarief.
Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat werkzaamheden zijn verricht voor het opstellen van de vordering en het bijwonen van de zitting. Het hof waardeert de werkzaamheden op twee punten van elk € 406,00 en zal gelet daarop een bedrag ter hoogte van € 812,00 toewijzen.
BEM-clausule
In verband met de minderjarige leeftijd van de benadeelde partij, wordt bepaald dat het toegewezen bedrag aan schadevergoeding moet worden overgemaakt naar een op naam van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 2009, te openen bankrekening met een BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld om de belangen van de minderjarige te beschermen en zorgt ervoor dat de bankrekening op zijn naam wordt geblokkeerd. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter geld van de bankrekening opnemen. De BEM-clausule eindigt automatisch als de minderjarige achttien jaar oud wordt.
Vordering van de benadeelde partij [medeverdachte] (zaak B)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 564,65. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 799,50. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 424,70.
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering wegens de bepleite vrijspraak.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak B met parketnummer 10-114322-25 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 514,65. Het hof zal de verdachte hoofdelijk met zijn mededader veroordelen tot vergoeding van deze schade, deze vermeerderen met de wettelijke rente en hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte en/of zijn mededader wordt/worden vergoed.
Ten aanzien van de post ‘vervangende reiskosten 2 weken’ ter hoogte van ongeveer € 50,00 is het hof van oordeel dat de gestelde schade in onvoldoende rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 maart 2025 opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-146354-25 primair en in de zaak met parketnummer 10-114322-25 en in de zaak met parketnummer 10-320412-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-146354-25 primair en in de zaak met parketnummer 10-114322-25 en in de zaak met parketnummer 10-320412-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 58 (achtenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van een coach, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte:
-
meewerkt aan dagbesteding (zoals Back on Track en/of school) of een andere vorm die volgens de jeugdreclassering passend is, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;
-
meewerkt aan het vinden en vormgeven van een passende vrijetijdsbesteding die goedgekeurd wordt door de jeugdreclassering;
-
meewerkt aan behandeling, en het aanleren van vaardigheden, bij een instelling zoals de Waag, voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
-
op geen enkele wijze - direct of indirect - contact legt of laat leggen met de aangever [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 2009.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat De Jeugd- & Gezinsbeschermers in Haarlem toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-146354-25 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.050,00 (tienduizend vijftig euro) bestaande uit € 50,00 (vijftig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 812,00 (achthonderdtwaalf euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-146354-25 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.050,00 (tienduizend vijftig euro) bestaande uit € 50,00 (vijftig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 mei 2025.
Het hof bepaalt dat het toegewezen bedrag als vergoeding van immateriële schade moet worden overgemaakt naar een op naam van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 2009, te openen bankrekening met een BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld om de belangen van de minderjarige te beschermen en zorgt ervoor dat de bankrekening op zijn naam wordt geblokkeerd. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter geld van de bankrekening opnemen. De BEM-clausule eindigt automatisch als de minderjarige achttien jaar oud wordt.
Vordering van de benadeelde partij [medeverdachte]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [medeverdachte] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-114322-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 514,65 (vijfhonderdveertien euro en vijfenzestig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [medeverdachte] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-114322-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 514,65 (vijfhonderdveertien euro en vijfenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 april 2025.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 maart 2025, parketnummer 10-198446-24, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 september 2026.
mr. A. Dantuma-Hieronymus en mr. S. den Hartog zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.