RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/188035-26
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/209917-26
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/147438-26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 oktober 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.B. Lisi, advocaat te Roermond. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.
Tenlastelegging
18/188035-26
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 juli 2026 te Emmen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
- die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal op het hoofd en/of in het gezicht en/of op het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt/getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juli 2026 te Emmen, althans in Nederland aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal op het hoofd en/of in het gezicht en/of op het lichaam te slaan en/of stompen en/of schoppen/trappen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juli 2026 te Emmen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal op het hoofd en/of in het gezicht en/of op het lichaam heeft geslagen en/of stompen en/of schoppen/trappen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juli 2026 te Emmen, althans in Nederland [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal op het hoofd en/of in het gezicht en/of op het lichaam te slaan en/of stompen en/of schoppen/trappen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
hij op of omstreeks 1 juli 2026 te Emmen, althans in Nederland een (Samsung) telefoon en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
hij op of omstreeks 1 juli 2026 te Emmen, althans in Nederland een (Samsung) telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
-
die [slachtoffer 2] meerdere malen, althans eenmaal in het gezicht te slaan (waardoor die [slachtoffer 2] achterover viel)
-
die [slachtoffer 2] meerdere malen, althans eenmaal een kopstoot tegen het hoofd te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juli 2026 te Emmen, althans in Nederland, een (Samsung) telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of te dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door de telefoon te lenen, wederrechtelijk heeft toegeëigend
en/of
hij op of omstreeks 1 juli 2026 te Emmen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar meermalen in het gezicht te slaan en/of haar een kopstoot te geven.
18/209917-26
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 maart 2026 te Emmen blikken alcohol en/of drinken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Lidl ( [adres 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer 18/188035-26 onder 1 primair, 2 en 3 primair en het onder parketnummer 18/209917-26 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder parketnummer 18/188035-26 onder 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.
Dat verdachte de telefoon en bankpas van aangever [slachtoffer 1] heeft weggenomen kan wettig en overtuigend worden bewezen aan de hand van [slachtoffer 1] aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1] die verklaart dat haar eerst een heel agressieve man tegemoet loopt, dat zij kort daarna het telefoonhoesje met daarin de ID-kaart van [slachtoffer 1] vindt en vervolgens bij thuiskomst [slachtoffer 1] aantreft die onder het bloed zit en de verklaring van getuige [getuige 2] die aangeeft te hebben
gehoord dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is.
Dat verdachte zich ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld kan wettig en overtuigend worden bewezen aan de hand van [slachtoffer 2] s aangifte, de verklaring van getuige [getuige 3] , die ook aansluit bij de verklaring van verdachte, en het aantreffen van [slachtoffer 2] s telefoon onder verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18/188035-26 ten laste gelegde. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder parketnummer 18/209917-26 ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder parketnummer 18/188035-26 onder 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
Verdachte ontkent dat hij geweld heeft uitgeoefend op aangever [slachtoffer 1] . De aanwezigheid van aangevers DNA op de ring die verdachte droeg kan worden verklaard vanuit het feit dat verdachte in de openbare ruimte van de flat bebloede deurklinken heeft aangeraakt. Voor zover de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte het geweld tegen aangever heeft uitgeoefend kan niet worden geoordeeld dat er naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans bestond dat aangever had kunnen komen te overlijden, noch dat naar uiterlijke verschijningsvorm van het geweld die kans bewust zou zijn aanvaard.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18/188035-26 onder 2 en 3
De rechtbank acht het onder parketnummer 18/188035-26 onder 2 en 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Feit 2
De rechtbank acht bewezen dat verdachte verantwoordelijk is voor het toegepaste geweld tegen aangever [slachtoffer 1] , zoals de rechtbank later in dit vonnis uiteen zal zetten. Aangever heeft verklaard dat de persoon die het geweld op hem heeft uitgeoefend daarbij ook zijn telefoon en bankpas heeft weggenomen.
Hoewel er op basis van de verklaring van aangever aanwijzingen zijn dat verdachte ook verantwoordelijk is geweest voor het wegnemen van aangevers telefoon en bankpas, ontbreekt het aan overige wettige bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het wettig bewijsminimum wordt daarom niet gehaald. Daarbij komt dat verdachte kort na het geweldsincident is aangehouden en onder hem geen telefoon of bankpas van aangever is aangetroffen. De rechtbank zal verdachte daarom van feit 2 vrijspreken.
Feit 3
De rechtbank kan op basis van het dossier niet met voldoende zekerheid vaststellen of, en zo ja, welke geweldshandelingen door verdachte tegen aangeefster [slachtoffer 2] zijn uitgeoefend. Aangeefster en getuige [getuige 3] verklaren hier onderling op essentiële onderdelen verschillend over. Aangeefster verklaart dat zij van verdachte drie vuistslagen in haar gezicht kreeg, terwijl getuige [getuige 3] verklaart dat aangeefster van verdachte één kopstoot kreeg. De verbalisant die aangeefster kort na het
(vermeende) incident heeft gezien en gesproken, beschrijft niet dat aangeefster letsel had, hetgeen wel verwacht zou worden in geval van de geweldshandelingen waarover is verklaard. Tot slot geeft het proces-verbaal van bevindingen met daarin een beschrijving van de camerabeelden van de dagopvang van [instelling 2] te Emmen eveneens geen uitsluitsel, nu daarop slechts te zien is dat aangeefster valt. Gelet op deze omstandigheden kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen wat zich ten aanzien van het ten laste gelegde geweld tegen aangeefster precies heeft afgespeeld, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de onder feit 3 primair ten laste gelegde diefstal met geweld en van de subsidiair cumulatief/alternatief ten laste gelegde mishandeling.
De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van de onder feit 3 subsidiair cumulatief/alternatief ten laste gelegde verduistering van de telefoon van aangeefster [slachtoffer 2] . Zowel aangeefster als verdachte verklaren dat zij die dag samen optrokken en dat aangeefster die dag haar telefoon aan verdachte had gegeven omdat hij telefonisch contact moest hebben met de gemeente. Verdachte heeft verklaard dat hij in de late namiddag bij aangeefster wegfietste met medeneming van de telefoon van aangeefster omdat hij, op haar verzoek, drugs voor haar ging halen in de [locatie] . Naar eigen zeggen had verdachte daarbij niet de intentie om haar telefoon zich toe te eigenen. Kort nadat verdachte in de [locatie] was geweest, is hij door de politie aangehouden en op dat moment droeg hij aangeefsters telefoon nog bij zich.
De verklaring van verdachte dat hij niet het opzet had om zich de telefoon van aangeefster wederrechtelijk toe te eigenen, wordt niet weerlegd door de overige inhoud van het dossier. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder feit 3 subsidiair cumulatief/alternatief ten laste gelegde verduistering van de telefoon van aangeefster.
Parketnummer 18/188035-26 onder 1 primair
De rechtbank acht de onder parketnummer 18/188035-26 onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter terechtzitting van 29 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat ik ben te zien op de camerabeelden van de dagopvang van [instelling 2] op 1 juli 2026 in Emmen. Ik fietste daar weg om in de [locatie] drugs te gaan halen. Het klopt dat mijn dealer op de [nummer] etage van die flat woont.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 juli 2026, opgenomen op pagina 62 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met onderzoeksnummer NN3R026066 (BRAAM) d.d. 28 juli 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 1 juli 2026 kwam ik uit de flat [locatie] in [wijk] . Mijn vrouw woont daar. Dit is ongeveer om 18.00 uur geweest. Ik wilde naar mijn auto toe lopen en toen stond er iemand bij mijn auto. De man leek onder invloed van drugs zijn geweest. Hij had iets in zijn hand. Dit zou drank kunnen zijn. We spraken toen tegen elkaar. De man gaf aan dat hij zijn sleutel niet had en ik nam aan dat hij dus in de flat woonde. De man moest naar de [nummer] etage. In de hal beneden heeft hij mij denk ik te pakken gehad. Ik heb mijzelf niet kunnen verweren tegen deze man. Ik weet niet meer hoe hij geweld aan mij toegebracht heeft. Ik kan de dader als volgt omschrijven: lichtgetinte jongen.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een door forensisch arts [arts] op 21 juli 2026 opgemaakte forensisch geneeskundige letselbeschrijving, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier,
inhoudend als verklaring van forensisch arts [arts] voornoemd:
4. Vermoeden op inwendig letsel
Bij lichamelijk onderzoek werd een zwelling en bloeduitstorting rondom beide ogen gezien, waarbij het rechteroog volledig dicht was. Er werd een wond van circa 2-3cm gehecht aan de linker wenkbrauw en tussen beide wenkbrauwen werd een kleine (<1cm) wond gezien. De neus was pijnlijk bij aanraking en er was opgedroogd bloed aanwezig in beide neusgaten. Er werd een CT-scan gemaakt van het hoofd waarbij er een bloeding aan de hersenen (intracranieel) aan de rechter voorzijde werd gezien met daarbij een breuk van de schedel aan de rechter voorzijde en de schedelbasis. Daarnaast werden er meerdere breuken van de rechter oogkas en bijholtebotten gezien. Er werd een gebroken neus geconstateerd.
Op 3 juli 2026 werd de CT-scan van de hersenen herhaald waarbij de bloeding aan de rechter voorzijde (subduraal hematoom) geen veranderingen liet zien en bloedingen tussen de hersenvliezen (subduraal) aan de slaapregio's beiderzijds een toename lieten zien.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2026, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op donderdag 2 juli 2026 zijn politiemedewerkers naar de dagopvang [instelling 2] aan [adres 2] gegaan Aldaar werden camerabeelden bekeken.
Onderzoek camerabeelden:
- Ik zie op tijdstip 18:20:09 uur dat de man op de fiets wegfietst en dat de vrouw erachter aan rent.
De man op de fiets die fysiek contact met de vrouw lijkt te hebben kan ik als volgt omschrijven: Vermoedelijk een getinte huidskleur.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2026, opgenomen op pagina 3 van een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 2 juli 2026 samen met collega [verbalisant] naar de dagopvang [instelling 2] aan [adres 2] gegaan. Op het moment dat wij de beelden bekeken was het 12.49 uur op de camera stond op dat moment 13.32 uur. Het tijdstip op de camerabeelden is dus niet het echte tijdstip.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2026, opgenomen op pagina 108 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Wij, verbalisanten, werden binnengelaten door de deur welke toegang biedt tot opslaglocaties, op de begane grond van de flat. Wij zagen op allerlei deuren, muren en vloer bloedspetters en bloedvlekken. Toen wij door de deur liepen, die toegang biedt tot de hal van de [locatie] , zagen wij nog meer bloedspetters en -vlekken.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 juli 2026, opgenomen op pagina 130 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik was vanavond rond 18:06 uur in de Plus, op het winkelcentrum [wijk] . Onderweg naar huis kwam ik een hele agressieve man tegen. Deze man stond bij de prullenbakken tegenover de Ter-Stal. Ik hoorde de man schreeuwen dat hij iedereen dood zou maken. Ik kan de man als volgt omschrijven: donkere huidskleur, zwarte telefoon en een fles drank in zijn handen. Toen ik naar huis liep, langs de bloemist, gevestigd op het winkelcentrum naast de Plus, zag ik een telefoonhoesje liggen. Toen ik het telefoonhoesje oppakte zag ik dat er geen telefoon in zat, maar wel een ID-kaart. Toen ik thuis kwam zag ik een man bij ons voor op de stoep zitten. Ik zag dat de man zijn gezicht helemaal onder het bloed zat. Ik vroeg of het telefoonhoesje met ID-kaart van hem was. Dit bleek het geval.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2026, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Omstreeks 18.20 uur reden mijn collega en ik over de [adres 3] in noordelijke richting. Op dat moment zag ik, verbalisant, aan mijn rechterzijde een man staan op het terras van "Snackbar [wijk] ", gevestigd aan de [adres 3] te Emmen. Ik zag dat de verdachte een grote fles in zijn hand had. Ik zag dat de man volledig voldeed aan het signalement van de eerder genoemde verdachte. Ik zag dat de verdachte op het terras van de bovengenoemde snackbar stond en zichtbaar onder invloed was.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2026, opgenomen op pagina 123 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op het lichaam van [verdachte] zagen wij op meerdere plaatsen bloedresten. Wij verbalisanten roken een alcohollucht rondom het lichaam van [verdachte] . Bij controle van het lichaam van [verdachte] zagen wij geen zichtbare verwondingen waarbij bloed van [verdachte] zou kunnen zijn vrijgekomen. Wij zagen dat [verdachte] een goudkleurige ring met een rode steen droeg, waarop wij bloedresten/sporen zagen. Ten tijde van de aanhouding, het vervoer van en naar politiebureau en cellencomplex en bij aankomst bleef [verdachte] agressief.
10. Een schriftelijk bescheid, te weten een Eurofins TMFI-rapport: Forensisch DNA-onderzoek d.d. 18 augustus 2026, opgemaakt door dr. [arts] (forensisch DNA-deskundige), voor zover inhoudende:
2 Onderzoeksmateriaal
|
SIN |
Omschrijving |
|
AASZ7884NL |
Ring |
4 Interpretatie DNA-resultaten
|
Bemonstering |
DNA-profiel |
Mogelijke donor van DNA |
|
Vlek ring AASZ7884NL#01 |
DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. |
Derde [slachtoffer 1] (DNA-hoofdprofiel) Verdachte [verdachte] * (additionele DNA-kenmerken) |
|
De additionele DNA-kenmerken van de minder prominent aanwezige donoren zijn geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. |
||
|
Vlek ring AASZ7884NL#02 |
DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De additionele DNA-kenmerken van de minder prominent aanwezige donoren |
Derde [slachtoffer 1] (DNA-hoofdprofiel) |
|
zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. |
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Daderschap
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Uit de beschrijving van de camerabeelden van de dagopvang van [instelling 2] aan [adres 2] te Emmen en de correctie ten aanzien van het tijdstip van die beelden en de verklaring van verdachte ter terechtzitting volgt dat verdachte daar op 1 juli 2026 rond 17.37 uur aanwezig is en wegfietst. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment vertrok naar de [locatie] om drugs te halen.
In de vroege avond van 1 juli 2026 wordt aangever [slachtoffer 1] hevig bloedend bij de [locatie] aangetroffen. Op de begane grond van de [locatie] treffen verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] daarna, in de ruimte bij de opslaglocaties, op deuren, muren en de vloer bloedspetters en bloedvlekken aan. Ook in de hal van de flat worden bloedsporen aangetroffen. Uit forensisch-medisch onderzoek blijkt dat aangever naast diverse schaafwonden en bloeduitstortingen een hersenbloeding, een schedelbreuk aan de rechtervoorzijde en de schedelbasis, meerdere breuken van de rechteroogkas en bijholtebotten en een gebroken neus heeft opgelopen.
Hoewel aangever verklaart zich weinig te kunnen herinneren van wat er is gebeurd, weet hij te vertellen dat hij op 1 juli 2026 rond 18.00 uur buiten de flat in gesprek raakte met een lichtgetinte man die iets in zijn hand had, mogelijk drank. De man had geen sleutel van de flat en moest naar de [nummer] etage. Aangever weet niet meer of hij is meegaan naar de [nummer] etage of dat hij beneden is gebleven, maar benoemt dat hij waarschijnlijk beneden in de hal is aangevallen en dat hij zich tegen deze man niet kon verweren.
Getuige [getuige 1] was die avond rond 18.06 uur bij een supermarkt in de buurt van de [locatie] . Zij verklaart dat zij, onderweg naar huis, een hele agressieve man met een donkere huidskleur en met een fles drank in zijn hand tegenkwam die schreeuwde dat hij iedereen dood zou maken. Onderweg zag zij een telefoonhoesje liggen met daarin de ID-kaart van aangever. Aangekomen bij haar woning zag zij aangever op de stoep zitten met een bebloed gezicht, aldus getuige [getuige 1] .
Omstreeks 18.20 uur wordt verdachte op straat, op het terras van snackbar “ [wijk] ”, waargenomen door buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant] . Verdachte is zichtbaar onder invloed en in zijn hand heeft hij een grote fles. Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] nemen de situatie over en zien op het lichaam van verdachte op meerdere plaatsen bloedresten. Bij controle van het lichaam van verdachte worden geen verwondingen waargenomen waarbij bloed zou kunnen zijn vrijgekomen. De verbalisanten zien daarnaast bloedresten op de ring die verdachte draagt.
Van de vlekken op de ring van verdachte is een bemonstering genomen. Uit deze bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel kon een relatief grote hoeveelheid DNA worden onderscheiden, waaruit een DNA-profiel van één persoon kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel heeft een frequentie van kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van aangever komt hiermee overeen. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het
dossier, dat aangever donor is van een relatief groot deel van het celmateriaal op de ring.
De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat sprake is van een samenstel van omstandigheden. Gelet op het tijdspad, verdachtes verklaring dat hij naar de [nummer] etage van de flat moest, aangevers verklaring dat de persoon die hem aanviel naar de [nummer] etage van de flat moest, het door aangever gegeven signalement in relatie tot het signalement van verdachte, de agressieve staat van verdachte kort na het incident, het aantreffen van verdachte in de buurt van de [locatie] kort na het incident, het aantreffen van bloed op het lichaam van verdachte en aantreffen van aangevers DNA op de ring die verdachte droeg maken dat het, in onderling verband en samenhang bezien, niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die het geweld op aangever heeft uitgeoefend.
De door verdachte afgelegde verklaring dat hij op de begane grond in de flat niemand heeft gezien en dat de bloedsporen op zijn lichaam en ring het gevolg moeten zijn van contact met bebloede deurklinken, schuift de rechtbank daarom als ongeloofwaardig terzijde.
Opzet op de dood
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden.
Zoals benoemd heeft aangever naast diverse schaafwonden en bloeduitstortingen een hersenbloeding, een schedelbreuk aan de rechtervoorzijde en de schedelbasis, meerdere breuken van de rechteroogkas en bijholtebotten en een gebroken neus opgelopen. Het hoofd is een uiterst kwetsbaar onderdeel van het lichaam en vanuit deze letsels beredeneerd kan worden vastgesteld dat verdachte meermalen, zeer fors inwerkend geweld op het hoofd van aangever heeft uitgeoefend, zodanig dat als gevolg daarvan meerdere breuken in de schedel en in het aangezicht en daarbij een hersenbloeding zijn ontstaan. De voor de geconstateerde letsels benodigde handelingen zijn zozeer gericht geweest op de dood, dat het opzet op aangevers dood een gegeven is. De rechtbank acht daarmee vol opzet aanwezig.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, zoals hierna bewezenverklaard.
18/209917-26
De rechtbank acht de onder parketnummer 18/209917-26 ten laste gelegde winkeldiefstal wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 september 2026;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 maart 2026, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026073337 d.d. 9 juli 2026, inhoudend de verklaring van [aangever] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder parketnummer 18/188035-26 onder 1 primair en het onder parketnummer 18/209917-26 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
18/188035-26
1. primair
hij op 1 juli 2026 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven,
- die [slachtoffer 1] meerdere malen op het hoofd en in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt/getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
18/209917-26
hij op 20 maart 2026 te Emmen blikken alcohol die aan de Lidl ( [adres 1] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
18/188035-26
1. primair poging tot doodslag
18/209917-26
diefstal
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om in geval van een bewezenverklaring van eenvoudige mishandeling en winkeldiefstal aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan een voorwaardelijk strafdeel kunnen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, met uitzondering van de verplichting om mee te werken aan een klinische opname nu verdachte daaraan niet wil meewerken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het reclasseringsadvies van 14 september 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door zeer fors geweld uit te oefenen op het hoofd van aangever [slachtoffer 1] . Als gevolg van het handelen van verdachte heeft aangever naast diverse schaafwonden en bloeduitstortingen een hersenbloeding, een schedelbreuk aan de rechtervoorzijde en de schedelbasis, meerdere breuken van de rechteroogkas en bijholtebotten en een gebroken neus opgelopen. Dit is een zeer ernstig feit. Verdachte heeft door zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever, die hem juist wilde helpen. De rechtbank rekent het verdachte voorts aan dat hij door zijn handelen ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving heeft versterkt nu dit geweld heeft plaatsgevonden ten aanzien van een willekeurig persoon, in de openbare ruimte en zonder dat daarvoor een aanwijsbare aanleiding bestond. Naast poging tot doodslag heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, een hinderlijk feit dat financiële schade en overlast veroorzaakt.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering het recidiverisico inschat als hoog, waarbij specifiek het risico op geweld wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. De reclassering licht toe dat bij verdachte sprake is van langdurige middelenproblematiek, een gebrek aan inkomen, dat hij niet beschikt over een structurele dagbesteding en dat, gelet op zijn strafblad, bij verdachte sprake is van een pro-criminele houding. Uit verdiepingsdiagnostiek is gebleken dat sprake is van een stoornis in het gebruik van cocaïne, amfetamine en alcohol. De reclassering adviseert daarom aan een voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden, waaronder een klinische opname in de Piet Roordakliniek. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij niet wenst mee te werken aan klinische opname nu hij reeds voldoende gemotiveerd is abstinent te blijven van verdovende middelen.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten, in het bijzonder de poging tot doodslag, geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
De rechtbank acht, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Deze straf is lager dan de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf, omdat de rechtbank niet alle feiten bewezen acht.
Gelet op de duur van de gevangenisstraf die de rechtbank passend en geboden acht, biedt de wet geen mogelijkheid daarvan een deel voorwaardelijk op te leggen zodat daarbij bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18/188035-26 onder 1 en 2
[slachtoffer 1] en [benadeelde] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, ingediend en ondertekend door [slachtoffer 1] echtgenote [benadeelde] .
Ten aanzien van [slachtoffer 1] wordt een bedrag van 737,90 ter vergoeding van materiële schade en 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. Ten aanzien van [benadeelde] wordt een bedrag 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade gevorderd.
Verzocht wordt de schadevergoeding te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft met inachtneming van de uitgangspunten van de Rotterdamse schaal geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van 10.000,00 aan [slachtoffer 1] ter vergoeding van immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, reeds nu de schade voor het overige onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gelet op de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. De raadsman heeft zich ten aanzien van [slachtoffer 1] subsidiair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat niet is gebleken dat zijn echtgenote gemachtigd was de vordering namens hem in te dienen. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een aan [slachtoffer 1] toe te
kennen vergoeding wegens immateriële schade aanzienlijk dient te worden gematigd ten opzichte van het gevorderde. De raadsman heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de door [benadeelde] gevorderde vergoeding wegens affectieschade dient te worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van [slachtoffer 1]
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover de vordering betrekking heeft op posten ten bate van [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt hiertoe dat de vordering is ingediend door zijn echtgenote [benadeelde] . Uit de vordering blijkt niet dat [slachtoffer 1] haar gemachtigd heeft deze vordering namens hem in te dienen, terwijl dit wel vereist is.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat gelet op hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard en het letsel dat aangever [slachtoffer 1] heeft opgelopen, hij in beginsel aanspraak maakt op een vergoeding voor geleden immateriële schade. [slachtoffer 1] heeft echter expliciet aangegeven dat zijn gegevens niet mogen worden gedeeld met Slachtofferhulp Nederland en dat hij voorafgaand aan de behandeling van de strafzaak geen gesprek wenst met de officier van justitie. Daarnaast is [slachtoffer 1] niet ter terechtzitting verschenen. Gelet op deze omstandigheden is er geen gelegenheid geweest om het ontbreken van de machtiging te herstellen. Door de niet-ontvankelijkheidsverklaring heeft [slachtoffer 1] echter nog wel de mogelijkheid om de vordering in te dienen bij de burgerlijke rechter.
Ten aanzien van [benadeelde]
De rechtbank acht het bestaan van affectieschade onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank de benadeelde partij op dit onderdeel eveneens niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan zich voor deze vordering nog wenden tot de burgerlijke rechter.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 3 juni 2026 van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland te Assen (inzake parketnummer 18/147438-26), is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 juni 2026. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 17 september 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Oordeel van de rechtbank
Nu verdachte het onder parketnummer 18/188035-26 onder 1 primair bewezenverklaarde heeft begaan na het ingaan van en voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.
Beslag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte inbeslaggenomen ring aan hem dient te worden teruggegeven.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de inbeslaggenomen ring terug te geven aan verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen ring aan verdachte dient te worden teruggegeven, omdat het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 57, 63, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/188035-26 onder 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummer 18/188035-26 onder 1 primair en het onder parketnummer 18/209917-26 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van parketnummer 18/188035-26 onder 1 en 2
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] en [benadeelde] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 1] en [benadeelde] hun eigen proceskosten dragen.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/147438-26:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 3 juni 2026, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Ten aanzien van parketnummer 18/188035-26
Gelast de teruggave aan veroordeelde van het in beslag genomen voorwerp:
- 1 STK Gouden ring met rode steen (uniek voorwerpnummer: BZBF1190NL).
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.B. Soppe, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.
Mr. R. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.