RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2690
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2026 in de zaak tussen
drs. [naam uit plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing van het college om bijstand terug te vorderen.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. Met een besluit van 21 mei 2026 heeft het college aan verzoeker bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van griffierecht van € 297,00.
Met het bestreden besluit van 4 augustus 2026 heeft het college het toegekende bedrag van € 297,00 voor de kosten van griffierecht van verzoeker teruggevorderd. In dat besluit staat over de wijze van terugbetalen vermeld: ‘Kunt u de teveel ontvangen uitkering niet in één keer terugbetalen, dan zal de gemeente in de meeste gevallen bereid zijn een terugbetalingsregeling met u te treffen’.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Er is sprake van een spoedeisend belang als aannemelijk is dat het bestreden besluit leidt tot een dreigende noodsituatie of dreigende onomkeerbare gevolgen voor verzoeker, waardoor de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de hoogte van het teruggevorderde bedrag en de mogelijkheid van het betalen in termijnen, geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit leidt tot een dreigende (financiële) noodsituatie. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat niet is gebleken dat het college in het geval van verzoeker niet bereid is om een terugbetalingsregeling te treffen.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.