ECLI:NL:RBAMS:2026:9276

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/13/777408 / HA ZA 25-1610
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Advocatenkosten voor consument. Vernietiging kostenbeding. Het met de consument overeengekomen kostenbeding is niet transparant en oneerlijk, en wordt door de rechtbank vernietigd. Daardoor komt de gehele opdracht te vervallen. Het advocatenkantoor kan op grond van onverschuldigde betaling vergoeding vorderen van de waarde van de reeds verrichte prestatie. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de sanctionerende werking van de richtlijn oneerlijke bedingen. De rechtbank zoekt daarbij aansluiting bij het sanctiemodel informatieplichten en vermindert het verschuldigde bedrag met 40%. Dat leidt tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering in reconventie. De specifieke bezwaren tegen (delen van) de facturen slagen gedeeltelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/777408 / HA ZA 25-1610

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

BANNING N.V.,

te 's-Hertogenbosch,

eisende partij,

hierna te noemen: Banning,

advocaat: mr. E.A. Brat,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. S. Razaac.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van Banning van 18 juni 2025, met producties;- de conclusie van antwoord met eis in reconventie van [gedaagde] , met producties;- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging grondslag eis van Banning;- de akte uitlating wijziging grondslag eis, tevens akte wijziging van eis van [gedaagde] ;

- het tussenvonnis van 22 april 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en in het dossier zijn gevoegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Banning is een advocatenkantoor, dat onder andere gespecialiseerd is in het familierecht. Banning heeft [gedaagde] bijgestaan in verschillende procedures in het kader van haar echtscheiding. [gedaagde] is daarbij in eerste instantie bijgestaan door mr. [naam 1] , en later door mr. [naam 2] .

2.2.

Op 19 september 2022 heeft [naam 1] een e-mail gestuurd aan [gedaagde] . Daarin schreef zij onder andere aan [gedaagde] :

“Wij spraken elkaar zojuist telefonisch. Naar aanleiding daarvan bevestig ik hierbij onze bespreking op vrijdag 23 september aanstaande (…) op ons kantoor te Amsterdam. (…) Zoals besproken, wordt de bespreking in rekening gebracht. Mijn uurtarief bedraagt € 210, exclusief 21% BTW en 6% kantoorkosten. (…) Wij bespraken dat jij gelet op de hoogte van jouw inkomen (…) naar alle waarschijnlijkheid in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. (…) Indien jij alsnog wenst dat ik namens jou zal optreden, doe jij met het geven van een opdracht aan mijn kantoor uitdrukkelijk afstand van jouw recht op (toekenning) van gefinancierde rechtsbijstand. (…)”

2.3.

Op 23 september 2022 heeft een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [gedaagde] , waarna een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen (hierna: de Opdracht). [gedaagde] heeft de Opdracht en bijbehorende algemene voorwaarden (hierna: de Algemene Voorwaarden) geaccepteerd via een online formulier. In de Opdracht is overeengekomen, voor zover relevant:

“Werkzaamheden

U heeft ons gevraagd u bij te staan in en te adviseren over de afwikkeling van uw echtscheiding met [ex-partner [gedaagde] , rechtbank] en alle daarmee samenhangende geschillen.

Team

Mr. [naam 1] zal fungeren als uw primaire aanspreekpunt voor de te verrichten werkzaamheden. De werkzaamheden zullen namens Banning worden verricht door advocaten (vennoten, medewerkers en junior-advocaten) en door paralegals en assistenten op een kostenefficiënte wijze en met de vereiste ervaring en expertise.

Gefinancierde rechtsbijstand

(…) U heeft Banning medegedeeld dat u geen gebruik wenst te maken van gefinancierde rechtsbijstand en dat u daar uitdrukkelijk afstand van doet zowel nu als in het verdere verloop van de behandeling van uw zaak door Banning. U heeft zich akkoord verklaard dat Banning de werkzaamheden zal verrichten op basis van het hierna te noemen uurtarief. Ter bevestiging hiervan verzoek ik u de opdrachtbevestiging te ondertekenen en aan mij te retourneren.

Honorarium

Het honorarium van mr. [naam 1] is gebaseerd op een uurtarief van € 210,- te vermeerderen met 6% kantoorkosten en BTW (totaal € 269,35). Het uurtarief van eventueel in overleg met u in te schakelen medewerkers varieert van € 160,- tot € 315,- te vermeerderen met 6% kantoorkosten en btw. De uurtarieven zijn van toepassing op alle werkzaamheden, waaronder ook de reis- en wachttijd. Eventuele reiskosten worden doorbelast. Bovendien kunnen de uurtarieven periodiek worden aangepast als gevolg van – in de regel jaarlijkse – aanpassingen van de tarieven van ons kantoor. Eventuele bijkomende kosten (zoals griffierechten – dit zijn de kosten die een gerechtelijke instantie in rekening brengt voor het voeren van een procedure -, deurwaarderskosten, kosten van uittreksels e.d.) zullen separaat aan u worden doorbelast.

(…)

Declaraties

U ontvangt in beginsel na afloop van iedere maand een declaratie voor de verrichte werkzaamheden. Afhankelijk van de omvang van de declaratie kan hiervan worden afgeweken. Banning behoudt zich het recht voor de werkzaamheden slechts te verrichten na betaling van voorschotten, waarmee declaraties zullen worden verrekend.

(…)”

2.4.

Op 17 november 2023 vond een zitting plaats bij de rechtbank Midden-Nederland in de echtscheidingsprocedure van [gedaagde] . Op 24 januari 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan.

2.5.

Op 28 februari 2024 hebben Banning en [gedaagde] een betalingsregeling getroffen voor de nog openstaande facturen voor werkzaamheden verricht door Banning in 2023 ter hoogte van € 13.979,00, te voldoen door [gedaagde] in drie betaaltermijnen.

2.6.

Op 22 maart 2024 ontving [gedaagde] een e-mail van Banning dat haar ex-partner in hoger beroep was gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 januari 2024. Tussen [gedaagde] en haar ex-partner is, via hun advocaten, vervolgens gesproken over het treffen van een minnelijke regeling. [naam 1] heeft [gedaagde] toen op verschillende momenten gewezen op de risico’s en kosten van het voortzetten van het hoger beroep. Daarbij zijn geen bedragen genoemd.

2.7.

Op 3 juni 2024 heeft [naam 1] een e-mail gestuurd aan [gedaagde] , naar aanleiding van een nieuw ontstane betalingsachterstand van [gedaagde] . Ook schreef [naam 1] dat zij bericht had ontvangen van de gemeente Amsterdam dat [gedaagde] , vanwege haar (verslechtere) financiële situatie, slechts een bedrag van € 500,- per maand aan Banning zou kunnen betalen. In die e-mail kondigde [naam 1] ook aan dat er een factuur voor de maand mei zou volgen van ongeveer € 11.000,- vanwege het opstellen van een verweerschrift voor de procedure van [gedaagde] in hoger beroep.

2.8.

Op 18 juli 2024 heeft [naam 1] per e-mail een nieuwe betalingsregeling voorgesteld aan [gedaagde] (hierna: de Betalingsregeling), voor de nog openstaande facturen voor werkzaamheden verricht door Banning ter hoogte van € 15.228,92, te voldoen door Banning in vier betaaltermijnen.

2.9.

Op 1 augustus 2024 heeft [gedaagde] per e-mail haar aanvaarding van de Betalingsregeling bevestigd.

2.10.

Omstreeks eind augustus is het dossier van [gedaagde] bij Banning overgenomen door [naam 2] , omdat [naam 1] niet meer werkzaam was bij Banning. Afspraak tussen partijen was dat [naam 2] de werkzaamheden voor [gedaagde] zou verrichten op basis van hetzelfde uurtarief als [naam 1] .

2.11.

[gedaagde] heeft de eerste twee betaaltermijnen van de Betalingsregeling uiteindelijk voldaan. De derde betalingstermijn heeft zij te laat en niet volledig betaald, op 26 oktober 2024. De vierde betaaltermijn heeft [gedaagde] onbetaald gelaten.

2.12.

Op 13 december 2024 heeft [naam 2] een e-mail gestuurd aan [gedaagde] om haar te informeren dat zij opnieuw een betalingsachterstand had en dat er op dat moment een bedrag van € 22.120,- aan onbetaalde facturen open stond.

2.13.

In reactie op die e-mail schreef [gedaagde] aan [naam 2] , voor zover relevant:

“Ook ik betreur deze situatie, ben zoals eerder aangegeven er alles aan het doen deze enorme bedragen ergens vandaan te halen. Heb zelfs nu een lening aangevraagd bij de gemeente Amsterdam. Nu wil ik sowieso het nog wel hebben over de hoogte van de bedragen, een enorm bedrag wat ik heb moeten betalen voor de werkzaamheden van [ [naam 1] , rechtbank] ter voorbereiding van het hoger beroep en nu een zelfde bedrag voor wederom de voorbereiding van het hoger beroep echter nu door jou. Daarnaast is het uurtarief ook verhoogd. Ik kan er natuurlijk niets aan doen dat [ [naam 1] , rechtbank] haar werkzaamheden zijn gestopt. Ik kan alleen maar wederom verzoeken hier in redelijkheid mee om te gaan. Mij is toegezegd dat na het hoger beroep er altijd een uitspraak komt en dat het dan zou eindigen. De ontstane situatie maakt het voor mij wel erg uitdagend. (…)”

2.14.

Op 30 december 2024 heeft [naam 2] [gedaagde] per e-mail een creditfactuur toegezonden vanwege de aanpassing van haar uurtarief naar dat van [naam 1] . Verder kondigde [naam 2] in die e-mail aan dat een incassoprocedure door Banning zou worden gestart.

2.15.

[gedaagde] heeft in een e-mail van diezelfde datum aan [naam 2] opnieuw haar onvrede geuit over de gang van zaken en de hoogte en de juistheid van de facturen betwist, waarbij het bezwaar met name was dat uren dubbel in rekening zouden zijn gebracht voor dezelfde werkzaamheden verricht door eerst [naam 1] , en daarna [naam 2] .

2.16.

Op 7 januari 2025 heeft de managing partner van Banning, [naam 3] , een e-mail gestuurd aan [gedaagde] , in reactie op haar klachten over de gestuurde facturen en die klachten betwist. [naam 3] heeft verder voorgesteld om een bespreking te houden op het kantoor van Banning om te spreken over een regeling. Die bespreking heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.

2.17.

Op 23 januari 2025 heeft [naam 2] zich, na overleg met de Deken van de Orde van Advocaten, onttrokken als advocaat van [gedaagde] . [gedaagde] heeft op diezelfde datum een klacht ingediend bij Banning.

2.18.

Op 3 februari 2025 heeft [naam 3] , in de rol van klachtenfunctionaris van Banning, de klacht van [gedaagde] ongegrond verklaard.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

Banning vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 23.123,44, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Banning legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Banning heeft in de periode van september 2022 tot en met januari 2025 werkzaamheden verricht voor [gedaagde] en kosten voorgeschoten van een voor [gedaagde] ingeschakelde deskundige. [gedaagde] heeft niet alle facturen voldaan, waardoor op dit moment nog een bedrag van € 23.123,44 openstaat. Banning vordert nakoming door [gedaagde] van haar betalingsverplichtingen. Voor zover de grondslag aan de verstuurde facturen zou komen te vervallen mede als gevolg van de vorderingen van [gedaagde] in reconventie, vordert Banning betaling op grond van een vergoeding van redelijk loon (artikel 7:405 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)), onverschuldigde betaling (artikel 6:210 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Banning, dan wel tot afwijzing of matiging van de vorderingen van Banning, met veroordeling van Banning in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] is een consument. Het beding in de Opdracht opgenomen onder ‘Honorarium’ (hierna: het Kostenbeding) is niet transparant en oneerlijk en dient daarom te worden vernietigd op grond van artikel 6:233 sub a BW. Nu het Kostenbeding een kernbeding betreft, komt daarmee de gehele Opdracht te vervallen. Als gevolg daarvan is [gedaagde] niet gehouden de openstaande facturen te voldoen. Voor zover het Kostenbeding wel in stand blijft, heeft Banning niet voldaan aan verschillende (informatie-)plichten tegenover [gedaagde] uit de artikelen 6:230l BW, 6:230m BW, 6:230u BW en 6:230v BW en dient het aan Banning verschuldigde bedrag met ten minste 40% te worden gematigd. Daarnaast heeft Banning haar zorgplicht tegenover [gedaagde] geschonden, onder meer vanwege het schenden van de Gedragsregels voor de Advocatuur (hierna: de Gedragsregels), het maken van beroepsfouten en het niet-naleven van haar eigen klachtenregeling. De Algemene Voorwaarden bevatten ook onredelijk bezwarende bedingen en zijn [gedaagde] niet ter hand gesteld. [gedaagde] betwist verder de juistheid en redelijkheid van (onderdelen van) een aantal specifieke facturen.

In reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert – samengevat – (i) vernietiging van het Kostenbeding, (ii) een verklaring voor recht dat de door [gedaagde] betaalde bedragen op grond van het Kostenbeding zonder rechtsgrond zijn betaald, (iii) veroordeling van Banning tot betaling van het reeds door [gedaagde] betaalde bedrag van € 42.862,79 aan honorarium en voorschotten, (iv) te bepalen dat Banning geen aanspraak kan maken op enige vergoeding op grond van de artikelen 7:405 BW, 6:212 BW of 6:210 BW, of deze redelijke vergoeding te beperken, en (v) veroordeling van Banning tot betaling van het reeds door [gedaagde] betaalde bedrag van € 2.348,90 aan kantoorkosten, te vermeerderen met rente en kosten.

3.6.

Banning voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Banning, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Banning.

4 De beoordeling

In conventie en reconventie

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] in conventie ziet op het Kostenbeding en de eventuele vernietiging daarvan op grond van artikel 6:233 sub a BW. Nu de beoordeling van dat verweer ook gevolgen heeft voor de vorderingen in reconventie zal de rechtbank de conventie en reconventie zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen.

Toetsing van het Kostenbeding aan de Richtlijn oneerlijke bedingen

4.2.

Banning heeft als professionele partij (een advocatenkantoor) met [gedaagde] als consument een opdrachtovereenkomst gesloten (de Opdracht). De Opdracht wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of in de Opdracht oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen).

4.3.

Het Kostenbeding is een kernbeding. Als partijen daar niet afzonderlijk over hebben onderhandeld moet het Kostenbeding ambtshalve worden getoetst op transparantie zoals bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen, in de zin dat het Kostenbeding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Als het Kostenbeding niet transparant is, komt aan de orde de vraag of het beding oneerlijk is. Indien het Kostenbeding ook oneerlijk is, dient de rechter het Kostenbeding te vernietigen.

Over het Kostenbeding is niet afzonderlijk onderhandeld

4.4.

Partijen hebben niet afzonderlijk onderhandeld over het Kostenbeding.

4.5.

In het Kostenbeding zijn [gedaagde] en Banning overeengekomen dat [naam 1] haar werkzaamheden voor [gedaagde] zou uitvoeren op basis van een tarief van € 210,- per uur, exclusief btw en 6% kantoorkosten. Niet is gesteld of gebleken dat dit tarief specifiek was toegespitst op de voor [gedaagde] te verrichten werkzaamheden of dat dit tarief afweek van het gebruikelijke tarief van [naam 1] .

4.6.

Dat [naam 1] , zoals Banning heeft gesteld, haar tarief al had genoemd in de e-mail van 19 september 2022 en dit tarief vervolgens is besproken met [gedaagde] op 23 september 2022 maakt dit niet anders. Daaruit blijkt nog steeds niet dat het door [naam 1] genoemde, en later overeengekomen uurtarief afweek van haar gebruikelijke tarief en dat [gedaagde] daar dus invloed op heeft kunnen uitoefenen of heeft uitgeoefend.

4.7.

Weliswaar is het uurtarief van [naam 2] later, toen [naam 2] het dossier van [naam 1] had overgenomen, aangepast naar dat van [naam 1] , maar dat was het uurtarief wat partijen al waren overeengekomen bij het aangaan van de Opdracht. Ook daaruit volgt niet dat [gedaagde] invloed heeft kunnen uitoefenen op het Kostenbeding en het daarin opgenomen tarief.

Het Kostenbeding is niet transparant

4.8.

Het Kostenbeding is niet transparant.

4.9.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: HvJ EU) heeft zich in zijn uitspraak van 12 januari 20231 uitgelaten over de vraag of een kostenbeding tussen een advocaat en een consument, waarbij de kosten voor de juridische dienstverlening uitsluitend zijn vastgelegd op basis van het uurtarief, zonder verdere precisering, transparant is in de zin van artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/132.1 Het HvJ EU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Een advocaat dient de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten en ongeacht de aard van de te verlenen dienst, informatie te verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.

4.10.

Het Kostenbeding bevat alleen een uurtarief van [naam 1] , inclusief btw en kantoorkosten. In de Opdracht of in het Kostenbeding is geen raming gegeven van de te verwachten kosten of een inschatting van de te verwachten werkzaamheden. Ook is niet gebleken dat [naam 1] wel een raming of inschatting heeft gegeven van de te verwachten kosten of werkzaamheden voorafgaand aan de totstandkoming van de Opdracht. Hoewel het dossier van [gedaagde] complex was, zoals zij zelf erkent en wat ook de reden was dat zij specifiek Banning als advocatenkantoor inschakelde, valt niet in te zien waarom Banning op dat moment geen enkele inschatting kon geven van de te verwachten kosten of werkzaamheden, om te beginnen voor de werkzaamheden die op basis van de door [gedaagde] geschetste situatie na aanvang van de Opdracht zouden worden uitgevoerd. Ook is niet gebleken dat Banning op enig moment tijdens het uitvoeren van de Opdracht wél een raming van kosten voor bepaalde werkzaamheden heeft gegeven, alvorens met die werkzaamheden, al dan niet op instructie van [gedaagde] , te beginnen.

4.11.

De afspraak dat Banning in principe maandelijks zou declareren maakt het Kostenbeding ook niet transparant. Een dergelijke afspraak kan volgens het HvJ EU een aanwijzing zijn dat de advocaat voldoende informatie heeft verschaft om een consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, maar dat is niet doorslaggevend. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om, met in achtneming van de omstandigheden van het geval, te beoordelen of een kostenbeding voldoende transparant is.2

4.12.

Banning heeft maandelijks gedeclareerd bij [gedaagde] , maar zonder enige raming of inschatting van kosten van tevoren stelden die declaraties [gedaagde] niet in staat om te beoordelen of haar advocaatkosten (te) hoog opliepen. Daarnaast worden declaraties gestuurd wanneer de werkzaamheden al zijn verricht en stellen die de consument dus ook niet in staat om nog tijdig aan de rem te trekken; de kosten zijn dan immers al gemaakt. Van een consument als [gedaagde] kan niet worden verwacht dat zij, in een complexe echtscheidingsprocedure als in dit geval, per maand overziet hoeveel werkzaamheden er al zijn verricht, hoeveel werkzaamheden er nog moeten worden verricht en wat de kosten daarvan (zullen) zijn, ook niet als zij zelf direct opdracht geeft voor die werkzaamheden. De maandelijkse declaraties van Banning aan [gedaagde] fluctueerden daarbij erg in bedrag (tussen de € 130,83 en de € 11.668,45). Dit bood geen enkele houvast voor de te verwachten kosten.

4.13.

In dit geval boden de maandelijkse declaraties dus onvoldoende informatie aan [gedaagde] om bij benadering de totale kosten van de diensten van Banning te ramen. Dat wringt des te meer nu voor Banning duidelijk was dat [gedaagde] zich financieel niet in een goede situatie bevond, en die situatie gedurende de uitvoering van de Opdracht ook kenbaar verslechterde. Het was bij Banning immers bekend dat [gedaagde] geld moest lenen om de declaraties van Banning te voldoen en dat zij hulp bij haar schulden kreeg van de gemeente. Onder de omstandigheden van dit geval mocht dan ook meer worden verwacht van Banning dan alleen het periodiek sturen van declaraties.

4.14.

Banning heeft in dit kader nog aangevoerd dat [naam 1] [gedaagde] meerdere malen heeft gewezen op de risico’s van bepaalde (proces)stappen, en de bijbehorende kosten. [gedaagde] betwist dit en in de correspondentie komt alleen wat betreft de kosten van het hoger beroep een algemene waarschuwing door Banning terug. Daarbij worden geen specifieke bedragen genoemd. Ook daarvoor geldt dat alleen een waarschuwing over ‘de (hoge) kosten’ van een hoger beroep of procedure een consument niet voldoende in staat stelt om te overzien hoe hoog die kosten dan (ongeveer) zullen zijn. Van Banning had mogen worden verwacht dat zij [gedaagde] een inschatting zou geven van hoe hoog die kosten zouden zijn. Het geschil en de mogelijk te nemen stappen in hoger beroep waren inmiddels bekend bij Banning. Banning heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom het desondanks niet mogelijk was om (zo nodig bij benadering en met een bandbreedte) een inschatting te geven van de financiële risico’s van het (verder) uitvoeren van de opdracht.

4.15.

Conclusie van het voorgaande is dat het Kostenbeding niet transparant is.

Het Kostenbeding is oneerlijk

4.16.

Het Kostenbeding is ook oneerlijk.

4.17.

Dat het Kostenbeding niet transparant is, leidt niet direct tot het oordeel dat het Kostenbeding ook oneerlijk is. Het is wel een (belangrijke) aanwijzing dat het Kostenbeding oneerlijk is. Het gaat om de vraag of het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.

4.18.

Een consument bevindt zich, door zijn kennisachterstand, bij de totstandkoming van een overeenkomst als de Opdracht in beginsel in een zwakkere positie dan de advocaat. [gedaagde] zal als gemiddelde consument zelf weinig idee hebben van de werkzaamheden die moeten worden verricht ter uitvoering van de Opdracht en hoeveel tijd daarmee normaal gesproken gemoeid zou zijn. Banning heeft daar als handelaar en professional juist wel zicht op en had die uitleg en het aantal uren dat zij waarschijnlijk bezig was zoveel als mogelijk aan [gedaagde] moeten verstrekken. Dit volgt ook uit de Gedragsregels, die van toepassing zijn op de werkzaamheden van Banning.3

4.19.

Door geen inschatting te geven van het aantal uur dat met de procedure(s) gemoeid zou (kunnen) zijn heeft Banning niet alleen geen inzicht gegeven in de financiële verplichting die [gedaagde] aanging, ook is zij hierdoor niet in staat gesteld om daarop enige controle uit te voeren (zoals hiervoor ook overwogen onder 4.12 en 4.13). Banning had hiervoor aanknopingspunten kunnen bieden door vooraf een inschatting te geven en door af te spreken dat zij [gedaagde] met tussenpozen zou informeren over de werkzaamheden die voor die termijn voorzienbaar waren met een bandbreedte over de te verwachten tijd en kosten die daarmee gepaard zouden gaan. Door dat niet te doen, geeft Banning zichzelf in wezen een vrijbrief om onbeperkt uren te declareren en kosten in rekening te brengen en ‘ontloopt’ zij in feite de verplichting uit de Gedragsregels om [gedaagde] te waarschuwen als zij voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk opgegeven schatting.4 Dit geldt des te meer nu in het Kostenbeding is opgenomen dat Banning eenzijdig, in de regel jaarlijks, haar uurtarieven mag verhogen. Banning heeft dat vervolgens ook gedaan, van € 210,- per uur in 2022, naar € 235,- per uur in 2023, naar € 255,- per uur in 2024. [gedaagde] heeft ook aangegeven dat zij zich overvallen voelde door de hoge kosten, met name voor het verweerschrift (waar meer dan 40 uur aan gewerkt was à ongeveer € 11.000,-) en voor de ingeschakelde pensioendeskundige (die ruim € 18.000,- rekende).

4.20.

Banning mocht er gelet op het voorgaande dan ook niet vanuit gaan dat [gedaagde] zou hebben ingestemd het met Kostenbeding, indien Banning wel een inschatting of raming had gegeven bij het aangaan van de Opdracht. Het Kostenbeding is daarmee ook oneerlijk.

Gevolgen van vernietiging van het kostenbeding voor de Opdracht

4.21.

Gevolg van het voorgaande is dat het Kostenbeding door de rechtbank wordt vernietigd en de vordering van [gedaagde] opgenomen in 3.5 onder (i) wordt toegewezen. Nu het Kostenbeding een kernbeding betreft, betekent de vernietiging van het Kostenbeding dat de Opdracht in zijn geheel komt te vervallen. Dat betekent dat [gedaagde] bevrijd is van haar betalingsverplichtingen op grond van de Opdracht.

4.22.

De vraag is wat dat betekent voor de reeds door Banning geleverde werkzaamheden voor [gedaagde] .

4.23.

Slechts indien de consument als gevolg van nietigheid van de gehele overeenkomst uiterst nadelige gevolgen zou kunnen ondervinden en daardoor in zijn belangen wordt geschaad, kan het oneerlijke beding bij wege van uitzondering vervangen worden door een nationale bepaling van aanvullend recht.5 Deze nadelige gevolgen zouden gelegen kunnen zijn in het feit dat de advocaat op grond van een buitencontractuele grondslag een vordering kan instellen om alsnog vergoeding te krijgen voor de door haar verrichtte diensten, hetgeen zou kunnen leiden tot (rechts)onzekerheid bij [gedaagde] over de vraag of en zo ja welk bedrag zij uiteindelijk zal moeten betalen aan Banning.6 Daarbij geldt volgens het HvJ EU wel de beperking dat de nationale rechter het nietig verklaarde oneerlijke beding niet vervangt door een rechterlijke raming.7

4.24.

Banning heeft allereerst betoogd dat – als de rechtbank over zou gaan tot vernietiging van het Kostenbeding – het Kostenbeding kan worden vervangen door artikel 7:405 lid 2 BW, en Banning op grond daarvan recht heeft op redelijk loon. Deze wettelijke bepaling uit het Nederlands recht kan echter niet worden toegepast in dit geval. Een redelijk loon dient te worden geraamd door de rechter. Dat is niet toegestaan volgens het HvJ EU.

4.25.

Banning heeft vervolgens betoogd dat na vernietiging van het Kostenbeding en het vervallen van de gehele Opdracht als gevolg daarvan, alle diensten die Banning aan [gedaagde] heeft geleverd als onverschuldigd betaald (ofwel zonder rechtsgrond geleverd) gelden in de zin van artikel 6:203 lid 3 BW. Het begrip betaling dient ruim te worden uitgelegd en hieronder valt bijvoorbeeld ook het leveren van een prestatie. Volgens de Hoge Raad verzet het Unierecht zich in algemene zin niet tegen een vordering op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking als een overeenkomst geheel is komen te vervallen na vernietiging van een beding.8

4.26.

Volgens de rechtbank is de vordering van Banning op grond van onverschuldigde betaling toewijsbaar. De vernietiging van de Opdracht brengt mee dat Banning onverschuldigd heeft gepresteerd en dat zij recht heeft op ongedaanmaking van haar prestatie. De vergoeding van de waarde van de prestatie treedt voor zover dit redelijk is in de plaats voor ongedaanmaking daarvan indien de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, indien de ontvanger door de prestatie is verrijkt, indien het aan hem toe te rekenen is dat de prestatie is verricht, of indien de ontvanger erin had toegestemd een tegenprestatie te verrichtten (artikel 6:203 lid 2 BW en artikel 6:210 lid 2 BW).

4.27.

[gedaagde] betwist niet dat zij er bij het aangaan van de Opdracht mee had ingestemd een tegenprestatie te verrichten, namelijk het betalen van het door Banning in rekening te brengen honorarium. Verder stelt [gedaagde] weliswaar dat Banning haar op bepaalde momenten verkeerd of onvolledig heeft geadviseerd (wat Banning betwist), maar uit haar betoog kan niet worden afgeleid dat zij betwist dat het door Banning gefactureerde bedrag de waarde van haar prestatie weerspiegelt of dat [gedaagde] het overeengekomen uurtarief van [naam 1] onredelijk vindt.

4.28.

Dat betekent dat Banning in beginsel aanspraak kan maken op de gevorderde betaling voor de door haar verrichte werkzaamheden. De rechtbank moet er echter ook rekening mee houden dat vernietiging van het Kostenbeding en het vervallen van de Opdracht de sanctie vormt op het oneerlijke Kostenbeding. Die sanctie moet volgens de Richtlijn oneerlijke bedingen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.9 Die sanctie bepaalt daarom mede de omvang van de aanspraak op vergoeding ‘voor zover dit redelijk is’ in de zin van artikel 6:210 lid 2 BW.

4.29.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de beoordeling hiervan aan te sluiten bij de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten (hierna: het Sanctiemodel), dat landelijk wordt toegepast bij schendingen van essentiële informatieplichten bij het aangaan van consumentenovereenkomsten.10

4.30.

De Opdracht tussen [gedaagde] en Banning is tot stand gekomen na een fysiek gesprek op het kantoor van Banning. Dit houdt in dat op die overeenkomst de wettelijke regeling van artikel 6:230l BW van toepassing is. Banning heeft nagelaten om [gedaagde] afdoende te informeren over de prijs de totale prijs van de zaken dan wel de manier waarop de prijs moet worden berekend (artikel 6:230l sub c BW). Banning is met het Kostenbeding dus ook een essentiële informatieplicht niet nagekomen. Daarnaast is in de Opdracht geen opgave gegeven van de te verwachten werkzaamheden of een eerste inschatting daarvan, zodat ook niet is voldaan aan artikel 6:230l sub a BW. Ook is in de Opdracht niets opgenomen over de voorwaarden voor het opzeggen van de Opdracht, zodat ook niet is voldaan aan artikel 6:230l sub f BW.

4.31.

Het Sanctiemodel geeft vijf categorieën van sancties, in de vorm van een vermindering van de hoofdsom tussen de 20% en de 60%. Bij minder dan vier voldoende ernstige schendingen van informatieplichten wordt (afhankelijk van de vraag of de bestelknop voldoet aan de eisen, hetgeen in deze zaak niet speelt) de betalingsverplichting van de consument volgens het Sanctiemodel verminderd met percentages tussen 20% en 40%. De rechter kan hiervan afwijken indien hij de aangewezen sanctie in de gegeven omstandigheden niet doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend acht. De rechtbank ziet alles afwegende en gelet op hetgeen is overwogen over het oneerlijke Kostenbeding aanleiding om de betalingsverplichting van [gedaagde] te verminderen met 40%.

Tussenstand vorderingen in conventie en reconventie

4.32.

Resultaat van het voorgaande is dat de betalingsverplichting van [gedaagde] ten opzichte van Banning wordt verminderd met 40%.

4.33.

[gedaagde] heeft ook nog een aantal andere verweren aangevoerd tegen haar betalingsverplichting ten opzichte van Banning. De rechtbank zal die hierna eerst bespreken. Daarna zal worden beslist in hoeverre de vorderingen in conventie en reconventie worden toe- of afgewezen.

Specifieke bezwaren tegen facturen van Banning

4.34.

[gedaagde] heeft specifieke bezwaren aangevoerd tegen een aantal facturen van Banning en de juistheid daarvan betwist. Banning heeft deze standpunten gemotiveerd weersproken.

4.35.

Het verweer van Banning dat [gedaagde] wat betreft deze facturen haar rechten heeft verwerkt slaagt niet. Er moet daarvoor sprake zijn van een eigen gedraging of houding bij [gedaagde] waardoor het klagen over de facturen in deze procedure wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden beschouwd. Dat is een hoge drempel, die in dit geval niet wordt gehaald.

4.36.

Weliswaar heeft [gedaagde] ingestemd met verschillende betalingsregelingen met Banning, maar de facturen waarover zij in deze procedure klaagt dateren – op één na – allemaal van ná de Betalingsregeling. Het is verder ook begrijpelijk dat [gedaagde] na het overeenkomen van de Betalingsregeling eerst nog heeft geprobeerd er met Banning uit te komen over de nog openstaande facturen en pas toen dat niet meer lukte, zich nader heeft gebogen over de nog openstaande facturen en daar (verdere) bezwaren tegen heeft geformuleerd. [gedaagde] klaagde in december 2024 onder andere over dubbel in rekening gebrachte kosten en een te hoog uurtarief dat in rekening was gebracht voor [naam 2] . Banning heeft naar aanleiding daarvan een aantal creditfacturen gestuurd maar aan de andere bezwaren van [gedaagde] kwam zij niet tegemoet. Gelet op de verhoudingen tussen partijen vanaf eind 2024, kon Banning er dus niet zonder meer van uit gaan dat alle openstaande facturen op dat moment volledig akkoord waren voor [gedaagde] .

4.37.

De rechtbank zal de bezwaren van [gedaagde] hierna bespreken per factuur. De rechtbank begrijpt deze bezwaren in de eerste plaats als een betwisting dat bepaalde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt voor zover [gedaagde] stelt dat zij niet kan plaatsen of controleren waar de gefactureerde werkzaamheden op zien. Voor zover de bezwaren van [gedaagde] tegen de facturen zien op de onredelijkheid of buitensporigheid van in rekening gebrachte kosten begrijpt de rechtbank dat als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. Voor toepassing daarvan moet het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht dat Banning die kosten in rekening heeft gebracht.

Factuur [nummer 1] – 3 december 2024

4.38.

De bezwaren van [gedaagde] tegen de factuur van 3 december 2024 slagen niet voor zover zij zien op overleg of correspondentie met [gedaagde] zelf (al dan niet met haar op kopie). [gedaagde] is voldoende in staat om na te gaan of de daarvoor in rekening gebrachte tijd juist is en [gedaagde] heeft niet betwist dat die overleggen of die correspondentie inderdaad met haar hebben plaatsgevonden.

4.39.

De bezwaren van [gedaagde] ten aanzien van de werkzaamheden op 13 november 2024 slagen wel. Die werkzaamheden zijn enkel omschreven als ‘Brief/fax/mail uit’, zonder nadere toelichting. Zonder nadere toelichting geldt dat dit onvoldoende gespecificeerd is. [gedaagde] betwist daarvan de juistheid. Banning heeft hiervoor geen nadere verklaring gegeven, zodat de juistheid van die kosten niet vaststaat en [gedaagde] daarvoor geen vergoeding verschuldigd is.

4.40.

Het voorgaande betekent dat de bezwaren van [gedaagde] tegen deze factuur slagen voor zover zij zien op de werkzaamheden op 13 november 2024 (30 minuten). Op dat moment was het uurtarief voor deze werkzaamheden € 255,-, zodat een bedrag van € 127,50 ten onrechte bij [gedaagde] in rekening is gebracht.

Factuur [nummer 2] – 8 november 2024

4.41.

Ook voor deze factuur geldt dat de bezwaren van [gedaagde] slagen voor zover de werkzaamheden niet voldoende gespecificeerd zijn omschreven. Dat zijn de werkzaamheden door Banning verricht op 15 oktober 2024 omschreven als ‘telefoongesprek derde(n)’. Zonder nadere toelichting geldt dat dit onvoldoende gespecificeerd is. [gedaagde] betwist daarvan de juistheid. Banning heeft daarvoor geen nadere verklaring gegeven, zodat de juistheid van die kosten niet vaststaat en [gedaagde] daarvoor geen vergoeding verschuldigd is.

4.42.

De bezwaren tegen de in rekening gebracht reiskosten slagen voor zover zij zien op de reiskosten van [naam 2] van 2 oktober 2024. [gedaagde] betwist daarvan de juistheid. Het had op de weg van Banning gelegen om te verduidelijken waar deze kosten op zagen en waarom [gedaagde] deze reiskosten zou moeten vergoeden. Dat heeft Banning niet gedaan. [gedaagde] hoeft deze kosten dan ook niet te betalen.

4.43.

Een reiskostenvergoeding van € 0,39 per kilometer (bij de overige reiskosten) acht de rechtbank echter niet onredelijk of buitensporig. Een beroep op vergoeding daarvan is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Voor zover het Kostenbeding in dat kader niet transparant is (omdat daarin alleen is vermeld dat er een reiskostenvergoeding in rekening kan worden gebracht, maar niet hoe die wordt berekend), is het Kostenbeding in dat opzicht niet oneerlijk. Banning mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat [gedaagde] ook zou hebben ingestemd met het Kostenbeding indien die reiskostenvergoeding daarin wel was opgenomen. Voor het overige slagen de bezwaren van [gedaagde] tegen deze factuur daarom niet.

4.44.

Het voorgaande betekent dat de bezwaren van [gedaagde] tegen deze factuur slagen voor zover zij zien op de werkzaamheden op 15 oktober 2024 (12 minuten) en 2 oktober 2024 (reiskosten à € 52,23). Op dat moment was het uurtarief voor deze werkzaamheden € 255,-, zodat een bedrag van € 103,23 ten onrechte bij [gedaagde] in rekening is gebracht.

Factuur [nummer 3] – 8 oktober 2024

4.45.

Ook voor deze factuur geldt dat de bezwaren van [gedaagde] slagen voor zover de werkzaamheden niet voldoende gespecificeerd zijn omschreven. Dat betreffen de werkzaamheden omschreven als ‘Brief/fax/mail uit’ en ‘telefoongesprek derden’, zonder nadere toelichting met wie of met welk doel. Zonder nadere toelichting geldt dat dit onvoldoende gespecificeerd is. [gedaagde] betwist daarvan de juistheid. Banning heeft daarvoor geen nadere toelichting gegeven, zodat de juistheid van die kosten niet vaststaat en [gedaagde] hiervoor niet hoeft te betalen. Voor zover het gaat om besprekingen of overleg met [gedaagde] zelf, slagen de bezwaren niet om de redenen hiervoor genoemd onder 4.38.

4.46.

Wat betreft de voorbereiding van een zitting in hoger beroep komt een totale voorbereidingstijd van 8,5 uur de rechtbank niet zodanig buitensporig voor dat [gedaagde] hier niet voor hoeft te betalen. Een beroep op vergoeding van deze kosten is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Voor zover het verwijt van [gedaagde] daarbij is dat zij onvoldoende is voorgelicht over de kosten voorafgaand aan die werkzaamheden heeft de rechtbank dat al meegenomen in de toetsing van het Kostenbeding aan de Richtlijn oneerlijke bedingen en bijbehorende sanctie.

4.47.

Wat betreft de in rekening gebrachte kosten voor de zitting in hoger beroep geldt dat een totale duur van 6 uur, waarvan 3 uur voor reistijd Amsterdam – Arnhem retour met voorbespreking cliënt en 3 uur voor de zitting (zoals door Banning nader toegelicht) de rechtbank ook niet zodanig buitensporig voorkomen dat een beroep op vergoeding daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze bezwaren slagen dus ook niet.

4.48.

Wat betreft het inschakelen van een collega van [naam 2] bij Banning ( [naam 4] ) geldt dat het niet ongebruikelijk is om bij een advocatenkantoor een interne collega in te schakelen voor een specifieke vraag. Dat is ook zo opgenomen in de Opdracht. De in rekening gebrachte kosten komen de rechtbank ook niet buitensporig voor en uit de bijbehorende omschrijvingen van zijn werkzaamheden blijkt voldoende waar deze collega specifiek onderzoek naar heeft gedaan. Een beroep op vergoeding daarvan is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

4.49.

Het voorgaande betekent dat de bezwaren van [gedaagde] tegen deze factuur slagen voor zover zij zien op de werkzaamheden op 18 september 2024 (54 minuten), 19 september 2024 (54 minuten, 18 minuten, 6 minuten), 24 september 2024 (12 minuten) en 26 september 2024 (12 minuten). Op dat moment was het uurtarief voor deze werkzaamheden € 255,-, zodat dit bij elkaar neerkomt op een bedrag van € 633,- ten onrechte in rekening gebrachte kosten.

Factuur [nummer 4] – 5 september 2024

4.50.

Ook voor deze factuur geldt dat de bezwaren van [gedaagde] slagen voor zover de werkzaamheden niet voldoende gespecificeerd zijn omschreven. Dat betreffen de werkzaamheden omschreven als ‘Brief/fax/mail uit’ op 29 augustus 2024. Zonder nadere toelichting geldt dat dit onvoldoende gespecificeerd is. [gedaagde] betwist daarvan de juistheid. Banning heeft daarvoor geen nadere verklaring gegeven, zodat de juistheid van die kosten niet vaststaat en [gedaagde] deze niet hoeft te betalen. Voor de werkzaamheden ten aanzien van de Spaanse dagvaarding op 29 augustus 2024 (54 minuten) heeft Banning wel een afdoende en onderbouwde verklaring gegeven.

4.51.

Wat betreft het overleg van [naam 2] met [naam 5] op 29 augustus en 30 augustus 2024 staat vast dat hij pensioendeskundige is, en in die hoedanigheid bij de procedure(s) van [gedaagde] betrokken was. Desondanks heeft Banning, na de betwisting door [gedaagde] dat die werkzaamheden ten dienste van haar dossier zouden zijn geweest, geen nadere verklaring gegeven voor het contact met [naam 5] op die data. De juistheid en verschuldigdheid van die kosten staat daarmee niet vast.

4.52.

Het voorgaande betekent dat de bezwaren van [gedaagde] tegen deze factuur slagen voor zover zij zien op de werkzaamheden op 29 augustus 2024 (12 minuten en 48 minuten) en op 30 augustus 2024 (30 minuten). Op dat moment was het uurtarief voor deze werkzaamheden € 255,-, zodat dit bij elkaar neerkomt op een bedrag van € 382,50 ten onrechte in rekening gebrachte kosten.

Factuur [nummer 5] – 28 juni 2024

4.53.

De bezwaren van [gedaagde] tegen deze factuur slagen niet. Per regel is aangegeven met wie de correspondentie of het overleg heeft plaatsgevonden (met bijvoorbeeld ‘cl in / uit’ of ‘adv pij in / cl uit’). Daarmee is voldoende duidelijk voor [gedaagde] waar die posten op zien. De rechtbank gaat ervan uit dat deze werkzaamheden zijn verricht. [gedaagde] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom daarvoor geen betaling verschuldigd zou zijn.

4.54.

Voor zover het verwijt van [gedaagde] tegen deze factuur is dat zij onvoldoende is voorgelicht over de kosten voorafgaand aan de daarin opgenomen werkzaamheden heeft de rechtbank dat al meegenomen in de toetsing van het Kostenbeding aan de Richtlijn oneerlijke bedingen en bijbehorende sanctie. Datzelfde geldt voor de bezwaren tegen de kantoorkosten, die onderdeel uitmaken van het Kostenbeding.

Resultaat

4.55.

Het gevolg van de geslaagde bezwaren van [gedaagde] tegen de facturen van Banning is dat in totaal een bedrag van € 1.246,23 ten onrechte bij [gedaagde] in rekening is gebracht. Ook dat bedrag komt in mindering op de totale betalingsverplichting van [gedaagde] tegenover Banning.

Schending zorgplicht Banning

4.56.

[gedaagde] heeft in conventie verder gesteld dat Banning haar zorgplicht jegens [gedaagde] heeft geschonden als goed opdrachtnemer, om verschillende redenen. Volgens [gedaagde] moeten die stellingen ‘als herhaald en ingelast’ worden beschouwd in de reconventie.

4.57.

Voor zover de gestelde schending van de zorgplicht van Banning tegenover [gedaagde] bestaat uit het onvoldoende informeren van [gedaagde] over de kosten van de werkzaamheden is dat al meegenomen in de toetsing van het Kostenbeding aan de Richtlijn oneerlijke bedingen en bijbehorende sanctie. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om het door [gedaagde] aan Banning verschuldigde bedrag verder te matigen dan zoals hiervoor beslist.

4.58.

[gedaagde] heeft ook aangevoerd dat Banning haar zorgplicht jegens [gedaagde] zou hebben geschonden vanwege inhoudelijk ondeskundig advies en onvoldoende begeleiding op verschillende momenten, en dat die omstandigheden aantonen dat onvoldoende rekening is gehouden met de positie van [gedaagde] als consument. De rechtbank heeft in het kader van de beoordeling van de oneerlijkheid van het Kostenbeding al meegewogen in welke positie [gedaagde] zich als consument bevond ten opzichte van Banning als professional.

[gedaagde] heeft aan de gestelde zorgplichtschending geen (ander) rechtsgevolg verbonden. Dit leidt dan ook niet tot (verdere) vermindering van de betalingsverplichting van [gedaagde] .

Onredelijk bezwarende bedingen in de AV

4.59.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de Algemene Voorwaarden onredelijk bezwarende bedingen bevatten en dat deze haar niet ter hand zijn gesteld. Banning heeft in deze procedure echter geen beroep gedaan op de bepalingen waarvan [gedaagde] stelt dat deze onredelijk bezwarend zijn, of anderszins de Algemene Voorwaarden aan haar vordering in conventie ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft daarom geen belang bij vaststelling of deze bedingen onredelijk bezwarend zijn of een eventuele vernietiging daarvan. De rechtbank laat daarom een verdere beoordeling van deze bedingen achterwege.

Schending art. 21 en art. 111 lid 3 Rv

4.60.

Banning heeft nagelaten in de dagvaarding een brief van [gedaagde] van 12 juni 2025 te betrekken. Daarmee heeft Banning nagelaten het verweer van [gedaagde] volledig weer te geven en dat levert een schending op van artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 111 lid 3 Rv, aldus [gedaagde] .

4.61.

Uit het dossier blijkt echter dat de brief namens [gedaagde] pas op 17 juni 2025 via de administratie van Banning bij mr. Brat terecht is gekomen. Ter zitting heeft Banning daarover onbetwist verklaard dat de dagvaarding – die op 18 juni 2025 aan [gedaagde] is betekend – daardoor de brief namens [gedaagde] heeft gekruist. Dat levert geen schending op van artikel 21 Rv.

Afwijzing vorderingen in conventie, toegewezen hoofdsom en rente in reconventie

4.62.

De rechtbank komt als resultaat van het voorgaande tot de volgende betalingsverplichting van [gedaagde] tegenover Banning.

4.63.

Niet in geschil is dat [gedaagde] een bedrag van € 23.123,44 onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] heeft gesteld dat zij een bedrag van € 45.211,69 (inclusief kantoorkosten) al aan Banning heeft betaald, met onderbouwing van dat bedrag door overgelegde facturen van Banning aan [gedaagde] . Banning heeft dit bedrag betwist en gesteld dat dit een (eerder door [gedaagde] genoemd) bedrag van € 32.945,52 moet zijn, maar dit bedrag verder niet onderbouwd. Daarmee heeft Banning de gemotiveerde stelling van [gedaagde] onvoldoende betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van het door [gedaagde] gestelde bedrag van € 45.211,69. Het volledige bedrag dat Banning in rekening heeft gebracht voor werkzaamheden en voorschotten voor [gedaagde] is daarmee € 68.335,13. Indien daarop 40% in mindering wordt gebracht (zoals overwogen in 4.32), is [gedaagde] in totaal € 41.001,10 aan Banning verschuldigd voor de door Banning verrichte prestatie op grond van de Opdracht. Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 4.210,61 onverschuldigd aan Banning heeft betaald.

4.64.

[gedaagde] heeft verder een bedrag van € 1.246,23 onverschuldigd aan Banning betaald (zoals overwogen in 4.55). In totaal is door haar dus een bedrag van € 5.456,84 onverschuldigd aan Banning betaald. De vordering van [gedaagde] in reconventie tot terugbetaling (opgesplitst in 3.5 onder (iii) en (v)) wordt tot dat bedrag toegewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.65.

De rechtbank heeft de vordering van [gedaagde] in reconventie tot vernietiging van het Kostenbeding (i) toegewezen en wijst de vorderingen opgenomen in 3.5 onder (ii) en (iv) gelet op het in dit vonnis in 4.21 tot en met 4.28 overwogene af.

4.66.

Het voorgaande betekent ook dat de vorderingen van Banning in conventie tot betaling van de openstaande facturen en rente en kosten worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.67.

Banning vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen nu de vordering in conventie van Banning wordt afgewezen.

Proceskosten in conventie

4.68.

Banning is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

€

1.374,00

- salaris advocaat

€

1.672,00

(2 punten × € 836,00)

Totaal

€

3.046,00

Proceskosten in reconventie

4.69.

De rechtbank veroordeelt Banning ook in de proceskosten van de vordering in reconventie. Weliswaar is de vordering van [gedaagde] in reconventie voor een groot deel afgewezen, maar [gedaagde] heeft voor het deel dat is toegewezen terecht een vordering in reconventie ingesteld. Die kosten worden begroot op: € 1.290,00 (1 punt x tarief € 1.290,00). Hierbij wijst de rechtbank 1 punt toe omdat de vordering in reconventie voortvloeide uit het verweer van [gedaagde] in conventie.

4.70.

Banning dient ten slotte ook de nakosten te betalen van € 296, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

4.71.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

wijst de vorderingen van Banning af,

In reconventie

5.2.

veroordeelt Banning om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 5.456,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,

In conventie en in reconventie

5.3.

veroordeelt Banning in de proceskosten van € 4.632,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Banning niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt Banning tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »