ECLI:NL:CBB:2026:489

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
23/1444 en 24/256
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Algemene wet bestuursrecht (artikel 6:3 en artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder d). Appellant heeft de minister van Financiën verzocht om handhavend op te treden en over te gaan tot vernietiging van meerdere besluiten, verordeningen en nadere voorschriften van (organen van) de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). Met de brieven van 8 februari 2023 en 10 oktober 2023 heeft de minister de handhavingsverzoeken in beide zaken afgewezen. Verder heeft de minister de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het College begrijpt de handhavingsverzoeken zo dat appellant de minister heeft verzocht om een voordracht te doen bij de Kroon tot vernietiging van de in de handhavingsverzoeken genoemde besluiten van de NBA. Verder begrijpt het College de betreffende brieven van de minister zo dat de minister heeft geweigerd om een dergelijke voordracht tot vernietiging te doen bij de Kroon. Het College is van oordeel dat de betreffende brieven van de minister voorbereidingsbeslissingen tot een niet-appellabel besluit zijn waartegen geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. De motivering van de bestreden besluiten is onjuist. Vernietiging bestreden besluiten met instandlating rechtsgevolgen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 23/1444 en 24/256

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaken tussen

mr. drs. [naam 1], te [woonplaats]

en

de minister van Financiën

(gemachtigden: mr. [naam 2] en mr. drs. [naam 3])

Procesverloop

In zaak 23/1444

[naam 1] heeft de minister verzocht om handhavend op te treden en over te gaan tot vernietiging van meerdere besluiten van (organen van) de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA).

Met de brief van 8 februari 2023 heeft de minister aan [naam 1] geschreven dat de minister geen aanleiding ziet om over te gaan tot vernietiging van de besluiten zoals [naam 1] heeft verzocht. [naam 1] heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 8 juni 2023 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard.

[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

In zaak 24/256

[naam 1] heeft de minister verzocht om handhavend op te treden en over te gaan tot vernietiging van achttien verordeningen, nadere voorschriften en overige besluiten van (organen van) de NBA.

Met de brief van 10 oktober 2023 heeft de minister het handhavingsverzoek afgewezen. [naam 1] heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 13 februari 2024 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard.

[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

In de zaken 23/1444 en 24/256

[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 12 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1], en namens de minister mr. [naam 2], mr. drs. [naam 3] en mr. ing. [naam 4]. Op deze zitting is ook het hoger beroep in zaak 23/1443 behandeld.

Waar gaat deze zaak over

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In zaak 23/1444

1.2

[naam 1] heeft op 20 juni 2022 een brief aan de minister gestuurd. In deze brief heeft [naam 1] uiteengezet om welke redenen naar zijn mening de Wet op het accountantsberoep (Wab) moet worden gewijzigd. [naam 1] heeft de minister verzocht, verkort weergegeven, om wetswijzigingen door te voeren en om de Wab in overeenstemming met het Unierecht te brengen.

1.3

Met de brief van 11 september 2022 heeft [naam 1] de minister verzocht om de Verordening op de kennistoets (Stcrt. 2015, nr. 31704) te vernietigen, evenals de nadere voorschriften permanente educatie 2019 (Stcrt. 2018, nr. 67721, laatstelijk gewijzigd Stcrt. 2021, nr. 15279), het besluit tot vaststelling van de (gewijzigde) Gedragscode NBA bestuur, het besluit mandaat en machtiging bestuur NBA (Stcrt. 2013, nr. 30101) en de daarop gebaseerde ondermandaatbesluiten, het besluit tot benoeming van [naam 5] tot lid van het NBA-bestuur en overige besluiten van de ledenvergadering van 13 juni 2022, en de besluiten tot benoeming van de zittende bestuursleden.

1.4

Met de brief van 19 september 2022 heeft [naam 1] de minister aanvullend verzocht om de Verordening examen Nederlands recht en examen gedrags- en beroepsregels (Stcrt. 2013 nr. 23892, laatstelijk gewijzigd Stcrt. 2021 nr. 50102) en het daarop gebaseerde besluit van het bestuur van de NBA van 6 september 2022 te vernietigen.

1.5

Met de brief van 20 november 2022 heeft [naam 1] de minister in gebreke gesteld, omdat de wettelijke beslistermijn op de handhavingsverzoeken van [naam 1] van 11 en 19 september 2022 was verstreken zonder dat de minister een besluit had genomen. Ook heeft [naam 1] in die brief een aanvullend argument opgenomen om zijn handhavingsverzoek nader te onderbouwen.

1.6

Met de brief van 8 februari 2023 aan [naam 1] heeft de minister gereageerd op de brieven van [naam 1] van 20 juni 2022, 11 september 2022, 19 september 2022 en 20 november 2022. Daarbij heeft de minister het standpunt ingenomen, verkort weergegeven, geen gronden te zien om tot interventie en vernietiging van de verordeningen en besluiten over te gaan zoals [naam 1] heeft verzocht.

1.7

Met de brief van 21 maart 2023 heeft [naam 1] bezwaar gemaakt tegen de brief van 8 februari 2023 van de minister.

1.8

Met de brief van 14 april 2023 heeft de minister aan [naam 1] de ontvangst van zijn bezwaarschrift bevestigd en hem in de gelegenheid gesteld om toe te lichten waarom [naam 1] belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat een handhavingsverzoek alleen door een belanghebbende kan worden gedaan.

1.9

[naam 1] heeft in zijn brief van 19 april 2023 aan de minister toegelicht waarom hij naar zijn mening belanghebbende is bij de door hem gedane handhavingsverzoeken.

1.10

Met het bestreden besluit 1 heeft de minister het bezwaar van [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 8 februari 2023 geen besluit is. [naam 1] is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb, zodat de minister de onder 1.2 tot en met 1.5 genoemde brieven niet hoefde op te vatten als een aanvraag in de zin van de Awb.

In zaak 24/256

1.11

Met de brief van 5 juli 2023 heeft [naam 1] de minister verzocht om achttien verordeningen, nadere voorschriften en overige besluiten van (organen van) de NBA geheel of gedeeltelijk te vernietigen wegens strijd met onder meer Richtlijn 2006/43/EG, Richtlijn 2018/958/EU en de Wab. Het handhavingsverzoek heeft mede betrekking op de benoemingsbesluiten van de leden van de Commissie Eindtermen Accountancy (CEA).

1.12

Met de brief van 10 oktober 2023 heeft de minister het handhavingsverzoek van [naam 1] afgewezen. Wat het handhavingsverzoek betreft over de benoemingsbesluiten van de leden van de CEA, heeft de minister het verzoek afgewezen, omdat [naam 1] daarbij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Wat het handhavingsverzoek voor het overige betreft, heeft de minister het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het is namelijk een herhaald handhavingsverzoek, omdat het betrekking heeft op dezelfde onderwerpen als het handhavingsverzoek van 11 september 2022, en [naam 1] heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van dat eerdere handhavingsverzoek vermeld.

1.13

Met de brief van 4 november 2023 heeft [naam 1] bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek.

1.14

Met het bestreden besluit 2 heeft de minister het bezwaar van [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daarom is zijn handhavingsverzoek van 5 juli 2023 geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Bovendien volgt uit de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb dat alleen door een belanghebbende bezwaar kan worden aangetekend tegen een besluit. Daarnaast vermeldt de minister in het bestreden besluit 2 (naar het College begrijpt: ten overvloede) dat het verzoek om de zittende bestuursleden van de NBA te ontslaan een herhaalde aanvraag is, en dat hij dit verzoek daarom afwijst op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Beoordeling van de beroepen

2 Aan de orde is de vraag of de minister met de bestreden besluiten 1 en 2 terecht [naam 1] niet-ontvankelijk in zijn bezwaar heeft verklaard. Het College is van oordeel dat de minister met de bestreden besluiten 1 en 2 [naam 1] weliswaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar, maar volgens het College bestaat daarvoor een andere grond dan waarop de minister zich heeft gebaseerd. Het College is namelijk van oordeel dat [naam 1] niet-ontvankelijk was in zijn bezwaar in beide zaken, omdat geen beroep en daarmee geen bezwaar openstaat tegen de weigering door de minister tot het voordragen van de besluiten van de NBA voor schorsing of vernietiging, zoals het College de brieven van de minister van 8 februari 2023 en 10 oktober 2023 aan [naam 1] begrijpt. Daarom zal het College de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigen wegens een motiveringsgebrek, waarbij het College het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid in beide bestreden besluiten in stand zal laten. Het College licht dit hieronder toe.

Standpunten van partijen

3.1

[naam 1] stelt zich in beide zaken op het standpunt dat de minister de bestreden besluiten niet toereikend heeft gemotiveerd. De minister is ten onrechte niet ingegaan op de afzonderlijke besluiten van de NBA waarop de handhavingsverzoeken van [naam 1] betrekking hadden. In aanvulling hierop heeft [naam 1] in zaak 23/1444 aangevoerd dat de minister in het bestreden besluit 1 ten onrechte niet is ingegaan op het bezwaar van [naam 1] dat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn op het handhavingsverzoek van [naam 1] heeft beslist. Tot slot voert [naam 1] in beide zaken aan dat de minister ten onrechte [naam 1] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. [naam 1] is namelijk belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij zijn handhavingsverzoeken.

3.2

De minister stelt zich op het standpunt dat zijn brieven van 8 februari 2023 en 10 oktober 2023 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. [naam 1] is bij zijn handhavingsverzoeken namelijk geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en daarom zijn de handhavingsverzoeken geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Op de zitting van het College heeft de minister daarnaast aangevoerd dat in het geval de brieven van 8 februari 2023 en 10 oktober 2023 besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, daartegen geen beroep openstaat op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.

Juridisch kader

4.1

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wab is de NBA een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet. In artikel 134, derde lid, van de Grondwet is bepaald dat de wet het toezicht op de besturen van openbare lichamen voor beroep en bedrijf regelt en dat vernietiging van besluiten van deze besturen alleen kan geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. De vernietigingsbevoegdheid die betrekking heeft op besluiten van een ander bestuursorgaan kan op grond van artikel 10:34 van de Awb alleen worden verleend bij de wet. Artikel 10:35 van de Awb herhaalt dat vernietiging alleen kan geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Voor besluiten van de NBA is de vernietigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 35, eerste lid, van de Wab. Op grond van deze bepaling kunnen verordeningen en andere besluiten van de NBA bij koninklijk besluit worden vernietigd.

4.2

Op de zitting van het College heeft de minister, onder verwijzing naar het Beleidskader schorsing en vernietiging (Kamerstukken II 2009/10, 32389, nr. 5, bijlage 72890), desgevraagd verklaard dat de minister gelet op het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de Wab een voordracht kan doen bij de Kroon tot vernietiging van een verordening of een ander besluit van de NBA.

Beoordeling

5.1

In het licht van het voorgaande begrijpt het College de handhavingsverzoeken van [naam 1] zo dat hij de minister heeft verzocht om een voordracht te doen bij de Kroon tot vernietiging van de in de handhavingsverzoeken genoemde besluiten van de NBA. Verder begrijpt het College de brieven van 8 februari 2023 en 10 oktober 2023 van de minister aan [naam 1] zo dat de minister heeft geweigerd om een dergelijke voordracht tot vernietiging te doen bij de Kroon.

5.2

Het College is van oordeel dat de brieven van 8 februari 2023 en 10 oktober 2023 van de minister aan [naam 1] voorbereidingsbeslissingen tot een niet-appellabel besluit zijn, waartegen geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Het College licht dit hierna toe.

5.3

Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. In artikel 8:4 van de Awb wordt een aantal categorieën van besluiten van de vatbaarheid voor beroep uitgezonderd. Op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen een besluit inhoudende schorsing of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan. Op grond van artikel 6:3 van de Awb is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

5.4

Artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb brengt mee dat een besluit tot vernietiging door de Kroon van een verordening of een ander besluit van de NBA waar [naam 1] om heeft verzocht, niet vatbaar is voor beroep. Met de brieven van 8 februari 2023 en 10 oktober 2023 heeft de minister geweigerd om een voordracht te doen bij de Kroon tot vernietiging van de besluiten van de NBA. Voordrachten van de minister bij de Kroon tot vernietiging van besluiten van de NBA zijn naar het oordeel van het College beslissingen ter voorbereiding van een besluit door de Kroon over het (al dan niet) vernietigen van besluiten van de NBA. Op grond van artikel 6:3 van de Awb zijn deze voorbereidingsbeslissingen niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep. Naar het oordeel van het College doet de in artikel 6:3 van de Awb opgenomen uitzondering zich in dit geval niet voor.

5.5

Uit het voorgaande volgt dat de motivering van de bestreden besluiten onjuist is.

5.6

Gelet op wat hiervoor is overwogen komt het College niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden van [naam 1] die betrekking hebben op de inhoud van de bestreden besluiten.

Slotsom

6 De bestreden besluiten 1 en 2 zijn in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepen van [naam 1] tegen beide bestreden besluiten zijn dus gegrond wat betreft de motivering van deze besluiten en deze besluiten komen in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Omdat de bezwaren van [naam 1] terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, ziet het College aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb).

7 Het College zal de minister opdragen het in beroep betaalde griffierecht aan [naam 1] te vergoeden. In zaak 23/1444 bedroeg het griffierecht € 184,- en in zaak 24/256 bedroeg het griffierecht € 187,-, dus in totaal € 371,-.

Beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 1 en het bestreden besluit 2;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;

- draagt de minister op het betaalde griffierecht van in totaal € 371,- aan [naam 1] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, mr. H.L. van der Beek en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. D.L. van Hal-Vermeer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.

w.g. H.S.J. Albers w.g. D.L. van Hal-Vermeer

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »