RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2665
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2026 in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S.M.M. van der Meulen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college, waarbij aan haar een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) is toegekend. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Met het primaire besluit van 5 januari 2026 heeft het college aan verzoekster de maatwerkvoorziening toegekend voor hulp bij het huishouden voor 3 uur en 35 minuten per week. Met het bestreden besluit van 20 mei 2026 is het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard in de zin dat de indicatie hulp bij het huishouden is verhoogd naar 4 uur en 35 minuten per week. Verzoekster heeft hiertegen bij brief van 28 juni 2026 beroep ingesteld. De beroepszaak is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 26/2143. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 20 augustus 2026 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Onverwijlde spoed wil zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor de beslissing op bezwaar of de uitspraak in de beroepszaak niet kan worden afgewacht.
Verzoekster voert in haar verzoekschrift aan dat de toegekende maatwerkvoorziening in de praktijk structureel niet wordt uitgevoerd, waardoor zij blijft verstoken van de benodigde ondersteuning. Zij krijgt van haar zorgaanbieder, [zorgaanbieder] , regelmatig geen, of veel minder dan de geïndiceerde uren, hulp bij het huishouden.
Verzoekster geeft aan dat zij een ernstige luchtweginfectie heeft. Daarom kunnen er bij haar geen medewerkers worden ingezet die roken, sterk geparfumeerd of blootgesteld zijn aan huisdierallergenen.
Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopig oordeel te geven over de adequaatheid van de door het college verstrekte voorziening. Daarnaast verzoekt zij om de voorlopige voorziening te treffen dat het college, op straffe van een dwangsom, ervoor zorg draagt dat zij daadwerkelijk het toegekende aantal uren voor hulp bij het huishouden ontvangt en binnen de noodzakelijke randvoorwaarden voor veilige ondersteuning.
3. Het college heeft op 3 september 2026 een verweerschrift ingediend.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan verzoekster op grond van de Wmo 2015 hulp bij het huishouden is toegekend voor 4 uur en 35 minuten per week. Verzoekster krijgt deze hulp bij het huishouden ook. Het is niet in geschil dat deze hulp niet altijd is geleverd in overeenstemming met de toegekende indicatie.
5. In het verweerschrift schrijft het college dat uit navraag bij [zorgaanbieder] is gebleken dat bij verzoekster inmiddels op maandag en op donderdag een medewerker is ingeroosterd die niet rookt, geen parfum gebruikt en geen huisdieren heeft.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Het beroep zal vermoedelijk binnen enkele maanden op zitting worden behandeld.Uit het dossier blijkt niet dat sprake is van een zodanige acute situatie dat de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat het college inmiddels actie heeft ondernomen richting de zorgverlener en dat met de zorgverlener is gecommuniceerd dat geen zorgmedewerkers kunnen worden ingezet die roken, parfum gebruiken of huisdieren hebben. Dat, blijkens de reactie van verzoekster op het verweerschrift, de inzet van zorgmedewerkers nog steeds niet altijd voldoet aan die voorwaarde, maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Van verzoekster kan worden verlangd dat zij zich in dat verband enige beperkingen getroost nu het voor de zorgverlener roostertechnisch niet altijd mogelijk is om aan die voorwaarde te voldoen. De voorzieningenrechter weegt bij dat oordeel mee dat uit het dossier niet blijkt dat indien soms niet aan die voorwaarde wordt voldaan, dit leidt tot schade aan de gezondheid van verzoekster. De voorzieningenrechter verwacht van het college wel dat zij druk blijft uitoefenen op de zorgverlener dat de zorg waar verzoekster recht op heeft, ook daadwerkelijk wordt verleend.
7. Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat er geen sprake is een acute noodsituatie, waardoor verzoekster niet de uitspraak in de beroepszaak kan afwachten.
8. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
9. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
|
griffier |
De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te tekenen |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.