RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/374374 / HA ZA 26-83
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
mr. [eiser], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van HANZADE B.V.,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. I.N.A. Denninger,
tegen
1 [gedaagde 1],
te [plaats],2. [gedaagde 2],
te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
advocaat: mr. R.H. Bouwman.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juni 2026
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2 De feiten
Bij vonnis van deze rechtbank van 25 juni 2024 is de curator aangesteld als curator in het faillissement van de besloten vennootschap Hanzade B.V.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn tot 2013 getrouwd geweest en zijn eigenaar van een gezamenlijke woning waar zij op dit moment samen met hun kinderen wonen. [gedaagde 1] is van 2016 tot en met 2023 niet ingeschreven geweest in Nederland en verbleef voornamelijk in Turkije.
Hanzade is door [gedaagde 1] opgericht bij akte van 5 februari 2018 en is volgens haar inschrijving in het handelsregister een transportbedrijf en een winkel in dameskleding en schoonheidsverzorging. [gedaagde 1] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Hanzade. [gedaagde 2] is gevolmachtigde van Hanzade (volledig bevoegd ten aanzien van vervoersactiviteiten) en heeft volgens de inschrijving in het handelsregister de functie vervoersmanager.
Hanzade hield zich bezig met de import van goederen uit Turkije via een gelieerde Turkse vennootschap. Zij handelde met een fiscale vergunning krachtens artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting, ten behoeve van btw-vrijgestelde import.
Op 17 februari 2023 heeft de Belastingdienst na een boekenonderzoek de artikel 23-vergunning van Hanzade ingetrokken. Aan dat besluit ligt samengevat ten grondslag dat Hanzade geen deugdelijke bedrijfsadministratie voerde en zij in strijd met de vereisten de vergunning niet alleen gebruikte voor goederen voor haar bestemd en de aanvrager niet gevestigd was in Nederland. Dit besluit is in stand gebleven na een bezwaar- en beroepsprocedure, waarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard bij gebrek aan belang vanwege het faillissement.
Naar aanleiding van de administratieve controle vordert de douane van Hanzade betaling van bijna € 4,5 miljoen aan nog verschuldigde belasting. De douane heeft deze vordering ingediend in het faillissement van Hanzade.
Op 9 november 2023 heeft het Openbaar Ministerie een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt met een totaaloverzicht van alle bankrekeningen in gebruik en op naam van Hanzade. Hierin staat dat de bankrekeningen van Hanzade voor het overgrote deel zijn gevoed door contante stortingen, overboekingen vanaf de privérekening van [gedaagde 1] en twee transportbedrijven. Uit het proces-verbaal blijken twee stortingen van respectievelijk circa € 1.000.000 en € 300.000. De bestemming van de gelden van de rekeningen van Hanzade zijn veelal Turkse bankrekeningen te relateren aan [gedaagde 1] of [gedaagde 2].
ING heeft de bancaire relatie met Hanzade in 2021 beëindigd. Vanaf januari 2023 heeft Hanzade bij ABN AMRO gebankierd. In de periode van 8 oktober 2021 tot en met 3 januari 2023 had Hanzade geen Nederlandse bankrekening.
Op 16 oktober 2024 heeft de Belgische douane proces-verbaal opgemaakt wegens sluikinvoer van sigaretten, onder meer ten laste van Hanzade. Hierin staan verklaringen opgenomen van [gedaagde 1] en van een medewerker van een andere bij de smokkel betrokken vennootschap.
Bij vonnissen van 8 april 2025 is [gedaagde 1] strafrechtelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor het medeplegen van gewoontewitwassen en drugs- en wapendelicten. [gedaagde 2] is strafrechtelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar voor het medeplegen van gewoontewitwassen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in hoger beroep gegaan. De hoger beroepsprocedure is nog aanhangig.
De curator heeft ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] conservatoir beslag gelegd onder het Openbaar Ministerie en op de gezamenlijke woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Dit beslag heeft bij het Openbaar Ministerie doel getroffen voor onder andere € 150.000,00 aan contant geld. De woning heeft een overwaarde van circa € 300.000,00.
3 Het geschil
De curator vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van Hanzade waardoor hij aansprakelijk is voor het boedeltekort;
II. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] als feitelijk beleidsbepaler gelijkgesteld wordt aan de bestuurder van Hanzade B.V. en haar taak onbehoorlijk heeft vervuld, dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van Hanzade B.V. waardoor zij aansprakelijk is voor het boedeltekort;
III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt aan de curator te voldoen € 500.000,00;
IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt aan de curator het tekort in de boedel te voldoen dat resteert, voor zover dit niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan, zoals dit na een te houden verificatievergadering zal komen vast te staan, te vermeerderen met de boedelvorderingen waaronder mede begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten;
V. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De curator stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun taak als (feitelijk) bestuurder van Hanzade kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat zij daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in de boedel van Hanzade. De curator stelt dat Hanzade niet heeft voldaan aan haar publicatie- en administratieplicht en dat deze onbehoorlijke taakvervulling door het (feitelijk) bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Ook hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de vennootschap gebruikt voor het plegen van ernstige strafrechtelijke delicten, wat volgens de curator eveneens kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert.
De curator stelt dat [gedaagde 2] is aan te merken als feitelijk beleidsbepaler, gelet op verklaringen van [gedaagde 1] en een medewerker van een samenwerkingspartner van Hanzade en omdat [gedaagde 2] alle administratie en betalingen deed en het overleg met de fiscus. [gedaagde 2] moet volgens de curator daarom ook hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor het boedeltekort.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de curator. Zij voeren aan dat de strafzaak nog niet onherroepelijk is en daarom niet gesteld kan worden dat de strafbare feiten via Hanzade door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn uitgevoerd. Mochten er frauduleuze handelingen hebben plaatsgevonden, dan zijn zij zich hier niet van bewust geweest. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verder aan dat zij als gevolg van de voorlopige hechtenis niet in staat zijn geweest jaarrekeningen te deponeren en de curator te voorzien van de administratie. [gedaagde 2] betwist dat zij feitelijk leiding heeft gegeven en betoogt dat zij vanuit haar functie vervoersmanager heeft gehandeld, in opdracht van Hanzade/[gedaagde 1]. Tot slot voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat het hun ontbreekt aan financiële middelen om de gevorderde € 500.000,00 te voldoen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In geval van een faillissement van een besloten vennootschap is iedere bestuurder op grond van artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn publicatie- of administratieverplichting, heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.1
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. De rechtbank motiveert dit als volgt.
De curator heeft onweersproken gesteld dat sinds de oprichting van Hanzade in 2018 geen jaarstukken zijn gedeponeerd. Ter zitting is namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegelicht dat inmiddels de jaarstukken gereed zijn. Nog daargelaten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die jaarstukken niet hebben overgelegd, stelt de rechtbank vast dat de jaarstukken in elk geval niet tijdig openbaar zijn gemaakt. Daarmee staat vast dat [gedaagde 1] als bestuurder van Hanzade niet heeft voldaan aan de publicatieplicht uit artikel 3:294 BW.
Ook is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht uit hoofde van artikel 2:10 BW. De curator heeft onweersproken gesteld dat hij geen deugdelijke administratie heeft aangetroffen op de beschikbare gegevensdragers van Hanzade en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2], ondanks verzoek daartoe, de curator niet van een deugdelijke administratie hebben voorzien. Ook is het intrekken van de artikel 23-vergunning in 2023 mede gestoeld op de constatering van de Belastingdienst dat de administratie van Hanzade over de jaren 2018 tot en met 2020 grote verbreken vertoonde. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de douane € 4,5 miljoen aan belasting gevorderd. De stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de oorzaak van het ontbreken van de administratie alleen gelegen is in het feit dat zij in voorlopige hechtenis zaten, is tegen deze achtergrond niet houdbaar. Bovendien is – ook na de opheffing van de voorlopige hechtenis van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – niet gebleken van het bestaan van enige administratie waaruit de rechten en verplichtingen van Hanzade kunnen worden gekend.
Pas ter zitting heeft [gedaagde 2] verklaard dat de administratie zich zou bevinden bij een boekhouder waarmee de curator ten onrechte geen contact heeft opgenomen. De curator heeft verklaard niet bekend te zijn met een dergelijke boekhouder en verder verklaard dat een recent door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingeschakelde accountant juist contact met hem had opgenomen met het verzoek de bij hem beschikbare administratie te verstrekken. Ook is geen naam genoemd van de boekhouder waar de administratie zich zou bevinden. De betwisting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van de stelling van de curator dat geen administratie aanwezig is, is gelet op bovenstaande en in het licht van de stellingen van de curator onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een schending van de administratieplicht uit artikel 2:10 BW.
Als gevolg van deze schending van de administratie- en publicatieplicht wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Hanzade. Dit vermoeden hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet weerlegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat zij geen rol hebben kunnen spelen in de beginfase van de afwikkeling van het faillissement en daar geen zicht op hebben gehad als gevolg van hun voorlopige hechtenis. De rechtbank passeert dat verweer. Dat verweer gaat immers voorbij aan de omstandigheden die hebben geleid tot het faillissement. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verder aan dat hun strafrechtelijke veroordelingen nog niet onherroepelijk zijn, zodat niet vast staat dat zij via Hanzade betrokken zijn bij strafbare feiten. Nog daargelaten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze procedure niet gemotiveerd hebben weersproken dat [gedaagde 1] betrokken is geweest bij drugs- en wapendelicten en [gedaagde 2] bij gewoontewitwassen, zoals de curator onder verwijzing naar de strafvonnissen van de rechtbank heeft gesteld, staat in elk geval vast dat de grootste schuld van Hanzade een douaneschuld is van € 4,5 miljoen over de periode oktober 2020 en februari 2023. Deze schuld is mede voortgekomen uit het gebrek aan administratie en een onjuiste toepassing van de vergunning door Hanzade. Ook los van het wettelijke vermoeden is, gelet op de omvang van deze schuld, aannemelijk dat de oorzaak van het faillissement in hoofdzaak daarin is gelegen.
Dit betekent dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor het boedeltekort. De rechtbank zal daarom de vorderingen van de curator onder I en IV ten aanzien van [gedaagde 1] toewijzen.
De curator vordert [gedaagde 2] als feitelijk beleidsbepaler gelijk te stellen met een bestuurder, en ook haar daarom (hoofdelijk) te veroordelen tot vergoeding van het boedeltekort. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De rechtbank ligt dat hierna toe.
Met een bestuurder wordt gelijk gesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of medebepaald als ware hij bestuurder.2 De feitelijk beleidsbepaler moet zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid hebben toegeëigend, en op die manier het beleid (mede) hebben bepaald als ware hij bestuurder. Ook in geval bestuurders hun taken als bestuurder zijn blijven uitoefenen, kan (daarnaast) sprake zijn van een feitelijk beleidsbepaler.
De curator stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 2] als feitelijk beleidsbepaler van Hanzade, zoals hiervoor bedoeld, is aan te merken. Volgens de curator voerde [gedaagde 2] de administratie, verrichte zij de betalingen en voerde zij het overleg met de Belastingdienst en was zij degene die in Nederland het bedrijf feitelijk bestuurde. De curator verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de inhoud van de verklaringen van [gedaagde 1] en van een medewerker van een samenwerkingspartner van Hanzade, die zij hebben afgelegd bij de Belgische douane. Verder wijst hij op de omstandigheid dat [gedaagde 1] jarenlang niet in Nederland heeft gewoond, terwijl Hanzade de bedrijfsactiviteiten uitvoerde in Nederland. Volgens de curator moet daaruit worden afgeleid dat [gedaagde 2] de onderneming in Nederland feitelijk leidde.
[gedaagde 1] heeft blijkens het proces-verbaal van de Belgische douane van 16 oktober 2024 als volgt geantwoord op de vraag wie de dagelijkse leiding binnen Hanzade heeft:
“Mijn vrouw. Ikzelf doe namelijk het leggen van contacten en klantenrelaties, ook in Turkije. Mijn vrouw doet de douane-inklaringen, de administratie, de boekhouding. Zij behandelt ook de cashbetalingen.”
Verder heeft hij verklaard:
“Zij behandelt ook de betalingen.”
De medewerker van de samenwerkingspartner heeft tegenover de Belgische douane verklaard dat [gedaagde 2] de eigenaresse is van Hanzade.
Uit deze verklaringen blijkt – en dat is ook niet weersproken – dat [gedaagde 2] een grote betrokkenheid had bij de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten van Hanzade. Uit de stellingen van de curator, onderbouwd met de verklaringen, blijkt echter onvoldoende dat [gedaagde 2] een zodanige rechtstreekse bemoeienis heeft met de beleidsbepaling van de vennootschap dat zij daarmee bestuursmacht aan zich heeft getrokken. Uit het uitvoeren van de douane-inklaringen, betalingen en het bijhouden van de administratie voor zover die aanwezig is, kan zonder nadere onderbouwing niet de conclusie worden verbonden dat [gedaagde 2] (mede) het beleid van de onderneming heeft bepaald. De werkzaamheden die [gedaagde 2] blijkens de verklaringen, en ook volgens haar eigen verklaring op zitting, deed, zijn eerder aan te merken als uitvoerende werkzaamheden. Volgens [gedaagde 2] was [gedaagde 1] degene die het beleid van Hanzade op afstand bepaalde en was dat ook op afstand mogelijk, mede omdat hij veel heen en weer reisde naar Nederland en telefonisch contact onderhield. In het licht van deze betwisting heeft de curator onvoldoende toegelicht dat [gedaagde 2] het beleid van Hanzade (samen met of in plaats van [gedaagde 1]) bepaalde. Van betrokkenheid van [gedaagde 2] bij beleidsbepalende beslissingen is niet gebleken.
De verklaring van [gedaagde 1] tegenover de Belgische douane dat [gedaagde 2] de dagelijkse leiding had binnen Hanzade is in het licht van het voorgaande onvoldoende. De voorbeelden van haar werkzaamheden die hij daarbij geeft, zien immers niet zonder meer op het bepalen van het beleid van de onderneming. Bovendien is niet uitgesloten dat [gedaagde 1] een eigen belang had om tegenover de Belgische douane te verklaren (in een verhoor naar aanleiding van een verdenking van sluiksmokkel van sigaretten) dat [gedaagde 2] de dagelijkse leiding had.
Ook de verklaring van een medewerker van een bedrijf waarmee Hanzade samenwerkt dat [gedaagde 2] eigenaresse is van Hanzade, acht de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis. Omdat deze medewerker bij zijn werkzaamheden mogelijk alleen contact heeft gehad met [gedaagde 2], heeft hij de conclusie kunnen trekken dat [gedaagde 2] de bestuurder is van Hanzade. Dat is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde 2] ook daadwerkelijk als feitelijk beleidsbepaler heeft gehandeld. Uit de verklaring van de medewerker blijkt bijvoorbeeld niet welke handelingen, gedragingen of beslissingen van [gedaagde 2] hij aan zijn conclusie ten grondslag legt.
Het voorgaande brengt mee dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 2] is aan te merken als feitelijke beleidsbepaler van Hanzade en daarom mede aansprakelijk is voor het onbehoorlijk bestuur van [gedaagde 1]. De vorderingen van de curator ten aanzien van [gedaagde 2] zal de rechtbank daarom afwijzen.
De curator vordert verder betaling van een voorschot op het boedeltekort. Deze vordering tot betaling van € 500.000,00 zal de rechtbank ten aanzien van [gedaagde 1] toewijzen. Onweersproken is gesteld dat het boedeltekort substantieel is vanwege in elk geval een douaneschuld van bijna € 4,5 miljoen en een boedelsaldo van op dit moment circa € 700.000,00. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat het boedeltekort in elk geval een bedrag van € 500.000,00 zal overtreffen.
De curator vordert [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering van de curator tot betaling van de beslagkosten zal de rechtbank ten aanzien van [gedaagde 1] toewijzen, gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv. Op verzoek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft de curator het beslag opnieuw gelegd, zodat de rechtbank ook de beslagkosten voor het opnieuw leggen van beslag op de woning (waaronder het verzoek tot verlenging van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak) zal toewijzen. De beslagkosten stelt de rechtbank vast op € 2.542,77 voor kosten deurwaardersexploten, € 682,00 voor griffierecht en € 7.446,00 voor salaris advocaat (2 punten × € 3.723,00), totaal € 10.670,77.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,91 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.121,00 |
(€ 2.803,00 minus 2 x € 341,00 griffierecht beslagkosten) |
|
- salaris advocaat |
€ |
7.446,00 |
(2 punten × € 3.723,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
9.908,91 |
De gevorderde rente over de proceskosten (waaronder beslagkosten) zal de rechtbank toewijzen, zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van Hanzade waardoor hij aansprakelijk is voor het boedeltekort;
veroordeelt [gedaagde 1] om tegen bewijs van kwijting aan de curator te voldoen € 500.000,00,
veroordeelt [gedaagde 1] aan de curator het tekort in de boedel te voldoen dat resteert, voor zover dit niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan, zoals dit na een te houden verificatievergadering zal komen vast te staan, te vermeerderen met de boedelvorderingen waaronder mede begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten,
veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 10.670,77,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 9.908,91, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proces- en beslagkosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover, met uitzondering van 5.1, uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. |
||
1604