RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.167951.26
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.294475.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.H. Houwaard, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2025 en 10 juni 2026, althans tussen 1 november 2025 en 10 juni 2026, althans tussen 1 januari 2026 en 10 juni 2026 te Drachten en/of te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 10 juni 2026 te Drachten en/of te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,77 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 12,20 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 0,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (methyleendioxymethamfetamine) zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA (methyleendioxymethamfetamine) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 10 juni 2026 te Drachten, althans in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 67,15 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2 en 3. Ten aanzien van feit 1 heeft hij aangevoerd dat uit de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [medeverdachte 1] volgt dat verdachte zich bezighield met het handelen in cocaïne. Uit observaties volgt dat verdachte in een pand aan [adres ] aanwezig was op het moment dat er aanloop was van ambtshalve bekende drugsgebruikers. Ook uit de tapgesprekken en de berichten op de telefoons van verdachte blijkt dat er sprake was van handel in drugs.
Met betrekking tot de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er doorzoekingen hebben plaatsgevonden in de woning van verdachte en het pand aan [adres ] waar verschillende hoeveelheden cocaïne, heroïne, MDMA en hennep zijn aangetroffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de handel in drugs ontkend. Verdachte kwam in het pand aan [adres ] om zelf drugs te gebruiken. Ook de bij hem aangetroffen drugs was voor eigen gebruik. Verdachte had niet altijd de beschikking over de veronderstelde dealertelefoon welke in het pand is gevonden. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de periode beperkt moet worden van eind april 2026 tot en met 10 juni 2026.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat de bewezenverklaring beperkt moet worden tot hetgeen bij verdachte is aangetroffen, namelijk de cocaïne. De heroïne en de MDMA zijn in het pand aan [adres ] aangetroffen onder medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachte had hier geen kennis van.
Ook de onder feit 3 tenlastegelegde hennep is bij [medeverdachte 1] aangetroffen. Er is geen bewijs dat verdachte hiervan wist dan wel er zeggenschap over had. Verdachte dient dan ook van feit 3 te worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De hennep is in een ladekast in de tuin van de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen en onder hem in beslag genomen. Niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van die hennep. Daarmee acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte er wetenschap van en zeggenschap over had.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
Feit 1
Op grond van de voorhanden zijnde stukken stelt de rechtbank vast dat verdachte regelmatig van Groningen naar Drachten reisde. Hij bracht dan cocaïne mee. In [plaats] verbleef hij in de woning van [medeverdachte 1] aan [adres ] , waarvan hij een sleutel had. De woning werd bezocht door verschillende mensen van wie bij de politie bekend was dat zij drugs gebruiken. Getuigen hebben verklaard dat zij drugs kochten van verdachte en die in de woning kregen. Die verklaringen acht de rechtbank betrouwbaar. Dat in een omschrijving van het uiterlijk van de dealer ook medeverdachte [medeverdachte 2] past, doet daar niet aan af, nu verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij sprekend op hem lijkt.
Overeenkomstig de verklaring van afnemer [getuige 1] acht de rechtbank bewezen dat verdachte vanaf juni 2025 in cocaïne handelde. Van de periode daaraan voorafgaand zal de rechtbank verdachte vrijspreken.
Feit 2
Bij zijn aanhouding in Groningen heeft de politie bij verdachte 10,77 gram materiaal met cocaïne en 0,78 gram materiaal met MDMA aangetroffen. Van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van die middelen is evenwel niet gebleken.
De tenlastelegging ziet met betrekking tot deze middelen alleen op wat er in Groningen bij verdachte is aangetroffen. Daarom acht de rechtbank de pleegplaats Drachten niet bewezen.
Dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van heroïne in de woning van [medeverdachte 1] in [plaats] en dat hij daar zeggenschap over had, is evenmin gebleken. Van (medeplegen van) het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne zal verdachte daarom worden vrijgesproken.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 18 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik kwam tot 10 juni 2026 in het pand aan [adres ] . Ik bracht de cocaïne mee uit Groningen. Het geld en de drugs wat bij mij is aangetroffen bij de aanhouding waren van mij.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 20 mei 2026, opgenomen op pagina 166
e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer USU/ NN1R026044 d.d. 26 juni 2026, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Wij hebben op maandag 4 mei 2026, tussen 08.30 uur en 16.25 uur geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan en/of handelingen verricht:
Zag ik dat [verdachte] contact maakte met NN1 en dat [verdachte] zijn telefoon toonde aan NN1
Zag ik dat [verdachte] met een sleutel de voordeur van perceel [adres ] opende en dat NN1 en vrijwel direct nog 2 personen via deze voordeur perceel [adres ] binnen gingen. Van 1 van die 2 personen herkende ik [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] -1963 te [geboorteplaats] .
09:54 Zag ik dat NN 1 [adres ] verliet en vertrok op de fiets.
Zag ik dat [verdachte] perceel [adres ] weer naar binnen ging met gebruik van een sleutel.
Zag ik dat [verdachte] [adres ] buiten kwam en lopend vertrok richting de Eibertsbek te Drachten.
12:00 Zag ik dat een vrouw, gekleed in een zwarte jas, oranje broek met geblokt motief, zwarte pet en een tas bij [adres ] aanbelde en binnengelaten werd. (Nader te noemen NN3).
Zag ik dat een man, geschatte leeftijd rond de 40 jaar, grijze baardgroei, op een grijze damesfiets, gekleed in zwarte trainingsbroek met witte strepen, zwarte jas en donkerrode pet, arriveerde bij [adres ] en binnen gelaten werd. (Nader te noemen NN4).
Zag ik dat NN3 [adres ] weer verliet.
Zag ik dat een man, gekleed in zwarte jas, blauwe spijkerbroek en donkere pet, op een fiets arriveerde bij [adres ] en binnengelaten werd. (Nader te noemen NN5)
Zag ik dat NN3 en NN5 [adres ] verlieten. Zag ik tevens dat [medeverdachte 1] met een man in de deuropening praatte.
12:59 Zag ik dat een man, gekleed in zwarte jas met oranje vlakken bij [adres ] aanbelde en binnengelaten werd. (Nader te noemen NN6)
13:00 Zag ik, 960 dat NN6 weer buiten kwam en vertrok.
13:20 Zag ik dat [verdachte] uit coffeeshop [coffeeshop] kwam en richting [adres ] liep.
13:20 Zag ik dat een man op een fiets, gekleed in blauwe spijkerbroek, blauwe jas en rode pet, aanbelde bij [adres ] en binnen gelaten werd. (Nader te noemen NN8)
13:24 Zag ik dat [verdachte] aanbelde bij [adres ] en binnengelaten werd en zag ik dat NN8 [adres ] verliet.
14:40 Zag ik dat een man op een fiets, gekleed in zwart jack en witte korte broek aanbelde bij perceel [adres ] en binnengelaten werd.
14:41 Zag ik dat de man in de witte korte broek en een andere NN-man vertrokken vanaf [adres ] .
15:00 Zag ik dat [medeverdachte 1] en een kale man contact met elkaar hadden in de deuropening van [adres ]
15:05 Zag ik dat [verdachte] perceel [adres ] verliet en naar het busstation aan [adres ] liep
15:09 Zagen wij dat [verdachte] contact maakte aan [adres ] te Drachten met een man, (nader te noemen NN9) en een kind en dat deze man en [verdachte] aan elkaar iets over gaven.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 10 juni 2026, opgenomen op pagina 214 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
V: Wij hebben geconstateerd dat je vandaag in het pand aan [adres ] bent geweest. Wat deed je daar? A; Naar binnen gegaan en drugs gekocht.
V: Wie waren daar nog meer? A: Er zat 1 persoon binnen.
V: Hoe zag die persoon eruit?
A: Volgens mij een Marokkaantje met een sikje. V: En op welk nummer bestel je?
O: Verdachte pakt zijn telefoon. Hij toont een contact met de naam ' [gebruikersnaam 1] ' met telefoonnummer [telefoonnummer] .
V: Van wie koop je de cocaïne? A: Van [gebruikersnaam 1] .
V: Dus altijd bij [gebruikersnaam 1] ? A: Ja, ja ja.
V: Dus je koopt een jaar, anderhalf jaar cocaïne bij [gebruikersnaam 1] ? A: Nou ik denk het wel zo'n beetje.
V: Vanaf wanneer ben je bij [verdachte] gaan bestellen? A: Een jaar sowieso. Hooguit anderhalf.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 10 juni 2026, opgenomen op pagina 214 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
V: Wij hebben geconstateerd dat je vandaag in het pand aan [adres ] bent geweest. Wat deed je daar? A: Drugs opgehaald. Die crack. Twintig euro. Dat is base coke.
V: Waar bestel jij je harddrugs? A: Via een telefoonnummer.
V: Kun je dat laten zien?
A: Dat is [verdachte] .
O: Wij zien een contact met telefoonnummer [telefoonnummer] . V: Heeft de verkoper van de drugs een bril, baard of snor?
A: Geen bril, hij heeft een klein beetje een baardje. Een soort ringbaardje. Geen grote baard. V: Dus het is altijd dezelfde man waar je de cocaïne koopt?
A: Vaak wel.
V: Hoe lang koop je de cocaïne al uit de woning aan [adres ]?
A: De laatste maanden een tijdje. Drie maanden of zo, ongeveer.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 16 juni 2026, opgenomen op pagina 392 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :
V: Je hebt zojuist met je advocaat overlegd. Is er nog iets waar je op terug wil komen?
A: Ik heb inderdaad contact gehad met [verdachte] . [verdachte] zei dat hij in de buurt was. V: En wat bedoel je daar mee?
A: Dat hij in de buurt was dan wist ik. V: Maar wat wist je dan wel?
A. Dan kocht ik van [verdachte] . Alle drugs die van [verdachte] kreeg, daar heb ik voor betaald. Ik heb niets gratis gekregen.
V: Wat kocht je dan?
A: Voor 20 euro.
V: Wat kocht je voor 20 euro? A: Dat was cocaïne.
Het klopt dat ik daar kwam om drugs te gebruiken. Dan belde [verdachte] mij dat hij aanwezig was en dat ik bij hem kon komen om te kopen. Dan kwam ik daar en dan kwamen er ook andere om te kopen van [verdachte] . [verdachte] belde dan zelf ook mensen op dat ze konden komen. Hij gebruikte mijn woning dan wel een beetje om te handelen.
Ik werd regelmatig door [verdachte] gebeld. Dan moest ik naar de woning komen om de deur van (de rechtbank begrijpt: voor) [verdachte] open te doen.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2026, opgenomen op pagina 203 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op woensdag 10 juni 2026 vond er een doorzoeking plaats in de woning aan [adres ] . Tijdens de doorzoeking werden een aantal goederen aangetroffen en inbeslaggenomen voor het onderzoek.
Zakje wit poeder en zakje beige brokjes.
Bijbehorend: Kennisgeving van inbeslagneming op pagina 447 van voornoemd dossier: Inbeslagneming
Plaats: [adres ]
Beslagene: [verdachte] , [verdachte] Goednummer P10100-2026096244-1949039
Object: verdovende middelen
Inhoud: klein zakje met brokjes beige substantie
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2026, opgenomen op pagina 186 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op woensdag 10 juni 2026, omstreeks 16:50 uur, werd door de ondersteuningsgroep Noord-Nederland binnengetreden in een woning aan [adres ] .
- In de woonkamer stond een sofa en een bank. Naast deze sofa lag een iPhone toestel. De in beslagname is terug te vinden onder kennisgeving van inbeslagneming 2026096244-26 met goednummer 1949055.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2026, opgenomen op pagina 234 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op woensdag 10 juni 2026 werd verdachte [verdachte] in Groningen aangehouden. Tijdens zijn insluiting werd duidelijk dat verdachte [verdachte] , naast contant geld, ook een boterhamzakje met twee witte brokken bij zich had met een bruto gewicht van 12 gram.
Bijbehorend: Kennisgeving van inbeslagneming op pagina 445 van voornoemd dossier: Inbeslagneming
Datum 10 juni 2026
Reden aangetroffen bij ve na aanhouding Beslagene
Beslagene: [verdachte] , [verdachte] Goednummer PL0100-2026096244-1948912
Bijzonderheden: 2 brokjes wit
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 11 augustus 2026, los opgenomen bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Ontvangen onderzoeksitems
De volgende onderzoeksitems zijn aangeboden voor onderzoek:
SIN/UVN AAUI0825NL
BVH Goednummer 1949039
Object omschrijving Een gripzakje met een groene rand met daarin crèmekleurige kristalachtige brokjes en poeder
Nettogewicht: 0,78 gram positief voor MDMA
SIN/UVN AAUI0827NL
BVH Goednummer 1948912
Object omschrijving Een dichtgeknoopt kleurloos plastic zakje met daarin witte brokken, brokjes en poeder
nettogewicht 10,77 gram positief voor cocaïne
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2026, opgenomen op pagina 150 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
[telefoonnummer]
Op dit telefoonnummer loopt een spraaktap van de periode 5 mei 2026 tot 1 juni 2026. Dit betreft een telefoonnummer dat in gebruik is bij verdachte [verdachte] .
17-05-2026 om 17:16 uur.
Verdachte [verdachte] wordt gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer] . Inhoud gesprek:
-
[gebruikersnaam 2] en [verdachte] hebben het over een jongen die bij hun zou komen. Ze vragen zich alleen nog af of bij [gebruikersnaam 2] of [verdachte] komt
-
De jongen waar het over gaat moet komen op het adres [adres ]
-
[gebruikersnaam 2] zegt dat hij die jongen ook gelijk de 'floes' gaat geven. [telefoonnummer]
Op dit telefoonnummer loopt een spraaktap van de periode 28 mei 2026 tot 24 juni 2026 Dit betreft een telefoonnummer dat in gebruik is bij verdachte [verdachte] .
05-06-2026 om 17:30 uur.
Verdachte [verdachte] belt naar het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer staat in het politiesysteem gekoppeld aan [medeverdachte 2]
Inhoud gesprek:
-
[medeverdachte 2] zegt tegen [verdachte] “die sigaret van jou ligt nog hier hé".
-
[verdachte] zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij naar [locatie] moet gaan omdat [naam 1] daar ook komt.
-
[verdachte] geeft aan dat hij het pakje mee moet geven waarop [medeverdachte 2] vraagt “die hele sigaret?.
-
[verdachte] geeft aan dat hij één uit het pakje moet geven en het pakje bij hem zelf moet laten.
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 juli 2026, opgenomen op pagina 153 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
[telefoonnummer]
Onder het hierboven genoemde telefoonnummer werden vier telefoongesprekken waargenomen die voor het onderzoek van belang kunnen zijn
31-05-2026 om 13:43:50 uur.
Verdachte [verdachte] wordt gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer staat gekoppeld aan [getuige 2] .
Inhoud gesprek:
- [ [gebruikersnaam 3] : Yo [verdachte]
-
[verdachte] : Yo
-
[gebruikersnaam 3] : Mag ik nog één keer daar heen gaan voor dertig
-
[verdachte] : Yo
-
[gebruikersnaam 3] : Dankje 31-05-2026 om 18:51:44 uur.
Verdachte [verdachte] wordt wederom gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer] wat op naam staat van [getuige 2]
Inhoud gesprek:
[verdachte] : Hallo met NTV (de rechtbank begrijpt: niet te verstaan)
-
[gebruikersnaam 3] : Hey [verdachte]
-
[verdachte] : Ja
-
[gebruikersnaam 3] : Hey luister, ik heb veertig, hey
-
[verdachte] : Ja
-
[gebruikersnaam 3] : Oke, kan ik nog één keer komen. [verdachte]
01-06-2026 om 14:12:34
Verdachte [verdachte] wordt wederom gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer] wat op naam staat van [getuige 2]
Inhoud gesprek:
-
[verdachte] : Jo
-
[gebruikersnaam 3] : Jo [verdachte] , kan ik daar komen?
-
[verdachte] : Jo
05-06-2026 om 21:37:23 uur.
Verdachte [verdachte] wordt gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer staat
gekoppeld aan [naam 2] , wonende [adres ] . Op het betreffende adres is woonachtig [naam 2] .
Inhoud gesprek:
-
[naam 2] vraagt of alles goed gaat.
-
[verdachte] zegt zeker en met jou [naam 2] ?
-
[naam 2] vraagt of hij een vraag mag stellen.
-
[verdachte] zegt dat het mag.
-
[naam 2] zegt dat hij het vandaag druk heeft gehad en gister ook.
-
[naam 2] vraagt of hij vandaag mag halen en maandag mag betalen.
-
[verdachte] zegt dat het goed is.
-
[naam 2] vraagt of [naam 1] brengt
-
[verdachte] zegt nee
-
[naam 2] vraagt of hij mag komen. Daarna
-
[naam 2] zegt dat hij het twee dagen druk heeft gehad en vraagt of hij vijftig tot maandag mag opschrijven.
-
[verdachte] zegt dat het goed is.
-
[naam 2] vraagt of het bij [naam 3] is.
-
[verdachte] bevestigd dat
-
[naam 2] zegt dat hij er aan komt.
30-05-2026 om 17:21:01 uur.
Verdachte [verdachte] belt met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Het genoemde telefoonnummer staat in het politiesysteem gekoppeld aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] = [medeverdachte 2]
[verdachte] = [verdachte] Inhoud gesprek:
-
[verdachte] : Ja maar kijk eens aan je rechter kant, kijk je rechter kant waar ik zat op die bank.
-
[medeverdachte 2] : Op die bank ja
-
[verdachte] : NTVdaar zit een enveloppe. In die ene potjes [medeverdachte 2] : In die rechterkant in die potjes, in die schaal of in die welke kant, rechter kant, jij zit op die bank rechts
-
[verdachte] : Oh nee nee nee is goed
-
[medeverdachte 2] : Die envelopjes heb je mee genomen, ik zag ze ook die kwamen uit mijn beurs
-
[verdachte] : Jij hebt alles gemaakt? Die gebakken vis
-
[medeverdachte 2] : uh uh uh uh NTV ja, [naam 1] of Ja
-
[verdachte] : Ja ja ja, nee die andere moet je laten
-
[medeverdachte 2] : Die andere laten, ik heb heb een beetje voor mij alleen op een bordje he
-
[verdachte] : Is goed
-
[medeverdachte 2] : Jo oke, 12 12 hebben we er uit man
-
[verdachte] : 12 keer 20
-
[medeverdachte 2] : 12 NTV, yes oke
-
[verdachte] : Yo yo
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode tussen 1 juni 2025 en 10 juni 2026 te Drachten opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op 10 juni 2026 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,77 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 0,78 gram van een materiaal bevattende MDMA (methyleendioxymethamfetamine) zijnde cocaïne en MDMA (methyleendioxymethamfetamine) telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
-
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
-
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest en een proeftijd voor de duur van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel dienen te worden verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft met betrekking tot de strafoplegging verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is intrinsiek gemotiveerd mee te werken aan een behandeling. Een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf gaat hem hier niet bij helpen en daarom heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van VNN, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft gedurende een jaar harddrugs verkocht en in zijn bezit gehad. De rechtbank neemt in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat cocaïne een bedreiging vormt voor de volksgezondheid en het gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving, onder andere vanwege de randcriminaliteit die het gebruik van verdovende middelen veelal met zich brengt en het overlastgevende gedrag waaraan verslaafden zich veelal schuldig maken. De handel in deze verdovende middelen houdt dit mede in stand en vormt dus een ernstige inbreuk op de rechtsorde. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Uit het rapport van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 24 augustus 2026 volgt onder meer dat er sprake is van langdurige verslavingsproblematiek bij verdachte. Er is sprake van LVB- en PTSS problematiek. De reclassering signaleert problemen op meerdere leefgebieden. De omstandigheid dat zijn kind getuige is geweest van zijn arrestatie lijkt voor verdachte een belangrijk keerpunt te zijn. Dit heeft hem, naar eigen zeggen, gemotiveerd om blijvend te stoppen met drugsgebruik en te werken aan gedragsverandering. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat. De reclassering adviseert onder meer een opname in een zorginstelling opdat behandeling en begeleiding noodzakelijk zijn om de aanwezige problematiek te stabiliseren en de recidiverisico's te beperken. Echter is eerst een nieuwe diagnose nodig waarna een indicatiestelling kan volgen. Om deze reden is er nog geen kliniek en/of opnamedatum bekend.
Tijdens de behandeling ter zitting heeft verdachte aangegeven sinds de aanhouding geen drugs meer te hebben gebruikt. Hij is gemotiveerd een klinische behandeling te ondergaan.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat aan het voorwaardelijk deel bijzondere voorwaarden dienen te worden verbonden. Dit betekent dat aan verdachte als bijzondere voorwaarden worden opgelegd een meldplicht bij de reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, verbod op het gebruik van verdovende middelen, een alcoholverbod en dagbesteding. Met betrekking tot de bijzondere voorwaarde opname in een zorginstelling overweegt de rechtbank het volgende. Tijdens de behandeling ter zitting is er geen kliniek bekend waar verdachte mogelijk kan worden opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit geen belemmering hoeft te zijn om deze voorwaarde wel op te nemen. Zodra er een diagnose is gesteld en een klinische opname is geïndiceerd, kan verdachte zich na de gevangenisstraf laten opnemen in een door de reclassering aangewezen kliniek.
Inbeslaggenomen goederen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van 1.563,40 en de inbeslaggenomen iPhones verbeurd verklaard worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft teruggave van het inbeslaggenomen geld en de twee telefoons verzocht gelet op de bepleite vrijspraak van het tenlastegelegde.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten het inbeslaggenomen geldbedrag van 1.563,40 en de telefoons iPhone 14 en iPhone 7 vatbaar voor verbeurdverklaring. De telefoons betreffen naar het oordeel van de rechtbank voorwerpen met behulp van welke de feiten zijn begaan. De rechtbank is verder van oordeel dat het inbeslaggenomen geld geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen. Het beslag behoort toe aan verdachte.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 18.294475.22
Bij onherroepelijk vonnis van 22 februari 2023 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 23 januari 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten
zal plegen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat een lange detentie het pad van hulpverlening en behandeling zal doorkruizen.
Oordeel van de rechtbank
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te beslissen.
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde(n):
-
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) op het adres [adres ] ;
-
dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan (verdiepings)diagnostiek met het oog op de indicatiestelling voor klinische opname en behandeling bedoeld onder voorwaarde 3;
-
dat veroordeelde zich gedurende één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling zoals forensische kliniek De Ekenwaard, de Piet Roorda Kliniek of een soortgelijke instelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zowel de verslavingsproblematiek als de onderliggende traumatische problematiek waarbij het van belang is om rekening te houden met LVB problematiek. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
-
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zowel de verslavingsproblematiek als de onderliggende traumatische problematiek waarbij het van belang is om rekening te houden met LVB-problematiek;
-
dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
-
dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
7. dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
8. dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen:
-
geldsom van 1.563,40 (goednummer 1948908);
-
telefoon iPhone 14 (goednummer 1949055);
-
telefoon iPhone 7 (goednummer 1948901).
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18 294475.22:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 20 februari 2023, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 oktober 2026.
Mr. J.V. Nolta en mr. G. Veenstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.