ECLI:NL:RBOVE:2026:5372

Datum uitspraak
04-09-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
ZWO 25/2553
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Terugvordering van door de SVB van het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De SVB heeft dit tot circa 5 jaar na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde nog onverschuldigd uitbetaald. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB het onverschuldigd uitgekeerde ouderdomspensioen op grond van artikel 24 van de AOW mag terugvorderen van eiser, de zoon van de uitkeringsgerechtigde die tevens één van de erfgenamen is, op grond van het feit dat het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen. Dat eiser de erfenis heeft verworpen maakt dat niet anders.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/2553

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser (hierna te noemen: [eiser] )

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB,

gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van [eiser] door de SVB van het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De SVB heeft dit tot circa 5 jaar na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde nog onverschuldigd uitbetaald. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB het onverschuldigd uitgekeerde ouderdomspensioen op grond van artikel 24 van de AOW mag terugvorderen van [eiser] , de zoon van de uitkeringsgerechtigde die tevens één van de erfgenamen is, op grond van het feit dat het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen. Dat [eiser] de erfenis heeft verworpen maakt dat niet anders.

Procesverloop

2. In het besluit van 13 februari 2025 heeft de SVB het AOW-pensioen en de AIO-aanvulling van [moeder] ( [moeder] ) ingetrokken per [datum] 2020. Er is in totaal een bedrag van € 67.419,61 ten onrechte uitgekeerd en de erfgenamen moeten dat bedrag terugbetalen.

2.1. [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.2. In het bestreden besluit van 15 augustus 2025 heeft de SVB het bezwaar van [eiser] , voor zover gericht tegen de terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen van bruto € 64.735,19, ongegrond verklaard. Het bezwaar dat [eiser] had gericht tegen de terugvordering van de te veel betaalde AIO-aanvulling van netto € 2.683,70 heeft de SVB niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift

2.5. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de SVB deelgenomen. [eiser] is niet verschenen. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en meegedeeld wanneer uitspraak zal worden gedaan.

2.6. Bij brief van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de SVB in de gelegenheid te stellen nadere vragen van de rechtbank te beantwoorden.

2.7. Bij brief van 16 april 2026 heeft de SVB de vragen van de rechtbank beantwoord. [eiser] is in de gelegenheid gesteld te reageren op de beantwoording van de vragen door de SVB. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

Nadat geen van de partijen desgevraagd te kennen heeft gegeven behoefte te hebben aan een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Aanleiding

3. [moeder] , moeder van [eiser] , is op [overlijdingsdatum] 2020 overleden. Zij ontving vanaf 1 oktober 2002 een AOW-pensioen voor een alleenstaande met een korting van 26% vanwege niet verzekerde jaren. Zij ontving daarom vanaf diezelfde datum een AIO-aanvulling op grond van artikel 47a van de Participatiewet.

3.1. [eiser] heeft van 14 februari 2020 tot en met 24 juni 2024 ingeschreven gestaan op het adres van [moeder] aan de [adres] te Deventer. Met ingang van 25 maart 2020 is de AIO-aanvulling die [moeder] ontving, aangepast vanwege het feit dat er een volwassen persoon op haar adres is komen wonen. Vanaf 25 juni 2024 is de AIO-aanvulling die [moeder] ontving, naar aanleiding van een daarvoor ingediend digitaal formulier, aangepast vanwege het feit dat er geen kostendeler meer bij haar inwoonde.

3.2. De SVB heeft op 24 december 2024 een melding ontvangen van de gemeente Deventer over een adresonderzoek naar de woonplaats van [moeder] in verband met het vermoeden dat zij in Turkije verblijft en dat onzeker is of zij nog in leven is. Daarop heeft de afdeling Preventie en Handhaving van de SVB een onderzoek ingesteld. In dit verband zijn openbare registers geraadpleegd en gegevens over het verbruik van gas, water en licht opgevraagd. Daarnaast zijn bankgegevens opgevraagd. Ook is informatie bij de woningstichting opgevraagd en is navraag gedaan bij Bureau Sociale Zaken in Turkije. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat [moeder] op [overlijdingsdatum] 2020 in Turkije is overleden. In het kader van dit onderzoek is [eiser] gehoord.

3.3. Vervolgens is de besluitvorming gevolgd zoals onder ‘Procesverloop’ uiteen is gezet.

Het bestreden besluit

4. Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat uit onderzoek is gebleken dat [moeder] op [overlijdingsdatum] 2020 in Turkije is overleden. Het AOW-pensioen en de AIO-aanvulling van [moeder] worden daarom ingetrokken per [datum] 2020. Volgens de SVB zijn er geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van de intrekking af te zien. Evenmin zijn er volgens de SVB bijzondere omstandigheden om de intrekking (de rechtbank begrijpt: de terugvordering) op grond van de evenredigheidstoets te matigen. Over de periode van [datum] 2020 tot en met januari 2025 is in totaal een bedrag van € 67.419,61 te veel uitgekeerd, namelijk € 64.735,91 bruto aan AOW-pensioen en € 2.683,70 netto aan AIO-aanvulling. De SVB vordert het bedrag € 64.735,91 aan onverschuldigd betaald AOW-pensioen van de erfgenamen terug op grond van artikel 24 van de AOW, ervan uitgaande dat het in het vermogen van de erfgenamen is terechtgekomen.De SVB heeft het beroep dat [eiser] heeft gedaan op een door hem overgelegde akte van verwerping van de nalatenschap verworpen, omdat [eiser] door zijn feitelijke gedragingen geacht moet worden de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard. Voor de SVB is daarbij redengevend dat [eiser] na het overlijden van [moeder] in haar huurwoning is gaan wonen en haar eigendommen, zoals haar inboedel en andere roerende zaken, in bezit heeft genomen, de saldi van haar bankrekening heeft geconsumeerd en haar schulden, in de vorm van achterstallige huur, heeft betaald. Na deze daden van zuivere aanvaarding kan de nalatenschap niet meer worden verworpen. [eiser] blijft, net als de overige erven, aansprakelijk voor de schulden van [moeder] , aldus de SVB in het bestreden besluit.

Het standpunt van [eiser]

5. [eiser] stelt dat de SVB fouten heeft gemaakt. Ten onrechte heeft de SVB hem als erfgenaam van [moeder] aangemerkt en van hem een bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd. [eiser] wijst erop dat hij de nalatenschap heeft verworpen en hij heeft hiervan een akte overgelegd. Het (nadere) standpunt van de SVB

6. In het verweerschrift heeft de SVB het volgende gesteld.Het te veel betaalde AOW-pensioen is in het vermogen van [moeder] gevallen en [eiser] is daarom als erfgenaam van [moeder] in beginsel (hoofdelijk) aansprakelijk voor het terugbetalen van de te veel betaalde bedragen. [eiser] heeft volgens de SVB feitelijke handelingen verricht, waaruit duidelijk blijkt dat hij de nalatenschap van rechthebbende [moeder] heeft aanvaard. Het is daarna niet meer mogelijk om de nalatenschap nog te verwerpen. [eiser] blijft daarom, net als de overige erven, aansprakelijk voor het terugbetalen van de te veel betaalde uitkeringsbedragen.

7. In de beantwoording van de vragen van de rechtbank heeft de SVB evenwel het volgende gesteld. Het AOW-pensioen dat de SVB na het overlijden van [moeder] heeft uitgekeerd, is geen schuld van [moeder] zelf geworden en is daardoor niet in haar nalatenschap gevallen. Maar het te veel betaalde AOW-pensioen is wel in het vermogen van [eiser] gevallen. Hij heeft immers verklaard dat hij een volmacht heeft gekregen van [moeder] om haar belangen te behartigen en hij beschikt(e) ook over een betaalpas van de bankrekening, waarop de onverschuldigde betalingen zijn gedaan. De vaste lasten voor de woning van [moeder] , waar [eiser] zich heeft ingeschreven na haar overlijden, zijn eveneens betaald van deze rekening. Ook heeft [eiser] na het overlijden van [moeder] van deze rekening andere betalingen gedaan. De SVB concludeert op grond hiervan dat het vermogen van [eiser] door de onverschuldigde betalingen is gebaat en dat deze daardoor tot zijn vermogen zijn gaan behoren.De SVB kan het onverschuldigd uitgekeerde AOW-pensioen niet terugvorderen ten laste van de nalatenschap, maar zij kan het wel terugvorderen van [eiser] , omdat hij haar op grond van artikel 4:182, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is opgevolgd als houder/bezitter van de betaalrekening en het daarop overgemaakte AOW-pensioen. Volgens de SVB blijft wel relevant of [eiser] de nalatenschap al dan niet (rechtmatig) heeft verworpen. Bij een terugvordering op grond van artikel 24, eerste lid, van de AOW moet het namelijk gaan om een erfgenaam. Een nabestaande die de erfenis rechtmatig heeft verworpen, is niet langer een erfgenaam, aldus de SVB. Doordat [eiser] na het overlijden van [moeder] daden van zuivere aanvaarding heeft verricht, door onder meer haar woning te betrekken, haar inboedel te gebruiken en betalingen te verrichten van haar bankrekening, is hij direct na het overlijden van [moeder] erfgenaam geworden in de zin van Boek 4 BW. De door [eiser] overgelegde akte van verwerping van de nalatenschap van 7 maart 2025 is daarom volgens de SVB is geen rechtmatige verwerping. Dat [eiser] , zoals hij stelt, niet op de hoogte was van het overlijden van zijn moeder, omdat hij geen contact meer met haar had, acht de SVB, gezien alle omstandigheden en gezien de (tegenstrijdige) verklaringen van [eiser] tegenover de SVB, niet aannemelijk. De SVB heeft [eiser] aangemerkt als erfgenaam, in wiens vermogen de onverschuldigd uitbetaalde AOW-pensioen is terechtgekomen, zodat de SVB die bedragen op grond van artikel 24, eerste lid, van de AOW kon terugvorderen.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank heeft onderzocht of de SVB terecht artikel 24 van de AOW ten grondslag heeft gelegd aan het besluit om het AOW-pensioen, dat zij ná het overlijden van de pensioengerechtigde onverschuldigd heeft uitbetaald, van [eiser] , als erfgenaam van de pensioengerechtigde, terug te vorderen. Daarvoor heeft de rechtbank aan de SVB een aantal vragen gesteld om meer duidelijkheid te krijgen over wat zij nu precies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank overweegt nu het navolgende.

9. Artikel 24, eerste lid, van de AOW luidt als volgt:Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen (cursivering door de rechtbank).

10. Het AOW-pensioen, dat de SVB na het overlijden van [moeder] over de periode van [datum] 2020 tot en met 31 januari 2025 onverschuldigd heeft uitgekeerd, is geen onderdeel van haar nalatenschap geworden. Het onverschuldigd betaalde AOW-pensioen hoort niet tot de in artikel 4:7 lid 1 van het BW genoemde schulden van de nalatenschap. De SVB kan het bedrag aan onverschuldigd betaald AOW-pensioen daarom niet terugvorderen ten laste van de nalatenschap.De SVB is er in de bestreden beslissing wel van uitgegaan dat het onverschuldigd uitgekeerde AOW-pensioen tot de nalatenschap van [moeder] behoorde en heeft in zoverre het bestreden besluit onjuist gemotiveerd.

11. Doordat het onverschuldigd uitgekeerde AOW-pensioen niet tot de nalatenschap van [moeder] behoorde, is niet relevant of [eiser] de nalatenschap (al dan niet zuiver) heeft aanvaard of verworpen. Want – anders dan de SVB in de beantwoording van de vragen van de rechtbank heeft gesteld – [eiser] blijft wel erfgenaam als bedoeld in artikel 4:10 van het BW, ook al zou hij de nalatenschap hebben verworpen. Het rechtsgevolg van een verwerping is enkel dat de erfgenaam het recht op de goederen van de nalatenschap verliest evenals hij/zij ook wordt verlost van de schulden van de nalatenschap. Andere bepalingen van Boek 4 BW met betrekking tot de afwikkeling/verdeling/vereffening van een erfenis kunnen wel degelijk ook van toepassing zijn op een erfgenaam die heeft verworpen. Omdat het onverschuldigd uitgekeerde AOW-pensioen geen onderdeel is geworden van de nalatenschap, zoals hiervoor onder 10 overwogen, is dus niet relevant of [eiser] die nalatenschap al dan niet heeft verworpen. Voor zover de SVB hier wel van is uitgegaan, berust de bestreden beslissing op een onjuiste motivering.

12. Uit het voorgaande volgt hoe dan ook, dat de SVB [eiser] terecht als erfgenaam heeft aangemerkt.

13. Dat het AOW-pensioen na overlijden van [moeder] in het vermogen van [eiser] is terechtgekomen, zoals de SVB in het bestreden besluit heeft gesteld, heeft de SVB kunnen concluderen op grond van de handhavingsrapportage van 5 februari 2025 van de afdeling Preventie & Handhaving van de SVB en het gehoor van [eiser] op 7 mei 2025 door twee sociaal rechercheurs van de SVB. [eiser] heeft deze conclusie van de SVB in beroep niet bestreden, zodat de rechtbank daar nu verder ook geen overwegingen aan wijdt.

14. Omdat op grond van voorgaande overwegingen vastgesteld kan worden dat [eiser] erfgenaam van [moeder] is en dat het onverschuldigd uitbetaalde AOW-pensioen in zijn vermogen is gevallen, is artikel 24 van de AOW hier van toepassing en heeft de SVB kunnen besluiten om het bedrag aan onverschuldigd uitbetaalde AOW-pensioen van hem terug te vorderen. Dus ook al heeft de SVB het bestreden besluit deels van een onjuiste motivering voorzien en is het beroep in zoverre gegrond, dat neemt niet weg dat het berust op een deugdelijke juridische en feitelijke grondslag.

15. [eiser] heeft in zijn beroepschrift nog gesteld dat de SVB hem op het verkeerde been heeft gezet door te zeggen dat hij geen bezwaar hoefde te maken tegen het primaire besluit van 13 februari 2025, omdat hij toch de nalatenschap zou gaan verwerpen. De SVB heeft deze stelling van [eiser] gemotiveerd weersproken. Wat er ook van zij, de rechtbank gaat aan deze stelling van [eiser] voorbij, omdat niet blijkt dat [eiser] hierdoor is beperkt in zijn bezwaar- en/of beroepsmogelijkheden.

15. Voor zover [eiser] heeft bedoeld om ook beroep in te stellen tegen de beslissing van de SVB om het bezwaar tegen de terugvordering van het bedrag van € 2.683,70 aan te veel betaalde AIO-aanvulling niet-ontvankelijk te verklaren, overweegt de rechtbank dat dit niet slaagt, omdat de terugvordering van ten onrechte uitgekeerde AIO-aanvulling gebeurt op grond van artikel 6:203 van het BW. Dit is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Daartegen kan dan ook geen bezwaar en beroep worden ingesteld.

Conclusie en gevolgen

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit, voorzover het betrekking heeft op de terugvordering van het AOW-pensioen, zal worden vernietigd. De rechtbank laat, gelet op rechtsoverweging 14, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de terugvordering van het te veel uitbetaalde AOW-pensioen in stand blijft.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de SVB het door [eiser] betaalde griffierecht vergoeden. [eiser] heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen;

  • laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand;

  • bepaalt dat de SVB het griffierecht aan [eiser] moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzitter, en mr. A.T. de Kwaasteniet en mr. A. Stockmann-Dutkusu, leden, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:72

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.

2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.

3 De bestuursrechter kan bepalen dat:

a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of

b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

(…)

Algemene Ouderdomswet

Artikel 24

1. Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen.

Burgerlijk Wetboek Boek 4

Artikel 7

1 Schulden van de nalatenschap zijn:

a. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i;

b. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene;

c. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;

d. de kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur;

e. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;

f. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3;

g. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens artikel 80 aanspraak wordt gemaakt;

h. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;

i. de schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge artikel 126 worden aangemerkt als legaten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »