RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-200255-25
Ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-184345-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de [instelling]
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het inhoudelijk onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2026. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zittingen van 3 oktober 2025, 27 januari 2026 en 14
april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.
Tenlastelegging
Parketnummer 18-200255-25
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging d.d. 3 oktober 2025, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 juni 2025/ 1 juli 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven (- zakelijk weergegeven -) (die [slachtoffer] ) meermalen en/of met kracht met
een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of op de rug, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2025/ 1 juli 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) klaplong(en) heeft toegebracht, door (- zakelijk weergegeven -) die [slachtoffer] meermalen en/of met kracht met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of op de rug, althans het lichaam, te steken en/of te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2025/ 1 juli 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (- zakelijk weergegeven -) (die [slachtoffer] ) meermalen en/of met kracht met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of op de rug, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 18-184345-25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 juni 2025, te Leeuwarden, een polo shirt, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] en/of [naam 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-200255-25
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor poging tot moord. Uit het dossier blijkt dat verdachte met een mes twaalf keer in de rug van aangever heeft gestoken. Door dusdanig diep in de rug te steken met inwendig letsel tot gevolg heeft verdachte voorwaardelijk opzet op de dood gehad. Dat verdachte handelde met voorbedachte raad volgt uit de verklaringen die hij heeft afgelegd bij de politie. Enkele maanden voor het incident zou hij zelf door aangever zijn neergestoken. Als wraakreactie had verdachte daarom het plan opgevat om aangever neer te steken. Met het idee van vergelding en bewapend met een mes is verdachte naar de locatie gegaan waarvan hij wist dat aangever daar vaker kwam. Hij verstopte zich en op het moment dat hij aangever zag viel hij direct aan. Hieruit leidt de officier van justitie af dat verdachte niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gestoken, maar heeft gehandeld met een vooropgezet plan.
Parketnummer 18-184345-25
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van dit feit, gelet op de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en het aantreffen van het weggenomen polo shirt onder verdachte.
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-200255-25
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van poging tot moord wegens het ontbreken van voorbedachte raad. Uit de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat er op enig moment een conflict is ontstaan tussen verdachte en aangever waarbij verdachte een vuistslag heeft uitgedeeld. Hierop heeft aangever teruggeslagen en heeft hij verdachte met een mes in zijn been gestoken. Dat is het moment geweest waarop verdachte zelf een mes heeft getrokken en hij aangever daarmee heeft gestoken/gesneden. Hieruit volgt dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat geen sprake is van voorbedachte raad. De raadsman heeft bepleit dat poging tot doodslag (in de variant van voorwaardelijk opzet) wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Parketnummer 18-184345-25
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van dit feit, gelet op de ontkennende verklaring van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Parketnummer 18-200255-25
Bewijsmiddelen 1
Uit de verklaringen van [slachtoffer] (hierna: aangever) volgt dat hij op 30 juni 2025 om 22.43 uur via Snapchat een bericht kreeg van zijn oud-klasgenoot [naam 1] dat hij naar het park achter het AZC te Sneek moest komen. Vijf minuten later kwam aangever samen met [naam 2] ter plaatse. Hij begroette daar zijn oud-klasgenoot en diens vriend waarna verdachte een paar minuten later ineens achter een boom vandaan kwam met een mes en direct begon te steken. Verdachte stak vier keer in op zijn rug waarna aangever ging zitten. Verdachte bleef vervolgens insteken op zijn rug. Hierna renden verdachte, [naam 1] en de derde persoon weg. Aangever en [naam 2] zijn vervolgens teruggegaan haar het AZC waarna de hulpdiensten werden gealarmeerd.2
De politie kwam vervolgens om 23.20 uur ter plaatse waarop aangever met spoed naar het ziekenhuis is gebracht. Dezelfde dag is hij nog onderzocht door een arts van de spoedeisende hulp.3 Op basis van forensisch-medische letselfotografie, literatuuronderzoek en medische informatie is er door forensisch arts [arts] een forensisch medisch onderzoek verricht. Door de forensisch arts is beschreven dat aangever twaalf letsels, waarvan minstens twee steekwonden en tien snij- of steekwonden, met daarbij een klaplong aan beide zijden en een sucking chest wound heeft opgelopen.4
[naam 2] is de huisgenoot van aangever en is als getuige verhoord. Hij bevestigt dat hij samen met aangever naar het park is gegaan. Op het moment dat aangever daar met de twee jongens stond te praten zag getuige [naam 2] dat verdachte ineens achter de bomen of struiken vandaan kwam en aangever aanviel. Hij heeft gezien dat verdachte instak op de rug van aangever.5 Ook [naam 1] heef een verklaring afgelegd bij de politie. Hij bevestigt dat hij samen met zijn vriend, aangever en diens vriend aan het praten was toen plotseling een hem onbekende jongen met een mes in zijn handen tevoorschijn kwam en aangever aanviel. De onbekende jongen begon eerst in het Arabisch te schelden en viel aangever vervolgens van achteren aan met een messteek.6
Verdachte heeft meerdere verklaringen afgelegd. Zo heeft hij, kort na het steekincident, op 1 juli 2025 om
uur bij zijn aanhouding en nadat hem de cautie was verleend verklaard dat aangever hem een tijdje terug ook had gestoken in zijn rug. Daar kon verdachte niet van slapen en naar aanleiding van dit conflict dacht hij na hoe hij hem kon terugpakken.7 Dit heeft verdachte later die ochtend, in het bijzijn van zijn advocaat en met bijstand van een tolk, herhaald bij zijn politieverhoor. Tijdens dit verhoor gaf verdachte daarbij aan dat hij aangifte had gedaan van het eerdere steekincident. Toen verdachte na een aantal maanden merkte dat de politie niks met zijn aangifte deed zinde hij op wraak. Op 30 juni 2025 was hij aangever al eerder tegengekomen in een ander park in Sneek. Verdachte heeft verklaard dat hij vermoedde dat aangever later naar de pleeglocatie zou gaan en met het idee om wraak te nemen is verdachte daarom ook daarheen gegaan. Hij wilde aangever hetzelfde aandoen als wat aangever hem had aangedaan. Verdachte verstopte zich in het park en toen hij aangever zag heeft hij hem gelijk aangevallen. Verdachte sloeg aangever en stak hem daarna een aantal keren met een mes in zijn rug. Het was niet zijn bedoeling om hem te vermoorden. Verdachte wilde aangever alleen hetzelfde aandoen als wat aangever hem had aangedaan en gaf daarbij aan “Ik wilde hem laten voelen wat hij mij had aangedaan”.8
Overweging voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat
verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De rechtbank stelt voorop dat de verklaring van verdachte ter zitting dat aangever als eerste zou hebben gestoken en dat hij als tegenreactie in een gemoedsopwelling terug heeft gestoken geen steun vindt in het dossier en bovendien tegenstrijdig is met hetgeen hij kort na het steekincident tot tweemaal toe daarover heeft verklaard ten overstaan van de politie. Daar komt bij dat zowel verdachte als [naam 1] hebben aangegeven elkaar niet te kennen. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de onafhankelijke getuige [naam 1] die de verklaring van aangever en getuige [naam 2] ondersteunt. De verklaring van verdachte ter zitting wordt daarom als zijnde niet aannemelijk verworpen.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, volgt evenwel niet dat verdachte een plan had beraamd om aangever van het leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte al langere tijd zinde op wraak door aangever met gelijke munt terug te betalen. Hij had immers vooraf het plan om met een gelijkwaardige tegenreactie te komen op het eerdere (vermeende) steekincident waarbij verdachte door aangever in zijn rug zou zijn gestoken. Zijn wraakplan was gericht op het toebrengen van letsel en was er niet op gericht om aangever van het leven te beroven. Dit betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat hij moet worden vrijgesproken van poging tot moord.
Overweging opzet
De rechtbank is voorts van oordeel dat op basis van het dossier en het onderzoek ter zitting niet bewezen kan worden dat sprake was van vol opzet aan de zijde van verdachte. Weliswaar staat vast dat verdachte opzettelijk heeft gestoken, maar uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank zoals hiervoor reeds overwogen niet af dat hij de intentie had om aangever te doden. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood en overweegt dienaangaande als volgt.
Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op de dood is in ieder geval vereist dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, welke aanmerkelijke kans door verdachte ook bewust is aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte direct en meermalen op ongecontroleerde wijze met een mes heeft ingestoken op de rug van aangever. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in dat gebied vitale delen, zoals de longen, bevinden waarvan beschadiging tot de dood kan leiden. De steekverwondingen hebben ook daadwerkelijk tot een dubbele klaplong en sucking chest wound geleid. Omdat beide longen zijn geraakt, moet verdachte ook met kracht op aangever hebben ingestoken. Ook wanneer een in dit gebied aanwezige slagader of een ander orgaan zoals bijvoorbeeld het hart wordt geraakt, is de kans op de dood aanmerkelijk.
Gelet op de hoeveelheid en wijze waarop de snij- en steekwonden zijn toegebracht, namelijk door twaalf directe en onverhoedse bewegingen in de rug en het gegeven dat verdachte door bleef steken/snijden op het moment dat aangever naar de grond ging, kunnen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders
kan zijn dan dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van aangever heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever. Daarmee kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.
Parketnummer 18-184345-25
Bewijsmiddelen 9
[naam 3] (hierna: aangeefster) is eigenaresse van een winkel genaamd [winkel] te Leeuwarden. Op 3 juni 2026 omstreeks 13.05 uur zag zij een jongen met twee polos van het merk Ralph Lauren naar het pashokje achterin de winkel lopen. Eén van de polos had een bordeauxrode kleur en de ander was donkerblauw. Toen de jongen na een paar minuten het pashokje verliet zag aangeefster dat hij enkel nog de blauwe polo vasthield. Wel zag zij dat de jongen iets roods onder zijn jas aan had. Aangeefster kreeg daardoor het vermoeden dat de jongen de rode polo had aangetrokken en dat hij deze onder zijn jas droeg. Ze sprak de jongen hierop aan waarna een handgemeen ontstond en de jongen de winkel uit vluchtte. Hierop belde aangeefster gelijk met [bedrijf] . In het betreffende pashokje trof zij vervolgens de hanger, het prijskaartje van de rode polo en de veiligheidstag aan.10
Verbalisant [verbalisant] ging ter plaatse en nadat hij screenshots van de camerabeelden van de winkel had bekeken zag hij omstreeks 15.00 uur op het station Leeuwarden een jongeman die op de verdachte leek. De jongen was in het bezit van een rode Ralph Lauren polo en bevestigde dat hij in de winkel van aangeefster was geweest. Hierop is een medewerker van [bedrijf] met het rode polo shirt naar de winkel van aangeefster gegaan om te vragen of het de weggenomen polo betrof. Enkele minuten later hoorde verbalisant [verbalisant] de betreffende medewerker zeggen dat de aangetroffen polo inderdaad de weggenomen polo betrof en dat exact op de plek waar het beveiligingslabel zat nu een beschadiging zat. Hierop is verdachte aangehouden op verdenking van winkeldiefstal.11
Verbalisant [verbalisant] heeft vervolgens de camerabeelden van de winkel bekeken. Zij heeft beschreven dat hierop is te zien dat verdachte twee shirts, waaronder een rood shirt, uit het kledingrek pakte en daarmee in de richting van het pashokje liep. Enkele minuten later is te zien dat verdachte één van de shirts terughangt en dat hij daarna wordt aangesproken door aangeefster. De voorheen gesloten jas van verdachte was nu deels geopend en verbalisant [verbalisant] zag dat er een rood shirt zichtbaar was onder de jas van verdachte. Hierna wordt het handgemeen tussen verdachte en aangeefster beschreven waarna verdachte de winkel ontvluchtte.12
Overwegingen
Verdachte heeft de diefstal ontkend en hierover wisselende verklaringen afgelegd. In eerste instantie verklaart hij dat hij de rode polo in de winkel heeft gekocht. Daarna geeft hij aan dat dit een andere polo van hemzelf betrof die leek op de polo uit de winkel. Weer later geeft hij aan dat hij de betreffende polo in de paskamer heeft achtergelaten. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat voor deze wisselende en tegenstrijdige verklaringen. Het verweer is niet met concrete feiten onderbouwd en vindt geen steun in het dossier. Het verweer wordt daarom als niet aannemelijk verworpen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de diefstal van het polo shirt heeft gepleegd, zoals hierna vermeld in de bewezenverklaring.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder parketnummers 18-200255-25 (primair) en 18-184345-25 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-200255-25
(Primair)
hij op 30 juni 2025 te Sneek, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven door die [slachtoffer] meermalen en met kracht met een mes in en op de rug te steken en te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 18-184345-25
hij op 3 juni 2025 te Leeuwarden, een polo shirt dat aan [winkel] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-200255-25
(Primair) Poging tot doodslag.
Parketnummer 18-184345-25
Diefstal.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Motivering straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummers 18-200255-25 primair (in de variant poging tot moord) en 18-184345-25 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) gevorderd. De officier van justitie heeft er bij haar vordering rekening mee gehouden dat het geweldsfeit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om te volstaan met een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest. Alsmede een voorwaardelijke PIJ-maatregel met de dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden zoals opgenomen in de eerdere beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarbij is verzocht om in het advies op te nemen dat verdachte wordt geplaatst in de Catamaran of een soortgelijke instelling. Tot slot is verzocht om bij einduitspraak de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden te schorsen.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de hierna genoemde rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Op vijftienjarige leeftijd heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit dat een grove inbreuk vormt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte is in het bijzijn van omstanders het slachtoffer met een mes te lijf gegaan. Met als gevolg dat er bij het slachtoffer diverse steek- en snijverwondingen op de rug, een dubbele klaplong en een sucking chestwound zijn geconstateerd.
Verdachte mag van geluk spreken dat zijn handelen geen dodelijk letsel tot gevolg heeft gehad. De rechtbank vindt het ook zeer zorgwekkend dat verdachte een vermeend eerder conflict met het slachtoffer op deze manier heeft willen beslechten. Het behoeft daarnaast geen betoog dat voornoemde handelingen van verdachte gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen in de samenleving.
Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een vermogensfeit. Met zijn handelen heeft hij laten zien geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen. Vermogensfeiten treffen bovendien niet alleen de slachtoffers, maar leveren ook voor de maatschappij schade en overlast op.
Documentatie
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 8 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 20 mei 2026, opgesteld door Drs. M.C.G. Smeets (GZ-psycholoog) en T. den Boer (psychiater).
Door de psycholoog is geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een ernstige reactieve hechtingsstoornis, een complexe posttraumatische stressstoornis, een matig tot ernstige depressieve stoornis, een periodiek explosieve stoornis, een norm overschrijdende gedragsstoornis met beperkte pro sociale emoties en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Tezamen hebben deze stoornissen ertoe geleid dat verdachte te beperkt is in zijn sociale vaardigheden om conflicten zelf op te lossen. Hierdoor zoekt hij op impulsieve en roekeloze wijze de confrontatie op, hetgeen geleid heeft tot het ten laste gelegde. De psycholoog heeft daarom geadviseerd om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Tijdens de afrondende fase van het onderzoek heeft de psycholoog bij verdachte een ontregeld psychisch toestandsbeeld geconstateerd, dat zich met name na zijn aanhouding en in detentie heeft ontwikkeld. Dit toestandsbeeld wordt ook door de psychiater onderschreven. De psychiater beschrijft dat het ontregeld psychisch toestandsbeeld bestaat uit ontregeling van emoties, gedrag en het denken en bijdraagt aan een negatieve spiraal binnen de huidige context in de JJI, met toegenomen restricties en sociale deprivatie tot gevolg. Hoewel de psychiater mede door het huidige toestandsbeeld van verdachte onvoldoende scherp heeft gekregen hoe verdachte destijds functioneerde en dacht, is vanwege de alomvattende ontwikkelingsproblematiek van verdachte (leidend tot sneller emotioneel en agressief reageren, verantwoordelijkheid buiten zichzelf leggen, een wantrouwende grondhouding, een beperkte morele ontwikkeling en beperkte mentaliserende vermogens) geadviseerd het hem ten laste gelegde verminderd toe te rekenen.
De rechtbank kan zich met voornoemde inhoud en conclusies van de Pro Justitia rapportages verenigen en is van oordeel dat het bewezen verklaarde geweldsfeit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.
De deskundigen hebben voorts geconcludeerd dat verdachte zelfs binnen een gestructureerde omgeving met forensisch toezicht veel emotie- en gedragsregulatieproblemen laat zien. Er vinden veel verbale en fysieke geweldsincidenten plaats en hoewel verdachte zich soms begeleidbaar opstelt, wordt er weinig tot geen gedragsverandering gezien. Er is nauwelijks sprake van probleembesef en de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag legt hij grotendeels buiten zichzelf. Daarom wordt het risico op geweld zelfs in een gestructureerde omgeving met forensisch toezicht op matig-hoog ingeschat. Indien verdachte in een ongestructureerde omgeving zonder toezicht komt is er een groter risico dat hij opnieuw tot verkeerde gedragskeuzes komt en/of zijn zelfcontrole verliest en tot ernstig gewelddadig gedrag komt. In deze situatie wordt het risico op geweld op hoog ingeschat. Aanvullend hierop lijkt er vanaf maart 2026 sprake van een psychische ontregeling die tot op heden voortduurt. Deze ontregeling leidt tot minder grip op het voelen, denken en handelen, waardoor verdachte sneller tot (agressief) grensoverschrijdend gedrag kan komen.
Gelet op het aantal en de ernst van de incidenten binnen de JJI wordt een start van een stabiliserende behandeling buiten de JJI, in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, door beide deskundigen niet haalbaar geacht. Daarnaast is het de vraag of verdachte in zijn huidige toestandsbeeld zelfstandig in staat is zich aan de voorwaarden van een voorwaardelijke PIJ-maatregel te houden. Vanwege de ernst van het ten laste gelegde, de ernst en het duurzame karakter van de geconstateerde psychopathologie en het
huidige risico dat van verdachte uitgaat in de vorm van frequente en ernstige incidenten binnen de JJI, adviseren de deskundigen daarom om aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De behandeling die in dit kader plaats zal vinden dient zich primair te richten op stabilisering van het gedrag, met het oog voor de onderliggende psychische ontregeling. Een individuele benadering, waarbij zorg hand in hand gaat met een heldere structuur, is hierbij essentieel. Daarbij wordt door de deskundigen speciale aandacht gevraagd voor het volgende. Een reguliere afdeling van de JJI met een gedragsmatige en repressieve aanpak is geen passende plek voor verdachte en zal eerder tot verdere destabilisatie leiden. Geadviseerd wordt om verdachte voor stabilisatie zo spoedig mogelijk over te plaatsen naar een passende afdeling zoals een FOBA of een VIC voordat hij voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling over kan gaan naar een gesloten behandelkliniek voor forensische orthopsychiatrische behandeling (zoals de Catamaran te Eindhoven). Op basis van het behandelverloop binnen een dergelijke kliniek kunnen vervolgstappen binnen een open setting en vervolgens een ambulant kader plaatsvinden.
De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 29 juni 2026, opgesteld door [kernfunctionaris] (kernfunctionaris). De Raad ziet een jongen met een belaste voorgeschiedenis. Er was sprake van onder andere huiselijk geweld en een vluchtgeschiedenis uit het land van herkomst. De situatie is complex gelet op de ernst van de verdenking en de onderliggende problematiek (verdachte is onveilig voor zichzelf en zijn omgeving). Hierdoor krijgt hij steeds minder vrijheden. Dit resulteert in een averechts effect waardoor hij niet toekomt aan duurzaam gedragsherstel.
De Raad maakt zich zorgen over het welzijn van verdachte vanwege de dagelijkse langdurige en aanhoudende afzondering. Ook zijn er zorgen over zijn sociaal emotionele- en cognitieve ontwikkeling. Het risico op herhaling wordt ingeschat als heel hoog, omdat binnen vrijwel alle domeinen momenteel zorgen worden geconstateerd. Een ambulant kader is volgens de Raad een gepasseerd station en niet toereikend voor zijn problematiek. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt evenmin toereikend geacht, vanwege de te korte behandelingstermijn. Een dergelijk kader biedt onvoldoende waarborg dat de behandeling daadwerkelijk goed op gang komt, kan beklijven en daarmee de ontwikkelingsbedreiging en het daarmee samenhangende recidiverisico af kan wenden dan wel kan verminderen. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel sluit bovendien onvoldoende aan bij de forse persoonlijke problematiek en het ontbreken van zelfinzicht en probleembesef bij verdachte. Hij ziet immers zelf weinig meerwaarde in een behandeling en zijn enige motivatie is om naar huis te kunnen. Geadviseerd is daarom om aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Verdachte heeft baat bij een beveiligde gesloten en duurzame setting om zijn ontwikkeling positief te beïnvloeden en waar hij passende behandeling kan krijgen waardoor het risico op herhaling van delictgedrag verlaagd wordt. Temeer omdat hij tijdens zijn voorarrest meerdere keren is overgeplaatst waardoor hij zich onvoldoende kon hechten aan een plek om tot verandering te komen.
Op te leggen maatregel
Op grond van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) zijn aan de oplegging van een PIJ-maatregel een drietal voorwaarden gesteld, te weten:
-
Het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
-
De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van die maatregel.
-
De maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
Aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Het door verdachte gepleegde geweldsmisdrijf betreft immers een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
Daarnaast stelt de rechtbank op grond van de door de deskundigen opgemaakte rapportages vast dat er sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van verdachte die ook aanwezig was ten tijde van het gepleegde geweldsfeit.
Ook eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van een PIJ-maatregel, nu de kans op recidive door de deskundigen is ingeschat als (heel) hoog. Behandeling en begeleiding van verdachte is, zoals blijkt uit de voormelde adviezen, noodzakelijk voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het enige kader is dat voldoende garanties kan bieden voor bescherming van de maatschappij en het terugdringen van het herhalingsgevaar. Er is immers sprake van complexe en zorgwekkende problematiek en een hoog recidiverisico. Daarbij komt dat de eerder opgelegde schorsingsvoorwaarden in het kader van de voorlopige hechtenis niet hebben gewerkt, omdat verdachte de voorwaarden heeft overtreden. Hierdoor is de schorsing voortijdig opgeheven. Bovendien wordt door oplegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel de continuïteit van de voor verdachte dringend noodzakelijke behandeling gewaarborgd.
De rechtbank acht oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk en zal dan ook hiertoe overgaan. De rechtbank beseft dat deze maatregel binnen het jeugdstrafrecht de zwaarste sanctie is en verdachte nog erg jong is. Gelet op de ernst van het feit en de duur van het te verwachten behandeltraject acht de rechtbank een lichtere sanctie echter niet afdoende. De rechtbank hoopt dat verdachte deze kans aangrijpt om de benodigde hulp te accepteren en een positieve gedragsverandering te kunnen ondergaan.
De rechtbank overweegt verder dat de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Op grond van artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis niet opheffen bij einduitspraak, omdat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd.
De rechtbank adviseert voorts dat verdachte voor stabilisatie zo spoedig mogelijk wordt overgeplaatst naar een passende afdeling zoals een FOBA of een VIC voordat hij voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling over kan gaan naar een gesloten behandelkliniek voor forensische orthopsychiatrische behandeling (zoals de Catamaran te Eindhoven of soortgelijke behandelsetting). Op basis van het behandelverloop binnen een dergelijke kliniek kunnen vervolgstappen binnen een open setting en vervolgens een ambulant kader plaatsvinden.
Op te leggen straf
Vervolgens is de vraag aan de orde of naast de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, die gericht is op beveiliging van de maatschappij en op behandeling van verdachte, ook nog een jeugddetentie op zijn plaats is. Ingevolge artikel 77i, eerste lid onder a, Sr. kan aan degene die ten tijde van het begaan van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt maximaal een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van het feit door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden. Gelet op de ernst van de feiten, de leeftijd van verdachte en de conclusies en adviezen van de deskundigen dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend acht de rechtbank, alles afwegend, een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 349 dagen opleggen.
Benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18-200255-25 (primair) heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 7.615,89, bestaande uit 615,89 aan materiële schade en 7.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering voldoende is onderbouwd en daarom toewijsbaar is, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr waarbij de gijzeling wordt vastgesteld op nihil. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de gevorderde materiële schade toewijsbaar is. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman verzocht aansluiting te zoeken bij categorie C (minder ernstige littekenvorming) en acht daarbij een bedrag van 5.000,00 in beginsel toewijsbaar. Voorts heeft de raadsman bepleit dit bedrag te matigen tot een bedrag van 2.500,00 vanwege een beroep op het leerstuk eigen schuld.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade van 615,89 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-200255-25 (primair) bewezen verklaarde. Deze post, waarvan de hoogte niet door verdachte en diens raadsman is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden en dat ook deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-200255-25 (primair) bewezen verklaarde. De benadeelde partij is immers plotseling in een park in Sneek door verdachte aangevallen en meermaals in zijn rug gestoken en gesneden. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede de aard van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de ernst daarvan en de verwachting ten aanzien van het herstel. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Gelet hierop acht de rechtbank 5.500,00 billijk ter vergoeding van de door hem geleden schade. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij
het bedrag aan smartengeld tussen de categorieën B (middelzware littekenvorming) en C (minder ernstige littekenvorming) van de Rotterdamse schaal.
Het verweer van de raadsman, dat sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij, wordt verworpen. Van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij in die zin dat de schade mede aan hemzelf kan worden toegerekend, is naar het oordeel van de rechtbank blijkens de bewijsmiddelen geen sprake. De rechtbank zal de immateriële schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van 5.500,00 en het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Het totaalbedrag van 6.115,89 zal worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 juni 2025.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. Daarbij zal de rechtbank gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte bepalen dat geen gijzeling kan worden toegepast.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder parketnummers 18-200255-25 (primair) en 18-184345-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een jeugddetentie voor de duur van 349 dagen.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast de plaatsing van veroordeelde in een inrichting voor jeugdigen.
Adviseert dat de veroordeelde voor stabilisatie zo spoedig mogelijk wordt overgeplaatst naar een passende afdeling zoals een FOBA of een VIC voordat hij voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling over kan gaan naar een gesloten behandelkliniek voor forensische orthopsychiatrische behandeling zoals de Catamaran te Eindhoven of soortgelijke gesloten behandelkliniek.
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer], parketnummer 18-200255-25 (primair):
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen:
-
het bedrag van 6.115,89 (zegge: zesduizend honderdvijftien euro en negenentachtig eurocent);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 6.115,89 (zegge: zesduizend honderdvijftien euro en negenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 615,89 aan materiële schade en 5.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op nihil.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. K. Bunk en mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2026.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie
Eenheid Noord-Nederland, Districtsrecherche Fryslân, met het proces-verbaal nummer 2025173441 (genaamd PYRIET), doorgenummerd 1 tot en met 227. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.
2 Paginas 17, 18, 19, 26 en 27.
3 Paginas 52 en 21.
4 Paginas 3 tot en met 6 van het aanvullend forensisch geneeskundig letselverslag d.d. 15 september 2025.
5 Paginas 33, 34 en 35.
6 Paginas 222, 223 en 224.
7 Paginas 59 en 60.
8 Paginas 170, 171, 172 en 173.
9 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie
Eenheid Noord-Nederland, met proces-verbaal nummer PL0100-2025145323, doorgenummerd 1 tot en met 51. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.
10 Paginas 5 en 6.
11 Paginas 10 en 11.
12 Paginas 14 en 15.