ECLI:NL:RBOVE:2018:5182

Datum uitspraak
10-12-2018
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
08/960003-1 8 (LP)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 56-jarige man tot een gevangenisstraf van 3 jaren voor het meermalen medeplegen en het plegen van witwassen. Een woning, een geldbedrag van € 95.845,00 en een geldtelmachine behorend tot de verdachte zijn verbeurdverklaard.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08/960003-1 8 (LP)

Datum vonnis: 10 december 201$

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,

thans in voorarrest verblijvende in het Huis van Bewaring

[locatie] te [plaats 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

26 november 201$.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.W.

van Damme en van wat door de raadsman van verdachte, mr. M.A.W. Nillesen. advocaat te

‘s-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich al dan niet

tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan

(schuld)witwassen van geldbedragen van respectievelijk € 1.033.445,- en €1.082.950,- (feit

1) en aan (schuld)witwassen van voornoemd geldbedrag van € 1.033.445,- door middel van

de aankoop van een woning.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij,

op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode 24 oktober 2016 tot en met 5

december 201 7 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

zich schuldig heeft gemaakt aan (schuÏd)witwassen,

immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders, een of

meerdere (grote) geldbedrag(en) van:

-1.033. 115,- euro (op 20 september 2017); en/of

-1.082.950,- euro (in de periode 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017);

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van

voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt, althans de werkelijke aard, de

herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of

verhuld, althans hebben hij en/of één of meer van zijn mededaders verborgen

en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd (grote) geldbedrag(en,) was

en/of wie voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had,

terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders,wist(en)

althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voornoemd(e,) geldbedrag(en,) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijft

2

hij,

op omstreeks 21 september 2017 te Amsterdam, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen,

immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders, een of

meerdere (grote) geldbedrag(en) van:

-1.540.000,- euro (ten behoeve van de aankoop van de woning aan de

[adres 1] op 21 september 2017)

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van

voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt, althans de werkelijke aard, de

herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen

en/of verhuld, althans hebben hij en/of één of meer van zijn mededaders

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) (grote)

geldbedrag(en) was en/of wie voornoemd(e) geldbedrag(en,) voorhanden had,

terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders, wist(en),

althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De

verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot

kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en

dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4. 1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De verdediging heeft subsidiair inzake feit 1 vrijspraak bepleit ten aanzien van de “ [omschrijving] ” en inzake feit 2 partieel vrijspraak bepleit van het onder het tweede gedachtestreepje

genoemde bedrag.

De raadsman heeft voorts een voorwaardelijk verzoek gedaan om een aantal getuigen te

(doen) horen, overeenkomstig zijn eerder gedane verzoek ter terechtzitting van 4 september

2018.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Het politieonderzoek1 is gestart naar aanleiding van meldingen in 2017 op grond van de Wet

ongebruikelijke transacties. Dit betrof een door verdachte (met bankbiljetten van 100 euro)

contant gedane betaling van €30.000,- op 21 juli 2017 aan [bedrijf 1] te

[vestigingsplaats] en een drietal (door de ING gesignaleerde) ongebruikelijke banktransacties

inzake branchevreemde betalingen (voor een totaalbedrag van € 1.033.445,84) op 20

september 2017 van recyclingbedrijf [bedrijf 2] BV aan respectievelijk:

- [bedrijf 3] BV ad € 365.195.84;

- [bedrijf 4] BV ad € 333.450.-;- - [bedrijf 5] BV ad € 334.800,-2

Op 20 september 2017 is van elk van voornoemde bankrekeningen een geldbedrag van

€ 225.000,- overgemaakt naar de privé-bankrekening van verdachte bij de ING Bank.

Op 21september 201 7 zijn de navolgende geldbedragen overgemaakt naar de privé-

bankrekening van verdachte bij de ING Bank ( [rekeningnummer 1] ):

1. vanaf de bankrekening van [bedrijf 3] BV;

2. € 108.450,- vanaf de bankrekening van [bedrijf 4] BV;

3. € 109.800,00 vanaf de bankrekening van [bedrijf 5] BV.

Vanaf de bankrekeningen van verdachte bij de ING Bank ( [rekeningnummer 1] ) en de

ABNAMRO Bank ( [rekeningnummer 2] ) zijn in de periode van 23 juni 2017 tot en met

21 september 2017 diverse geldbedragen, voor een totaalbedrag van € 1.595.198,39,

overgemaakt naar de derdengeldrekening van notariskantoor [bedrijf 6] te [plaats 2] ten

behoeve van de aankoop door verdachte van het pand, gelegen aan de [adres 1]

, ten bedrage van € 1.540.000,-. Dit pand is op 21 september 2017 ten overstaan

van notaris [bedrijf 6] door verkopers aan verdachte geleverd.

Dit betreft de navolgende overboekingen:

Bankrekening

Datum

Bedrag in euro

[rekeningnummer 3]

23-06-2017

154.000,00

[rekeningnummer 3]

15-09-2017

80.000,00

[rekeningnummer 4]

15-09-2017

75.000,00

[rekeningnummer 3]

21-09-2017

372.000,00

[rekeningnummer 3]

21-09-2017

885.000,00

[rekeningnummer 4]

22-09-2017

30.000,00

[rekeningnummer 3]

22-09-2017

-801,61

Totaal

22-09-2017

1.595.198.39

1Proces-verbaal 26Ephraim-915 d.d. 9 augustus 2018 inzake onderzoek 26Ephraim /

LEREA 17006 van Landelijke Eenheid. Dienst Landelijke Recherche

2 Proces-verbaalnummer 26Ephraim-599 (bijlage 35), pagina 704-705

Ten behoeve van de betaling van voornoemd totaalbedrag zijn behalve de eerdergenoemde

gelden ad € 1.033.445,84 voor een totaalbedrag van circa € 560.000,- overboekingen gedaan

vanaf de privé-bankrekeningen van verdachte. Daarbij is vastgesteld dat die betalingen kort

daarvoor zijn voorafgegaan door overboekingen vanaf de bankrekeningen van respectievelijk

[bedrijf 4] BV, [bedrijf 3] BV, en [bedrijf 5] BV, de bankrekening van

zaalvoetbalvereniging [bedrijf 7] , alsmede de bankrekeningen van [naam 1]

(zus van verdachte) en [naam 2] (zoon van verdachte). In het geval de contante

bedragen op één of meer van bovenstaande rekeningen zijn gestort, werden de bedragen na

storting geheel of gedeeltelijk (direct en/of indirect) doorgeboekt naar één van voornoemde

privé-bankrekeningen van verdachte.3

In de periode van 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017 hebben voor een totaalbedrag

van € 1.082.950,- 117 verschillende contante geldstortingen plaatsgevonden op de

navolgende bankrekeningen:

- privérekening [verdachte] ING Bank: € 348.850,-;

- privérekening [verdachte] ABNAMRO Bank: € 132.750,-;

- - bankrekening [bedrijf 4] BV: € 262.450,-;

- - bankrekening [bedrijf 3] BV: € 170.850,-;4

- - bankrekening [bedrijf 5] BV: € l68.050,-.

Uit het opsporingsonderzoek blijkt voorts onder meer het navolgende:

  • een groot deel van de contante geldstortingen op de bankrekening van de [bedrijven] -bedrijven is kort daarop overgeboekt naar de privé-bankrekeningen van verdachte5;

  • voornoemde drie rechtspersonen [bedrijf 4] BV, [bedrijf 3] BV en [bedrijf 5] BV zijn op 5 juni 2014 ingeschreven in de Kamer van Koophandel met als omschrijving activiteit: “(Groot)handel in (onder andere) groenten en fruit; Markthandel in aardappelen, groenten en fruit”;

  • [bedrijf 4] BV is (onder meer) gefinancierd met een bedrag van € 30.000,- dat op 9 juni 2014 is overgeboekt vanaf de privérekening van verdachte, welk geldbedrag enkele dagen eerder door middel van een contante geldstorting was bijgeschreven op de privérekening van verdachte;

  • de activiteiten van voornoemde bedrijven zijn op 20 maart 2015 door de Kamer van Koophandel doorgehaald vanwege gebleken inactiviteit. Op 15 juni 2017 zijn voornoemde bedrijven uitgeschreven door de Kamer van Koophandel vanwege het ontbreken van bekende baten bij de rechtspersonen;

  • behalve voornoemde bedrijven zijn op 5 juni 2014 bij de Kamer van Koophandel tevens ingeschreven [bedrijf 8] BV en Stichting [bedrijf 9] BV; voornoemde BV’s zijn eveneens uitgeschreven op 15 juni 2017;

  • enig aandeelhouder van [bedrijf 3] BV was [bedrijf 4] BV, waarvan [bedrijf 5] BV weer enig aandeelhouder was; hiervan was [bedrijf 8] BV enig aandeelhouder; Stichting [bedrijf 9] was enig aandeelhouder was [bedrijf 8] BV; verdachte was bestuurder van Stichting [bedrijf 9] ;6

  • blijkens een door de Belastingdienst op 5 maart 2015 uitgevoerde controle op het vestigingsadres van de [bedrijven] -bedrjven op het [adres 2] is er na het per 23 oktober 2014 aangaan door verdachte van de huurovereenkomst van kantoorruimte ter plaatse geen bedrijfsactiviteit waargenomen, zijn de maandelijkse huurtermijnen niet voldaan, staat de kantoorruimte leeg en is verdachte aldaar sinds het afsluiten van het huurcontract niet meer gezien7;

  • behoudens een door verdachte overgelegd overzicht van inkoopbedragen ter zake van containers met fruit is niet gebleken van andere nota’s/facturen, transportformulieren en dergelijke, welke betrekking kunnen hebben op de bedrijfsactiviteiten van de [bedrijven] -bedrjven;

  • behoudens de facturen betreffende betalingen die gedaan zijn door [adres 3] is niet gebleken van andere (door)leveringen door de [bedrijven] -bedrijven ter zake van de (door)verkoop van die containers met fruit en/of de inhoud daarvan, welke mogelijk een (begin van een) verklaring zouden kunnen vormen voor de diverse contante geldstortingen die in de periode van 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017 hebben plaatsgevonden op de bankrekeningen van de drie [bedrijven] -bedrijven;

  • door of namens verdachte zijn geen jaarrekeningen en/of andere bedrijfsmatige stukken en/of fiscale aangiften ingebracht.8

3Proces-verbaal 26Ephraim-917 (bijlage 34), pagina 67 1-678

4Proces-verbaal 26Ephraim-83 (voorgeleidingsdossier), pagina 6

5Proces-verbaal26Ephraim-595 (bijlage 20), pagina 457

6 Proces-verbaal 26Ephraim-595 (bijlage 20), pagina 452-453

7Proces-verbaal 26Ephraim-595 (bijlage 20), pagina 454-455

8 Proces-verbaal Ephraim-581 (bijlage 19), pagina 446-448

Is sprake van witwassen?

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving

van witwassen opgenomen bestanddeel “uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de

bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is

uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat dit voorwerp

afkomstig is uit enig misdrijf.

Daartoe zal allereerst moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien

aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie

zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring heeft voor de

herkomst van het voorwerp. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer

verifieerbaar en niet op voorhand onwaarschijnlijk te zijn.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen

tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een

voorwerp “uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en

omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp

uit enig misdrijf afkomstig is.

In dit geval zijn geen specifieke misdrijven aan te duiden waaruit het geld afkomstig is

geweest. Het strafblad van verdachte laat die conclusie niet toe en ook overigens valt

verdachte niet in verband te brengen met concrete (eigen of andermans) misdaden.

De rechtbank dient daarom te beoordelen of er feiten en omstandigheden zijn die doen

vermoeden dat sprake is van het witwassen van crimineel geld, in casu geld dat middellijk of

onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank stelt in dat verband in de eerste plaats vast dat er sprake is van enkele

kenmerken die naar ervaring duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven,

zogenoemde witwastypologieën.

Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan

met grote hoeveelheden contant geld. De frequentie en de omvang van de contante

geldstortingen is zeer ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico’s die daarmee

gepaard gaan.

De bankrekeningen van de drie [bedrijven] -bedrijven zijn voornamelijk “gevoed” met contante

geldstortingen, waarvan de herkomst onbekend is. Daarbij is sprake geweest van een

systematiek van stortingen van contante gelden door middel van een derde persoon op

diverse verschillende plaatsen en tijdstippen. Uit de frequentie van de geldstortingen op de

bankrekeningen van de drie [bedrijven] -bedrijven in combinatie met de omvang van de

geldstortingen kan worden afgeleid dat het kennelijk de bedoeling was om de zogenaamde

“rneldgrens” en/of legitimatieplicht bij de desbetreffende banken te ontduiken.

Bij verdachte is bovendien een grote hoeveelheid contant geld van bijna € 96.000,- in niet

gebruikelijke coupures aangetroffen alsmede een geldtelmachine.

Voornoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het

vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van

verdachte worden verwacht dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand

hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de contante geldstortingen.

De rechtbank komt op basis van de inhoud van de dossierstukken en hetgeen tijdens het

onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen tot het oordeel dat verdachte geen

verifieerbare gegevens heeft verstrekt die erop wijzen dat bovengenoemde geldbedragen uit

de contante geldstortingen op legale wijze zijn verkregen en overweegt daaromtrent het

navolgende.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 1.082.950,- (contante stortingen op de

privébankrekeningen van verdachte en de bankrekeningen van de [bedrijven] -bedrijven)

Uit de inhoud van de dossierstukken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van

bedrijfsactiviteiten door de [bedrijven] -bedrijven welke een verklaring kunnen vormen voor de

diverse contante geldstortingen van substantiële omvang.

Behoudens het door verdachte overgelegde overzicht van inkoopbedragen ter zake van

containers met fruit is geen sluitende bedrijfsadministratie overgelegd en evenmin is

gebleken van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan zou kunnen blijken van

reguliere handelsactiviteiten en daarmee van legale inkomsten, welke de contante

geldstortingen mogelijk zouden kunnen verklaren. De rechtbank stelt in dat verband vast dat

verdachte uitsluitend voor wat betreft de leveringen aan [adres 3] aannemelijk heeft

kunnen maken dat feitelijk sprake is geweest van levering van fruit.

De verklaring van verdachte voor de contante geldstortingen van de gelden op de

bankrekeningen van de [bedrijven] -bedrijven. zijnde de omzet van de [bedrijven] -bedrijven, leidt

naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat die gelden een legale herkomst

hebben. Daarbij klemt temeer dat verdachte pas ná daarover verschillende keren te zijn

bevraagd heeft aangegeven dat de (fruit)containers door hem werden gekocht tegen 30%

girale aanbetaling, en de overige 70% cash, en dat het gros van de betalingen aan verdachte

contant werden verricht. Verdachte heeft voor het overige naar het oordeel van de rechtbank

geen concrete, min of meer verifieerbare stukken overgelegd die erop (kunnen) duiden dat de

contante geldstortingen afkomstig zijn uit (bedrijfs)activiteiten, zoals de doorverkoop van

fruit, in ieder geval bedrijfsactiviteiten, in ieder geval een legale herkomst hebben. De

rechtbank hecht in dit verband ook betekenis aan het feit dat – bijvoorbeeld - ter zake van de

door verdachte gesteld doorverkoop van fruit aan de Aldi geen verkoopfactuur is overgelegd.

Waar het gaat om verkoop van grote partijen fruit, aan professionele partijen, is het

ongeloofwaardig dat dergelijke transacties contant en zonder facturen plaatsvinden.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook ongeloofwaardig, nu die verklaring

niet of nauwelijks is onderbouwd en verantwoord met officiële stukken ter zake van de

gevoerde reguliere handelsactiviteiten.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 1.033.445.- ( [bedrijf 2] -betalingen)

De stelling van verdachte dat voornoemd geldbedrag afkomstig is uit — kort samengevat — de

opbrengsten van de levering van schroot aan [bedrijf 2] BV, is naar het oordeel van de

rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank acht het in dit verband van betekenis dat verdachte

en [bedrijf 2] wisselende verklaringen hebben afgelegd, waarbij verdachte op onderdelen zijn

verklaring aan die van [bedrijf 2] heeft aangepast in relatie tot onder meer de vervoersbewijzen

die de levering van schroot met zich mee zou moeten brengen. Om te beginnen heeft

verdachte vaag, wisselend en volstrekt onverifieerbaar verklaard over de herkomst en

opslaglocatie van de (grote hoeveelheid) containers. De officier van justitie heeft er terecht

op gewezen dat het vervoeren van de containers en het afval naar [bedrijf 2] een enorme

logistieke operatie moet zijn geweest. Verdachte heeft echter geen enkel vervoersdocument

kunnen overleggen waaruit mogelijk een begin van een voldoende concrete, verifieerbare

verklaring zou kunnen volgen voor de door [bedrijf 2] gedane betalingen. Het door verdachte

overgelegde overzicht van inkoopbedragen ter zake van containers met fruit acht de

rechtbank daartoe volstrekt onvoldoende.

Verder heeft verdachte verklaard dat de containers en het sloopafval aan hem in privé

toekwamen, doch heeft hij zulks niet onderbouwd met enige (bedrijfs)administratie.

Verdachte heeft echter geen aannemelijke verklaring gegeven voor de redenen om de

betreffende betalingen over te (doen) maken op bankrekeningen van de drie verschillende

[bedrijven] -bedrijven, in plaats van rechtstreeks op zijn privé-rekening. De rechtbank hecht

daarbij betekenis aan de omstandigheid dat de [bedrijven] -bedrijven bedrijfsmatig al geruime

tijd niet meer actief waren en formeel al waren ontbonden, zoals blijkt uit de gegevens van

de Kamer van Koophandel, maar dat nog wel actief gebruik is gemaakt van de

bankrekeningen ten behoeve van betaling van de [omschrijving] .

Conclusie

Aldus ontbreekt evenzo een voldoende concrete, min of meer verifieerbare verklaring voor

de stortingen van die gelden ten gunste van de privébankrekeningen van verdachte bij de

ING Bank en ABNAMRO Bank.

Ook overigens biedt de inhoud van het strafdossier geen enkele aanwijzing dat

bovengenoemde geldbedragen op legale wijze zijn verkregen.

De rechtbank stelt tenslotte vast dat verdachte geen (inkomens- en/of fiscale) stukken heeft

willen of kunnen overleggen aangaande zijn volgens hem in Zwitserland ontvangen girale

inkomsten uit arbeid. De rechtbank stelt derhalve ook die eventuele legale inkomstenbron als

ongeloofwaardig terzijde.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat

bovengenoemde geldbedragen van € 1.033.445,- en € 1.082.950,-, middellijk of

onmiddellijk, uit misdrijf afkomstig zijn. Gelet op de voornoemde omstandigheden acht de

rechtbank bewezen dat verdachte wist dat voornoemde geldbedragen uit misdrijf afkomstig

waren.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het

witwassen van geldbedragen van € 1.033.445,- en € 1.082.950,-, zoals onder 1 ten laste is

gelegd. Uit het vorenstaande volgt voorts dat de aankoop van het onroerend goed aan de

[adres 1] ad € 1.540.000,- heeft plaatsgevonden met crimineel geld en

dat verdachte zich voor voornoemd bedrag heeft schuldig gemaakt aan witwassen, zoals

onder 2 ten laste is gelegd.

De rechtbank is op grond van het voren overwogene van oordeel dat wettig en overtuigend

bewezen is dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Voorwaardelijk verzoek tot het (nader) horen van getuigen

De rechtbank ziet geen aanleiding tot het (nader) horen van getuigen, zoals door de

verdediging subsidiair is verzocht, nu de verklaringen van die getuigen niet voor het bewijs

gebezigd worden.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en

overtuigend bewezen dat:

1.

hij op diverse tijdstippen in de periode 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017 in

Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan

witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of (één van,) zijn mededaders, meerdere

grote geldbedragen van:

-1. 033.145,- euro (op 20 september 2017), en

-1.082.950,- euro (in de periode 24 oktober 2016 tot en met 5 december 2017),

verworven en voorhanden gehad en van voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, wisten, dat voornoemde geldbedragen

— onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij op 21 september 2017 te Amsterdam, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van,) zijn mededaders, een groot geldbedrag

van:

-1.540.000,- euro (ten behoeve van de aankoop van de woning aan de

[adres 1] op 21 september 2017),

verworven en overgedragen en omgezet en van voornoemd geldbedrag gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, wist, dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat

zij hem daarvan zal vrij spreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is telkens strafbaar gesteld in de artikelen 420bis juncto 47 van het

Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden

die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

Meerdaadse samenloop van:

feit 1: het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd,

en

feit 2: liet misdrijf: witwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van

verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor liet

bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor

de duur van drie jaar met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om ingeval van veroordeling van verdachte een gevangenisstraf

van gelijke duur als het voorarrest op te leggen, eventueel in combinatie met een

voorwaardelijk deel.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde

feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die tilt

liet dossier (waaronder de omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage) en tijdens

het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij liet

volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het structureel witwassen van omvangrijke

geldbedragen, wat gericht is geweest op het veiligstellen van uit misdrijf afkomstige

opbrengsten. Het witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging van de legale economie

en tast de integriteit van liet financiële en economische verkeer ernstig aan. Het in omloop

zijn van dergelijke witgewassen geldbedragen uit crimineel vermogen heeft een sterk

corrumperende werking en daardoor wordt bovendien de onderliggende criminaliteit

gefaciliteerd. Op het witwassen staan dan ook hoge straffen.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 23 mei

2018 alsmede op het punitieve effect van verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen

goederen, zoals hierna weergegeven.

De rechtbank acht, alles afwegende, in dit geval oplegging van de door de officier van

justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- - het onroerend registergoed [adres 1] ;

- - een geldbedrag van € 95.845,00;

- - een geldtelmachine

dienen te worden verbeurdverklaard, omdat dit voorwerpen betreffen met betrekking tot

welke de feiten zijn begaan.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast

berust deze beslissing op de artikelen 27, 33, 33a en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals

hierboven omschreven;

- - - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt

hem daarvan vrij;

Strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

meerdaadse samenloop van:

feit 1: het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd,

en

feit 2: het misdrijf: witwassen;

Strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar;

- - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in

mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd:

- - het onroerend registergoed [adres 1] ;

- - een geldbedrag van € 95.845,00;

- - een geldtelmachine.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper

en mr. K. Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak. griffier, en is in

het openbaar uitgesproken op 10 december 2018.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »