RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12260434 \ CV EXPL 26-1862
Vonnis van 29 september 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING SWZ,
te Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: SWZ,
gemachtigde: Smit en Legebeke,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 1] ,2. [gedaagde 2] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
SWZ vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens een huurachterstand. [gedaagde 1] heeft toegelicht dat de huurachterstand is ontstaan als gevolg van verschillende omstandigheden en dat hij inmiddels hulp heeft aangevraagd bij Schuldhulpmaatje en budgetbeheer om zijn financiële situatie te stabiliseren. De kantonrechter is, gelet op de omvang van de huurachterstand, van oordeel dat sprake is van een tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De gevorderde huurachterstand, alsmede de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning, worden daarom toegewezen. De vordering tegen [gedaagde 2] is op de mondelinge behandeling ingetrokken.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 15 september 2026, waarop de vordering tegen [gedaagde 2] door SWZ is ingetrokken omdat duidelijk worden is dat zij al jaren niet in de woning verblijft en een onbekende woon- en/of verblijfplaats heeft.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
SWZ verhuurt met ingang van 4 juli 2016 aan [gedaagde 1] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 524,17 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
[gedaagde 1] heeft (een deel van) de huur niet betaald. SWZ heeft [gedaagde 1] aangemaand onder andere op 18 maart 2026 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
SWZ heeft [gedaagde 1] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde 1] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Woningstichting SWZ heeft [gedaagde 1] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.
De minderjarige zoon van [gedaagde 1] heeft zijn hoofdverblijf bij zijn moeder in [plaats] .
3 Het geschil
SWZ vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 1.820,27 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
SWZ legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens SWZ de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
[gedaagde 1] voert verweer. [gedaagde 1] erkent de huurachterstand, maar voert aan dat hij graag in de woning wil blijven. Hij is bezig met hulp via Schuldhulpmaatje en het sociaal wijkteam en wil graag een regeling treffen om de huurachterstand af te betalen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Woningstichting SWZ heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Vaststaat dat [gedaagde 1] de verschuldigde huurtermijnen niet steeds en niet volledig heeft voldaan. De huurachterstand bedroeg ten tijde van de dagvaarding twee maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels drieënhalve maand. [gedaagde 1] heeft het bestaan en de hoogte van deze huurachterstand niet weersproken. De vordering van betaling van dit bedrag zal daarom worden toegewezen. Nu de verschillende huurtermijnen niet tijdig zijn voldaan, is ook de daarover gevorderde wettelijke rente toewijsbaar.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.1 De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.2
De kantonrechter acht van belang dat [gedaagde 1] inmiddels hulp heeft gezocht. Schuldhulpmaatje is betrokken en er is sprake van budgetbeheer. De heer [naam] van Schuldhulpmaatje verwacht dat er in oktober een betalingsvoorstel gedaan kan worden aan SWZ. Hieruit blijkt dat [gedaagde 1] stappen onderneemt om de financiële problematiek aan te pakken. Ook SWZ heeft ter zitting te kennen gegeven bereid te zijn om [gedaagde 1] daarin de gelegenheid te bieden en de ontruiming niet als doel op zichzelf te zien, maar het vonnis als stok achter de deur te gebruiken om tot concrete afspraken te komen.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde 1] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Woningstichting SWZ wil ook dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 524,17, te rekenen vanaf de maand oktober 2026 tot het moment dat [gedaagde 1] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde 1] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. De kantonrechter moet daarom ambtshalve toetsen aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, waaronder Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De voor de vordering relevante bedingen in artikel 1.3.2 van de algemene voorwaarden zijn aan deze toets onderworpen en worden als oneerlijk aangemerkt. Dit geldt ook voor het beding over de buitengerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt ten nadele van de consumenten af van de wettelijke regeling van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en is daarom onredelijk bezwarend als bedoeld in artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. SWZ kan daarom geen aanspraak maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering zal worden afgewezen.
Proceskosten
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting SWZ worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,77 |
|
|
- griffierecht |
€ |
350,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
288,00 |
(2 punten × € 144,00) |
|
- nakosten |
€ |
72,00 |
|
|
Totaal |
€ |
863,77 |
5 De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woningstichting SWZ zijn, en de sleutels af te geven aan SWZ.
veroordeelt [gedaagde 1] om te betalen aan SWZ:
- € 1.820,27 aan achterstallige huur tot en met september 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 524,17 per maand vanaf oktober 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. (jb)