ECLI:NL:RBNHO:2026:12290

Datum uitspraak
17-09-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
K/4102/12299228
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Geschil over de uitleg van de bepaling over de duur van de arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten deze worden uitgelegd in het nadeel van de werkgever. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met daarin een specifieke einddatum opgesteld en in de correspondentie met werknemer daarna meermaals gerefereerd aan die specifieke einddatum. Werknemer mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat de einddatum van de overeenkomst 30 april 2026 was (en daarmee dat de overeenkomst niet voor twaalf maar voor dertien maanden was aangegaan). Werkgever wordt daarom veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon en de niet-genoten vakantiedagen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer / rekestnummer: 12299228 \ AO VERZ 26-90

Beschikking van 17 september 2026

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [plaats]

verzoekster

hierna te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. N. Baouch

tegen

THE CORNER ZANDVOORT B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Zandvoort

verwerende partij

hierna te noemen: The Corner

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], bestuurder (hierna: [vertegenwoordiger])

1 De zaak in het kort

Geschil over de uitleg van de bepaling over de duur van de arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten deze worden uitgelegd in het nadeel van de werkgever. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met daarin een specifieke einddatum opgesteld en in de correspondentie met werknemer daarna meermaals gerefereerd aan die specifieke einddatum. Werknemer mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat de einddatum van de overeenkomst 30 april 2026 was (en daarmee dat de overeenkomst niet voor twaalf maar voor dertien maanden was aangegaan). Werkgever wordt daarom veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon en de niet-genoten vakantiedagen.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 26 juni 2026 met 16 producties,

- het verweerschrift met producties a en b,

- de e-mail van The Corner van 17 augustus 2026, waarmee zij twee screenshots in het geding heeft gebracht,

- de e-mail van [verzoekster] van 17 augustus 2026, waarmee zij productie 17 in het geding heeft gebracht,

- de e-mail van [verzoekster] van 19 augustus 2026, waarmee zij de producties 18 en 19 in het geding heeft gebracht,

- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de pleitnota van [verzoekster].

2.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

3 De feiten

3.1.

[verzoekster] is van 1 december 2023 tot en met 30 november 2024 bij The Corner in dienst geweest in de functie van medewerkster bediening. Met ingang van 1 april 2025 zijn partijen een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd aangegaan. In de arbeidsovereenkomst staat opgenomen dat deze ‘wordt aangegaan voor een periode van 12 maanden, met als einddatum 30-04-2026’. [verzoekster] was werkzaam voor minimaal 38 uren per week, tegen een bruto salaris van € 2.926,87 per maand exclusief emolumenten. De CAO Horeca is op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard.

3.2.

[verzoekster] is vanaf 13 september 2025 tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst volledig arbeidsongeschikt geweest.

3.3.

In een e-mail van 15 november 2025 heeft [vertegenwoordiger] [verzoekster] onder meer als volgt bericht:

“(..) Zoals jij ook weet, hebben we jou tijdens de 3 functioneringsgesprekken al aangegeven jouw contract niet te verlengen. Het contract loopt af op 30-04-2026.”

3.4.

In een e-mail van 30 november 2025 schrijft [vertegenwoordiger] onder andere het volgende aan [verzoekster]:

“(..) En zo als ik heb mondeling aan gegeven van ons laatste gesprek begin september 2025. Dat jou contract wordt niet verlingt. Dus bij deze is het ook schriftelijk dat je dienstverband met The Corner Zandvoort wordt beëindigen per 30-04-2026.”

3.5.

[vertegenwoordiger] heeft [verzoekster] bij brief van 11 februari 2026 als volgt bericht:

“(..) Hierbij informeren wij u dat uw arbeidsovereenkomst met The Corner Zandvoort B.V. van rechtswege zal eindigen per 31 maart 2026. Dat betekent dat uw contract op deze datum afloopt en niet zal worden verlengd. (..)”

3.6.

In een e-mail van [vertegenwoordiger] van 28 februari 2026 is [verzoekster] als volgt geïnformeerd:

“(..) Hierbij informeren wij u dat uw arbeidsovereenkomst met The Corner Zandvoort B.V. van rechtswege zal eindigen per 30 april 2026. Dat betekent dat uw contract op deze datum afloopt en niet zal worden verlengd.

Tot en met einddatum blijft uw arbeidsovereenkomst ongewijzigd van kracht en gelden de bestaande afspraken en voorwaarden. (..)”

3.7.

Bij e-mail van 19 mei 2026 heeft de gemachtigde van [verzoekster] The Corner gesommeerd om voor 22 mei 2026 tot betaling van het salaris over april 2026, de uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren en de transitievergoeding over te gaan. The Corner heeft niet aan die sommatie voldaan.

3.8.

[vertegenwoordiger] heeft de gemachtigde van [verzoekster] namens The Corner als volgt bericht:

“(..) Mevrouw [verzoekster] had bij mij een jaar contract.

Het jaar contract begint op 01-04-2025

Een jaar van 12 maanden dat betekent dat het einde contract is op 31-03-2026.

En jaar is 12 maanden geen 13. (..)”

3.9.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft [vertegenwoordiger] in reactie op de onder 3.8 opgenomen e-mail, kort gezegd, bericht dat in de arbeidsovereenkomst een einddatum van 30 april 2026 staat en heeft The Corner nogmaals gesommeerd tot betaling van de onder 3.7 genoemde bedragen. The Corner heeft niet volledig aan die sommatie voldaan.

3.10.

Bij brief van 26 mei 2026 heeft het UWV [verzoekster] bericht dat zij met ingang van 1 mei 2026 recht heeft op een Ziektewet-uitkering.

4 Het verzoek

4.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter, na vermindering van het verzoek ter zitting, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, The Corner te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van:

1. de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, ten bedrage van € 87,33 bruto,

2. € 2.780,53 bruto aan achterstallig loon over april 2026, te vermeerderen met

€ 222,44 bruto aan vakantiebijslag, derhalve € 3.002,97 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

3. € 2.046,63 bruto ter zake van niet-genoten vakantiedagen, inclusief vakantiebijslag;

4. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallige loon en de uitbetaling van de vakantiedagen, tot het wettelijke maximum van 50%;

5. de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over alle voornoemde bedragen vanaf de datum waarop deze opeisbaar zijn geworden tot aan de dag der algehele voldoening;

6. € 525,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

7. de proceskosten, waaronder begrepen het griffierecht en het salaris van de gemachtigde van [verzoekster];

8. de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan de veroordelingen wordt voldaan.

4.2.

[verzoekster] legt het volgende aan haar verzoeken ten grondslag. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 30 april 2026. The Corner beroept zich ter onderbouwing van haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst al per 31 maart 2026 is geëindigd op een document dat niet tussen partijen is overeengekomen. Subsidiair geldt dat The Corner, gelet op haar eigen uitlatingen waarin zij de einddatum van 30 april 2026 meermaals heeft bevestigd, haar recht heeft verwerkt, althans niet meer met succes kan terugkomen op een eerdere einddatum. Voor zover geldt dat in de arbeidsovereenkomst wordt gesproken over een duur van twaalf maanden, geldt dat sprake is van een interne tegenstrijdigheid binnen de door The Corner opgestelde arbeidsovereenkomst. Deze onduidelijkheid dient voor rekening en risico van The Corner te komen. [verzoekster] mocht vertrouwen op de expliciet opgenomen einddatum van 30 april 2026 en heeft haar handelen daarop afgestemd. [verzoekster] heeft daardoor nog recht op betaling van het achterstallig loon plus emolumenten en de daarover verschuldigde wettelijke verhoging en wettelijke rente. Zij heeft ook recht op betaling van de door The Corner verschuldigde transitievergoeding en de niet-genoten vakantiedagen.

5 Het verweer

5.1.

The Corner voert verweer. De stelling dat de arbeidsovereenkomst pas op 30 april 2026 is geëindigd, berust op een evidente en voor [verzoekster] kenbare administratieve fout in één van de tussen partijen gewisselde contractversies. Partijen hebben altijd de uitgesproken bedoeling gehad om een jaarcontract aan te gaan, aansluitend op de eerdere arbeidsverhouding. The Corner heeft de arbeidsovereenkomst op 11 februari 2026 tijdig en rechtsgeldig aangezegd tegen de werkelijke einddatum van 31 maart 2026. Dat The Corner naderhand op het verkeerde been is gezet door uitlatingen van de gemachtigde van [verzoekster] betekent niet dat zij afstand van recht heeft gedaan. Primair is er na 1 april 2026 geen loon verschuldigd omdat het dienstverband toen reeds was geëindigd. Subsidiair, voor zover er na 1 april 2026 nog wel een dienstverband mocht worden aangenomen, geldt dat de loonaanspraak moet worden verminderd met de door [verzoekster] aangevraagde Ziektewetuitkering op grond van artikel 7:629 lid 5 BW.

5.2.

The Corner verzoekt de kantonrechter om:

1. De vorderingen van [verzoekster] met betrekking tot het loon over april 2026 primair af te wijzen;

2. Subsidiair, indien een dienstverband in april 2026 wordt aangenomen, te bepalen dat de loonbetaling wordt verminderd met de door [verzoekster] ontvangen Ziektewet-uitkering conform artikel 7:629 lid 5 BW;

3. De transitievergoeding toe te kennen op basis van de berekening van 1 jaar, derhalve € 1.053,67 bruto;

4. De vordering met betrekking tot de vakantiedagen te matigen conform de feitelijke opbouw en aftrek van de opgenomen dagen, tot een bedrag van € 1.890,37 bruto;

5. De gevorderde wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten volledig af te wijzen althans te matigen, waar mogelijk tot nihil;

6. [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, althans de proceskosten te compenseren.

6 De beoordeling

6.1.

Gelet op de samenhang zullen de verzoeken en tegenverzoeken gezamenlijk worden behandeld.

6.2.

In dit geschil staat de vraag op welke datum de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is geëindigd centraal.

6.3.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de arbeidsovereenkomst die door The Corner is opgesteld een kennelijke fout bevat, omdat de bepaling over de duur van de arbeidsovereenkomst (twaalf maanden) en de periode tussen de daarin opgenomen aanvangs- en einddatum (dertien maanden) innerlijk tegenstrijdig zijn. Voor de vraag hoe deze bepalingen moeten worden uitgelegd, komt het aan op de betekenis die partijen daar in de gegeven omstandigheden over en weer aan mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-maatstaf). Ook kan bij twijfel over de betekenis van een beding de voor de wederpartij gunstige uitleg een rol spelen.1Deze uitlegnorm hangt samen met het beginsel dat bepalingen in een overeenkomst duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld.

6.4.

Voor wat betreft de bedoeling van partijen bij aanvang van het dienstverband staan

de verklaringen van partijen tegenover elkaar, waardoor op deze grond geen duidelijkheid kan worden verkregen over de uitleg van de bepaling. Volgens The Corner is de overeenkomst expliciet voor twaalf maanden aangegaan, maar is de in eerste instantie overeengekomen einddatum abusievelijk in het contract blijven staan nadat de startdatum van de overeenkomst een maand naar voren was geschoven. Volgens de lezing van [verzoekster] hebben partijen ondanks het naar voren schuiven van de ingangsdatum van het contract vast willen houden aan de eerder vastgestelde einddatum en bedroeg de duur van het contract daarmee dertien maanden. De kantonrechter zal het beding in het nadeel van The Corner uitleggen. Daarvoor is het volgende redengevend. Allereerst is niet in geschil dat The Corner de door [verzoekster] in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst heeft opgesteld. Het was in beginsel ook aan The Corner als werkgever om, als het de uitdrukkelijke bedoeling was een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden aan te gaan, daaraan ook de juiste einddatum te koppelen. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt dan ook voor haar rekening en risico.

6.5.

Daar komt bij dat The Corner van meet af aan ook zelf kennelijk is uitgegaan van de einddatum 30 april 2026. Zo heeft [vertegenwoordiger] op de mondelinge behandeling aangegeven dat ook zijn administrateur is uitgegaan van deze einddatum. Ook is op verschillende momenten aan [verzoekster] de einddatum 30 april 2026 gecommuniceerd, dan wel aangezegd (3.3, 3.4, 3.6). Als The Corner er kennelijk zelf al die tijd vanuit is gegaan dat de einddatum van de overeenkomst 30 april 2026 was, valt naar het oordeel van de kantonrechter niet in te zien hoe [verzoekster] er desondanks vanuit had moeten gaan dat de einddatum 31 maart 2026 was. Het feit dat The Corner eenmalig heeft aangezegd tegen de einddatum 31 maart 2026 (3.5), maakt dit niet anders. Krap twee weken later heeft The Corner immers weer aangezegd tegen de einddatum 30 april 2026 (3.6). [verzoekster] mocht er in de gegeven omstandigheden dan ook redelijkerwijs op vertrouwen dat de einddatum van de arbeidsovereenkomst 30 april 2026 was, zodat de arbeidsovereenkomst op die datum is geëindigd. De voorafgaand aan de mondelinge behandeling door The Corner overgelegde (tweede) arbeidsovereenkomst, waarin (wel) de einddatum 31 maart 2026 staat opgenomen, maakt niet anders, gezien de gemotiveerde betwisting door [verzoekster] dat zij deze arbeidsovereenkomst eerder heeft gezien, dan wel ondertekend.

transitievergoeding

6.6.

Partijen zijn het erover eens dat [verzoekster] recht heeft op een transitievergoeding. The Corner heeft in augustus 2026 het volgens haar verschuldigde bedrag aan transitievergoeding, € 1.053,67, al aan [verzoekster] voldaan. [verzoekster] heeft haar verzoek tot betaling van de transitievergoeding verminderd tot het volgens haar resterende bedrag van € 87,33 bruto. De kantonrechter wijst dit verzoek toe, omdat The Corner dit bedrag verschuldigd is op grond van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet op 31 maart, maar op 30 april 2026 is geëindigd. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 juni 2026. Het tegenverzoek onder 3 ligt gezien het voorgaande voor afwijzing gereed.

achterstallig loon en vakantiebijslag

6.7.

Gelet op de conclusie onder 6.5, is The Corner het loon over maand april 2026 nog aan [verzoekster] verschuldigd. The Corner heeft de hoogte van het door [verzoekster] genoemde bedrag aan salaris en vakantiebijslag niet betwist, zodat de kantonrechter dit zal toewijzen zoals verzocht. De wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt toegewezen vanaf de datum van het verzoekschrift omdat [verzoekster] geen specifieke ingangsdatum heeft verzocht en niet heeft toegelicht vanaf welke eerdere datum zij aanspraak kan maken op wettelijke rente.

6.8.

Gelet op het voorgaande en gezien het feit dat het UWV pas met ingang van 1 mei 2026 een Ziektewet-uitkering aan [verzoekster] heeft toegekend (3.10), liggen de eerste twee tegenverzoeken van The Corner voor afwijzing gereed.

(niet-genoten) vakantiedagen

6.9.

[verzoekster] verzoekt dat The Corner wordt veroordeeld tot betaling van een (restant)bedrag van € 2.046,63 uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen. The Corner betwist dit. Zij voert aan dat [verzoekster] recht had op een bedrag aan

€ 3.640,56 bruto, maar dat daarvan 12 door [verzoekster] genoten vakantiedagen moeten worden afgetrokken, waardoor een restant van € 1.890,37 bruto resteert, dat reeds door The Corner is uitgekeerd in augustus 2026.

6.10.

De kantonrechter overweegt ten aanzien van het aantal vakantiedagen waarop [verzoekster] recht had het volgende. [verzoekster] heeft op de mondelinge behandeling erkend dat zij in juli 2025 vier vakantiedagen heeft opgenomen, zodat de geldelijke waarde van deze dagen op het verzochte in mindering moet worden gebracht. De gemachtigde van [verzoekster] heeft onbetwist gesteld dat het om een bedrag van € 540,21 gaat, zodat de kantonrechter het verzoek met dit bedrag zal verminderen.

6.11.

The Corner voert aan dat ook de acht vakantiedagen die [verzoekster] in oktober 2025 heeft genoten in mindering dienen te worden gebracht op het aantal (nog) aan [verzoekster] toekomende vakantiedagen. [verzoekster] betwist dit, omdat zij in de betreffende periode ziek was en The Corner haar niet om toestemming heeft verzocht om deze dagen af te schrijven en zij die toestemming (dus) niet heeft verleend. De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de betreffende vakantie al was vastgesteld voordat [verzoekster] ziek werd, wat maakt dat artikel 7:638 lid 8 BW op de situatie van toepassing is. Op grond hiervan geldt de reeds vastgestelde vakantie van de werknemer niet als vakantie, tenzij de werknemer heeft ingestemd met het aanmerken van de desbetreffende dagen als vakantiedagen, of de mogelijkheid van verrekening voortvloeit uit een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in de tweede volzin van artikel 7:638 lid 8 BW.2 The Corner heeft niet betwist dat [verzoekster] geen toestemming heeft verleend en gesteld, noch gebleken is dat de mogelijkheid van verrekening voortvloeit uit een schriftelijke overeenkomst. Dat betekent dat The Corner deze 8 vakantiedagen niet heeft mogen afschrijven.

6.12.

Het voorgaande brengt mee dat [verzoekster] recht had op een brutobedrag van

(€ 3.640,56 - € 540,21=) € 3.100,35 uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen. Na aftrek van het al door The Corner uitgekeerde bedrag van € 1.890,37 bruto, resteert een brutobedrag van € 1.209,98. De kantonrechter zal The Corner veroordelen tot betaling van dit restantbedrag. De wettelijke rente over het toegewezen bedrag wordt toegewezen vanaf de datum van het verzoekschrift omdat [verzoekster] geen specifieke ingangsdatum heeft verzocht en niet heeft toegelicht vanaf welke eerdere datum zij aanspraak kan maken op wettelijke rente.

wettelijke verhoging

6.13.

Omdat The Corner het loon van [verzoekster] niet op tijd heeft betaald, moet zij op grond van de wet3een wettelijke verhoging betalen. De kantonrechter ziet in de door The Corner aangevoerde (financiële) omstandigheden aanleiding om de wettelijke verhoging over de hiervoor genoemde bedragen te matigen tot 10%. De wettelijke rente over het toegewezen bedrag wordt toegewezen vanaf de datum van het verzoekschrift omdat [verzoekster] geen specifieke ingangsdatum heeft verzocht en niet heeft toegelicht vanaf welke eerdere datum zij aanspraak kan maken op wettelijke rente.

buitengerechtelijke incassokosten

6.14.

[verzoekster] heeft tot slot aanspraak gemaakt op € 525,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [verzoekster] voldoende heeft onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten lager is dan het bedrag waarop zij op grond van het in het Besluit bepaalde tarief recht op zou hebben, zullen deze worden toegewezen als verzocht, nu de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan is verzocht.

proceskosten in het verzoek

6.15.

De proceskosten (inclusief nakosten) komen voor rekening van The Corner, omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de kant van [verzoekster] worden begroot op

€ 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

6.16.

De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

proceskosten in het tegenverzoek

6.17.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de beslissing op het tegenverzoek direct voortvloeit uit de beslissing op het verzoek.

7 De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek

7.1.

veroordeelt The Corner tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 87,33 aan (resterende) transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.2.

veroordeelt The Corner tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 2.780,53 bruto aan achterstallig loon over april 2026, te vermeerderen met € 222,44 bruto aan vakantiebijslag, derhalve € 3.002,97 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie van deze betaling aan [verzoekster] binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking;

7.3.

veroordeelt The Corner om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 1.209,98 aan niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.4.

veroordeelt The Corner om aan [verzoekster] te betalen de wettelijke verhoging van 10% over de hiervoor onder 7.2 en 7.3 toegewezen bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.5.

veroordeelt The Corner om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 525,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

7.6.

veroordeelt The Corner in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als The Corner niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;

7.7.

veroordeelt The Corner tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

7.8.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad4;

7.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

in het tegenverzoek

7.10.

wijst de verzoeken af;

7.11.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.L. Grosheide en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.

1467

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »