RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12262760 \ CV EXPL 26-1868
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.M. Jansen,
toevoegingsnummer: 5EN5750,
tegen
MELK TRANSPORT TWENTE B.V.,
te Hardenberg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Melk Transport Twente,
procederend in persoon.
1 De zaak in het kort
[eiser] is werkzaam als [functie] bij Melk Transport Twente. In dit kort geding vordert [eiser] betaling van achterstallig loon, de wettelijke rente, de wettelijke verhoging en het toekomstige loon. Ook vordert [eiser] afgifte van een werkgeversverklaring. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] grotendeels toewijzen. Hierna wordt dit oordeel toegelicht.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14,
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden, met dien verstande dat partijen de twee weken tussen de zitting en het vonnis gebruiken voor mediation, en de kantonrechter zullen berichten als een vonnis niet meer nodig is. De kantonrechter heeft op 17 juli 2026 van [eiser] het verzoek ontvangen om vonnis te wijzen.
3 De feiten
Melk Transport Twente is een transportbedrijf op het gebied van melk en zuivelgrondstoffen.
Sinds eind 2019 is [eiser] werkzaam bij Melk Transport Twente als [functie] . Met ingang van 28 oktober 2021 is [eiser] bij Melk Transport Twente in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een (laatstelijk geldend) maandsalaris van € 3.520,40 bruto, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
Sinds 9 januari 2026 heeft Melk Transport Twente de ziekmelding van [eiser] in haar administratie verwerkt.
Op 14 januari 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Melk Transport Twente, [eiser] en een arbeidsdeskundige van TVM (de arbodienst van Melk Transport Twente). Dit gesprek heeft geresulteerd in een plan van aanpak.
Op 13 februari 2026, 21 april 2026 en 16 juni 2026 is [eiser] gezien door een bedrijfsarts. In de berichten van de bedrijfsarts van VerdiFit is, voor zover relevant, opgenomen:
‘‘21.04.2026: Betrokkene is momenteel arbeidsongeschikt op medische gronden door een combinatie van werk en niet-werk gerelateerde factoren. (…) Hierdoor is het op dit moment niet verstandig te starten om te starten met de re-integratie. Daarnaast hebben zich bepaalde situaties voorgedaan op het werkt die niet bijdragen aan het herstel. Betrokkene werkt nu niet en is door de onvoorspelbare klachten ook gestopt met het meerijden bij een collega.
(…)
Daarnaast adviseer ik om met elkaar in gesprek te gaan, eventueel met een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld iemand van HR) om de werk gerelateerde factoren te bespreken en op te lossen. Het is belangrijk voor het herstel om de neuzen weer dezelfde kant op te krijgen. Het lijkt me goed om sociaal contact te onderhouden om de binding te versterken, bijvoorbeeld 1x per 2-3 weken. (…)
16.6.2026: Op dit moment acht ik betrokkene nog steeds arbeidsongeschikt op medische gronden en verwacht ik dat er pas ruimte gaat ontstaan voor de re-integratie als de werkgerelateerde facturen opgelost zijn. (…)
Omtrent de werk gerelateerde factoren lijkt het me verstandig om met elkaar in gesprek te gaan, waarbij een onafhankelijke derde (mediation) aansluit om hierin te ondersteunen. Het lijkt mij verstandig om dat gesprek vanaf week 29 te plannen, zodat betrokkene eerst echt de focus kan houden op het herstel. De verwachting is dat er weer ruimte gaat ontstaan voor het toetsen van de belastbaarheid, zodra de werk gerelateerde factoren zijn opgelost. Ik heb met betrokkene besproken om in dat geval te starten met 2x2 uur aaneengesloten fysieke lichte werkzaamheden tot aan het volgende consulent.’’
Vanaf mei 2026 heeft Melk Transport Twente geen loon meer uitbetaald aan [eiser] .
4 Het geschil
[eiser] vordert (kort samengevat) dat de kantonrechter, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis:
I. Melk Transport Twente zal veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 4.378,77 netto aan loon over de maand mei en vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026,
II. Melk Transport Twente zal veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 3.449,99 bruto aan wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026,
III. Melk Transport Twente zal veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 3.520,40 bruto per maand aan loon vanaf de maand juni, vermeerderd met de wettelijke rente,
IV. Melk Transport Twente zal veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging hierover,
V. Melk Transport Twente zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 703,41,
VI. Melk Transport Twente zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis een werkgeversverklaring te doen toekomen aan [eiser] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van
€ 25.000,00,
VII. Een beslissing zal nemen die de kantonrechter in goede justitie passend acht,
en met veroordeling van Melk Transport Twente in de proces-en nakosten.
Melk Transport Twente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Spoedeisend belang
Een loonvordering heeft naar haar aard een spoedeisend karakter. In dit geval ontvangt [eiser] sinds mei 2026 geen loon meer van Melk Transport Twente. Daarmee is het spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening gegeven.
Toetsingskader
Vervolgens moet worden beoordeeld of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.
Loonstop is ten onrechte opgelegd
Vast staat dat Melk Transport Twente de loonbetaling met ingang van de maand mei 2026 heeft gestopt en dit telefonisch aan [eiser] heeft medegedeeld. Partijen verschillen van mening over de vraag of de loonstop terecht is opgelegd.
Tijdens de zitting heeft Melk Transport Twente zich op het standpunt gesteld dat zij terecht een loonstop heeft opgelegd. Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat [eiser] de gemaakte afspraken niet is nagekomen. Daarnaast twijfelt Melk Transport Twente aan het advies van de bedrijfsarts omdat haar geluiden hebben bereikt dat [eiser] aan het werk is, zijn huis aan het opknappen is en tegenover anderen zou hebben verklaard dat hij pas weer aan het werk gaat bij Melk Transport Twente zodra zijn klushuis klaar is.
De kantonrechter overweegt als volgt. [eiser] is sinds 9 januari 2026 arbeidsongeschikt. Een werknemer behoudt in geval van arbeidsongeschiktheid in beginsel recht op loon op grond van artikel 7:629 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. In lid 3 van voornoemd artikel is onder andere opgenomen dat een werknemer geen recht heeft op loon als hij - kort gezegd - zijn genezing belemmert of vertraagt (sub b) dan wel zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan zijn re-integratietraject (sub d). Daarnaast geldt op grond van lid 7 van hetzelfde artikel dat de werkgever een werknemer onverwijld in kennis moet stellen van de reden voor de loonstop voordat het loon stopgezet kan worden.
Uitgaande van dit beoordelingskader is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat Melk Transport Twente de loonstop ten onrechte heeft opgelegd. Melk Transport Twente heeft toegelicht dat de afspraak met [eiser] inhield dat [eiser] op het werk langs zou komen om koffie te drinken en te bespreken welke werkzaamheden hij zou kunnen verrichten, anders dan zijn werkzaamheden als [functie] . Dat het voor [eiser] duidelijk was dat het niet nakomen van deze afspraak tot gevolg zou hebben dat zijn loonbetaling zou worden stopgezet, is niet komen vast te staan. Niet is gebleken ook dat Melk Transport Twente onverwijld [eiser] heeft geïnformeerd over de reden van de loonstop. Evenmin is gebleken dat er een reden was voor een loonstop. Uit het advies van de bedrijfsarts van
21 april 2026 komt naar voren dat er nog niet gestart kon worden met de re-integratie. In het laatste advies van 16 juni 2026 heeft de bedrijfsarts opgenomen dat [eiser] nog steeds arbeidsongeschikt is. Ook is daarin, anders dan in het verslag van 21 april 2026, niet langer geadviseerd om sociaal contact te onderhouden omdat volgens de bedrijfsarts eerst de werkgerelateerde factoren opgelost moeten worden. Dat [eiser] niet in overeenstemming heeft gehandeld met deze adviezen van de bedrijfsarts heeft Melk Transport Twente onvoldoende aannemelijk gemaakt. In het geval Melk Transport Twente twijfels heeft over de juistheid van het advies van de bedrijfsarts, had op haar weg gelegen om een second opinion bij een andere bedrijfsarts of een deskundigenoordeel van het UWV aan te vragen. Niet gebleken is dat Melk Transport Twente dit heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat Melk Transport Twente van horen zeggen heeft vernomen dat [eiser] elders werkzaamheden zou verrichten is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] niet arbeidsongeschikt is. Daarbij komt dat [eiser] dit heeft betwist. [eiser] heeft toegelicht dat hij slechts af toe op een boerderij van een vriend helpt om wat om handen te hebben. In dit kort geding is daarom onvoldoende aannemelijk geworden dat Melk Transport Twente een reden had om het loon niet meer uit te betalen.
Loon mei 2026, vakantiegeld, wettelijke rente en wettelijke verhoging
Het door [eiser] gevorderde loon over de maand mei 2026 is dan ook toewijsbaar.
Dit geldt ook voor het gevorderde vakantiegeld dat is vermeld op de salarisstrook van de maand mei 2026. Melk Transport Twente heeft aangevoerd dat [eiser] nog geen aanspraak kan maken op uitbetaling van het vakantiegeld, omdat [eiser] arbeidsongeschikt is en zij op grond van de arbeidsovereenkomst pas in juni 2026 tot uitbetaling daarvan hoeft over te gaan. Hierin volgt de kantonrechter Melk Transport Twente hierin niet. Op grond van de arbeidsovereenkomst is het vakantiegeld inmiddels opeisbaar geworden. Daarbij komt dat Melk Transport Twente heeft toegelicht dat zij het vakantiegeld aan alle [functie] (met uitzondering van [eiser] ) heeft uitbetaald in de maand mei 2026. De enkele omstandigheid dat [eiser] arbeidsongeschikt is, brengt niet mee dat hij geen recht heeft op uitbetaling van het vakantiegeld.
Nu Melk Transport Twente het loon en het vakantiegeld niet op tijd heeft betaald, is zij daarover de gevorderde wettelijke rente verschuldigd. Ook de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW is toewijsbaar. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze te matigen. Melk Transport Twente heeft geen omstandigheden aangevoerd die hiertoe aanleiding geven.
Loon juni, wettelijke rente en wettelijke verhoging
Over het loon over juni 2026 overweegt de kantonrechter als volgt. Melk Transport Twente heeft verklaard dat zij het loon altijd op de 23ste van de maand uitbetaald. Nu dit loon daarom inmiddels opeisbaar is geworden en dit loon niet is betaald, zijn de daarover gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging (waartegen ook geen verweer is gevoerd door Melk Transport Twente) eveneens toewijsbaar.
Toekomstig loon, wettelijke rente en wettelijke verhoging
Wat betreft het loon over juli 2026 overweegt de kantonrechter als volgt. [eiser] vordert Melk Transport Twente te veroordelen om het loon van [eiser] te blijven betalen. Blijkens het lichaam van de dagvaarding (onder 16.) ziet deze vordering op de periode totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. In het onderhavige kort geding heeft Melk Transport Twente nadrukkelijk te kennen gegeven niet van plan te zijn om het loon te betalen, omdat Melk Transport Twente twijfelt aan de gegrondheid van de ziekmelding van [eiser] . Zo lang ziek thuis zitten zonder enige vorm van werkhervatting draagt bovendien niet bij aan herstel en is voor niemand goed, [eiser] moet daarom weer aan de slag, aldus Melk Transport Twente. Gelet hierop is de vrees gerechtvaardigd dat Melk Transport Twente ook in de toekomst het loon niet zal betalen. Het gevorderde toekomstig loon wordt daarmee toegewezen zolang de arbeidsovereenkomst duurt en de loonbetalingsverplichting geldt. Omdat het toekomstige loon nog niet opeisbaar is, bestaat er nog geen aanspraak op wettelijke rente en wettelijke verhoging. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden afgewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 703,41 worden toegewezen.
Werkgeversverklaring
[eiser] vordert dat Melk Transport Twente een werkgeversverklaring aan hem verstrekt. Nu Melk Transport Twente tijdens de zitting heeft aangegeven dat zij deze naar waarheid ingevuld kan overleggen, zal deze vordering ook worden toegewezen. Gelet op de moeizame relatie tussen partijen en om te bewerkstelligen dat deze verplichting wordt nagekomen, zal de gevorderde dwangsom worden toegewezen. Wel zal deze worden gematigd tot € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,00.
Proceskosten
Melk Transport Twente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Melk Transport Twente niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
93,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
|
|
Totaal |
€ |
814,00 |
6 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Melk Transport Twente om aan [eiser] een bedrag van € 4.378,77 netto aan loon over de maand mei 2026 en vakantiegeld te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 juni 2026 tot de dag van algehele voldoening,
veroordeelt Melk Transport Twente om aan [eiser] een bedrag van € 3.449,99 bruto aan wettelijke verhoging over 6.1. te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 juli 2026 tot de dag van algehele voldoening,
veroordeelt Melk Transport Twente om aan [eiser] een bedrag van € 3.520,40 bruto over de maand juni 2026 te betalen,
veroordeelt Melk Transport Twente om aan [eiser] de wettelijke verhoging tot maximaal de helft te betalen over het loon van de maand juni 2026,
veroordeelt Melk Transport Twente om aan [eiser] het verschuldigde loon vanaf de maand juli tot en met het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen,
veroordeelt Melk Transport Twente om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 703,41 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt Melk Transport Twente om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] een volledig naar waarheid ingevulde en ondertekende standaard werkgeversverklaring volgens het formulier zoals door [eiser] aan deze uitspraak zal worden gehecht te doen toekomen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,00,
veroordeelt Melk Transport Twente in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026. |
||