RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/348045 / HA ZA 26-171
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
1 [eiseres 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,2. [eiser],
wonende te [woonplaats 2] ,3. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats 3] ,
hierna samen te noemen: Eisende partijen,
advocaat: mr. M.J. Drijftholt,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Eisende partijen hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Eisende partijen vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Eisende partijen hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Eisende partijen hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 3.457,51 worden toegewezen.
Eisende partijen vorderen [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 617,23 voor kosten deurwaardersexploten en € 2.885,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 2.885,00), totaal € 3.502,23. Het verschuldigde bedrag aan griffierecht verbonden aan het verzoek om verlof voor beslaglegging (€ 341,00) is reeds in mindering gebracht op het verschuldigde bedrag aan griffierecht in de bodemprocedure.
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partijen worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
151,94 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.462,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.885,00 |
(1 punt × € 2.885,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
5.687,94 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan eisende partijen te betalen:
-
een bedrag van € 336.501,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 16 april 2026 tot de dag van volledige betaling,
-
een bedrag van € 37.389,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 19 april 2026 tot de dag van volledige betaling,
-
een bedrag van € 3.457,51 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] om alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de teruglevering van de kavel, de onroerende zaak, met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduidingen], ([adres]) bij een door eisende partijen aan te wijzen notaris gevestigd zo dicht mogelijk bij de onroerende zaak, waarbij [gedaagde] gehouden is alle daartoe door de notaris aangewezen handelingen te verrichten. Een en ander op straffe van een dwangsom van € 1000,00 per dag dat [gedaagde] geen uitvoering geeft aan de opdrachten van de notaris op de daartoe uiterlijk door hem/haar gestelde termijn, met een maximum van € 100.000,00,
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 3.502,23,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.687,94 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.