ECLI:NL:RBNNE:2026:2961

Datum uitspraak
16-07-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
18-338414-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring bezit en handel in harddrugs. Overwegingen m.b.t. wetenschap, dealtelefoons en pleegperiode. Oplegging jeugddetentie en GBM. Beslissingen omtrent beslag.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer 18-338414-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , thans verblijvende op het adres [adres 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het inhoudelijk onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2026. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zittingen van 23 maart 2026 en 29 mei 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. Klewer, advocaat te Rotterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 11 december 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,64 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

ongeveer 3,63 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij, op één of meer tijdstippen, in de periode van 8 oktober 2025 tot en met 11 december 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van feit 1, gelet op het aantreffen van de ten laste gelegde harddrugs en daaraan gerelateerde voorwerpen bij de aanhouding van verdachte in de woning van getuige [getuige 1] . Dit tezamen met de aangetroffen dealtelefoons die aan verdachte kunnen worden toegeschreven en de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] maakt dat dit feit wettig en overtuigend is te bewijzen.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie heeft ook bewezenverklaring gevorderd van feit 2, gelet op de grote hoeveelheid drugsgerelateerde berichten die op de aan verdachte toegeschreven dealtelefoons zijn aangetroffen.

Alsmede de vele contacten die daarop zijn aangetroffen en waarvan bij de politie ambtshalve bekend is dat zij harddrugsgebruikers zijn. Dit tezamen met de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] maakt dat feit 2 wettig en overtuigend is te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft bepleit dat partiële vrijspraak moet volgen voor het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne. De heroïne lag in een lade en niet kan worden vastgesteld dat verdachte hiervan wetenschap (en dus opzet) had. Verdachte was immers niet de enige die in de woning werd aangehouden. Ten aanzien van de aangetroffen cocaïne heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2

Primair is door de raadsman vrijspraak bepleit van dit feit, omdat uit de gesprekken die op de onder verdachte aangetroffen zwarte iPhone zijn aangetroffen niet blijkt dat wordt gesproken over de handel in harddrugs. Voorts kan de onder verdachte in beslag genomen witte iPhone niet aan hem worden toegeschreven.

Subsidiair is bepleit dat slechts een kortere dealperiode, te weten vanaf 3 november 2025 bewezen kan worden verklaard. Vanaf deze datum zijn immers voor het eerst berichten verstuurd vanaf de witte iPhone.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsmiddelen

Op 11 december 2025 hebben verbalisanten ter aanhouding en inbeslagname een woning aan de [adres 2] te Leeuwarden betreden. In de woonkamer werd verdachte aangetroffen. Verdachte droeg meerdere geldbiljetten met een totale waarde van 255,00 bij zich en in zijn broekzak werd een zwarte iPhone aangetroffen. Op een bureau in de woonkamer lagen tientallen gripzakjes met restanten van vermoedelijk verdovende middelen. Ook werden er meerdere gebruikte tipjes, een grinder, een middelgrote gripzak met witte substantie en een witte iPhone op het bureau aangetroffen. In de bovenste lade van het bureau lag

een boterhamzakje met meerdere substanties van zowel bruine als witte kleur. Beide substanties waren los verpakt. De witte substantie zat in een zakje met één groot brok, één middelgroot brok en één klein brokje. De bruine substantie was verdeeld onder een kleiner en groter zakje. In de lade daaronder lag een kleine weegschaal.2

De drie witte brokjes die in de bureaulade werden aangetroffen hadden een netto gewicht van 2,64 gram, 0,71 gram en 0,28 gram en gaven een indicatie voor cocaïne. Het totaal netto gewicht van de witte substantie bedraagt daarmee 3,63 gram.3 Onderzoek van het NFI wees uit dat deze goederen ook daadwerkelijk cocaïne bevatten.4 De twee bruine substanties die in de bureaulade werden aangetroffen hadden een netto gewicht van 4,00 gram en 0,64 gram en gaven een indicatie voor heroïne. Het totaal netto gewicht van de bruine substantie bedraagt daarmee 4,64 gram.5 Ook hierbij wees onderzoek van het NFI uit dat beide goederen daadwerkelijk heroïne bevatten.6 De middelgrote gripzak die op het bureau lag gaf een indicatie voor het versnijdingsmiddel Inositol.7

[getuige 1] (verder: getuige [getuige 1] ) woont op het adres waar de voornoemde harddrugs is aangetroffen. Hij heeft op 11 december 2025 verklaard dat verdachte wel eens bij hem overnacht in ruil voor drie bolletjes wit [de rechtbank begrijpt: cocaïne] en bevestigt dat de zojuist in zijn woning aangetroffen en in beslag genomen harddrugs van verdachte zijn. Diezelfde ochtend heeft getuige [getuige 1] nog drie bolletjes cocaïne van verdachte gekregen en de kwaliteit daarvan was goed. Verdachte verkoopt ook wel eens wit en bruin [de rechtbank begrijpt: cocaïne en heroïne] vanuit zijn woning. Omdat getuige [getuige 1] zelf afhankelijk is van drugs heeft hij verdachte weer toegelaten in zijn woning. Daar zou verdachte direct na zijn vrijlating weer naartoe zijn gegaan.8 Gebleken is dat verdachte op 15 mei 2025 al eerder is aangehouden in de woning van getuige [getuige 1] in verband met een ander drugsgerelateerd onderzoek. Op 8 oktober 2025 is verdachte in dat onderzoek ontslagen uit detentie.9

Enkele minuten na de aanhouding van verdachte belde [getuige 2] aan bij de betreffende woning. Hij is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij verslaafd is en heroïne gebruikt. Daarom wilde hij op dit adres bruin [de rechtbank begrijpt: heroïne] kopen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij al meerdere weken bij deze gast op dit adres koopt en dat de kwaliteit van de heroïne prima is. De politie vroeg vervolgens of getuige [getuige 2] van de oudere man of van de minderjarige jongen heroïne wilde kopen. Daarbij werd aangegeven dat de minderjarige jongen is aangehouden. Daarop moest getuige [getuige 2] lachen en knikte hij bevestigend.10 Het telefoonnummer waar getuige [getuige 2] gebruik van maakt is een contact van de onder verdachte inbeslaggenomen witte iPhone. Uit nader onderzoek naar deze telefoon blijkt dat op 21 november 2025 een gesprek is gestart met het telefoonnummer dat door getuige [getuige 2] wordt gebruikt en dat er sindsdien 348 berichten zijn verstuurd.11

De zwarte iPhone die bij de aanhouding van verdachte in diens broekzak werd aangetroffen is naderhand onderzocht.12 Op deze telefoon stonden meerdere fotos van verdachte en een WhatsApp bericht afkomstig van zijn advocaat, gericht aan verdachte. In de chatgeschiedenis van deze telefoon zijn meerdere gesprekken aangetroffen over de handel in harddrugs. Zo vraagt een tegencontact waarvan het telefoonnummer in de politiesystemen gekoppeld is aan een ambtshalve bekende harddrugsgebruiker op 11 december 2025 heb je nog koffie? waarop de gebruiker van de telefoon terugstuurt dat hij allebei heeft en ook bezorgt. Verbalisant [verbalisant] beschrijft dat het vanuit zijn taak als lid van het drugsteam Leeuwarden bekend is dat met koffie heroïne wordt bedoeld en dat in die context met beide doorgaans heroïne en cocaïne wordt bedoeld. Op 7 december 2025 stuurt een tegencontact het volgende bericht hij komt met een tientje moet voor 20 2 donnies. Het is verbalisant [verbalisant] bekend dat cocaïne en heroïne doorgaans voor 10,00 per bolletje wordt verkocht en dat met donnies heroïne wordt bedoeld. Op 8 december 2025 vraagt de gebruiker van de telefoon aan een tegencontact waarvan het telefoonnummer in de politiesystemen gekoppeld is aan de ambtshalve bekende harddrugsgebruiker [getuige 3] kan ik bij jou

koken. Het is verbalisant [verbalisant] bekend dat daarmee wordt gedoeld op pure of uitgekookte cocaïne.13

[getuige 3] is als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat verdachte direct na zijn vrijlating weer bij haar voor de deur stond. Hij wilde bij haar overnachten en zijn cocaïne bij haar uitkoken, hetgeen zij heeft geweigerd.14

De witte iPhone lag op het bureau in de woonkamer waar verdachte werd aangehouden. Ook deze telefoon is nadien onderzocht. Vanaf 14 november 2025 tot en met 11 december 2025 zijn er in totaal 381 uitgaande en binnengekomen gesprekken. Ook werd er een notitie met Goeie morgen actief aangetroffen van 6 december 2025. Het is verbalisant [verbalisant] ambtshalve bekend dat verkopers van harddrugs vaak een SMS-bom versturen om de klantenkring te informeren dat ze weer actief zijn. Daarom wordt in deze SMS-bom vaak gebruik gemaakt van de tekst actief. In de chatgeschiedenis van deze telefoon zijn ook meerdere gesprekken aangetroffen over de handel in harddrugs. Zo schrijft de gebruiker van de telefoon op 3 november 2025 en 11 december 2025 aan tegencontacten dat hij allebei de kleuren of beide heeft. Ook zat de gebruiker van de telefoon in een groepschat met een groot aantal contacten die bij verbalisant [verbalisant] ambtshalve bekend zijn als gebruikers van harddrugs.15 Een groot deel van deze contacten zijn ook aangetroffen op de zwarte iPhone.16

Overwegingen feit 1

De rechtbank stelt vast dat de harddrugs in de nabijheid van verdachte werden aangetroffen tijdens zijn aanhouding. Gelet op de wijze waarop de drugs en de daaraan gerelateerde goederen zijn aangetroffen gaat de rechtbank er vanuit dat de drugs bestemd waren om verhandeld te worden. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Zij hebben immers verklaard dat verdachte vanuit de woning van getuige [getuige 1] handelde in harddrugs. Daarbij heeft getuige [getuige 1] expliciet verklaard dat de aangetroffen drugs van verdachte waren. Anders dan de verdediging gaat de rechtbank er daarom vanuit dat verdachte wist dat de ten laste gelegde hoeveelheden cocaïne en heroïne in de bureaulade lagen en dat deze drugs bestemd voor de handel van hem waren. Daarmee kan dit feit wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank zal verdachte daarbij partieel vrijspreken van medeplegen, omdat wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt.

Overwegingen feit 2

Anders dan de verdediging is de rechtbank voorts van oordeel dat zowel de zwarte als de witte iPhone aan verdachte kunnen worden toegeschreven. De zwarte iPhone zat in de broekzak van verdachte tijdens zijn aanhouding. Uit de daarop aangetroffen fotos en berichten volgt dat hij de gebruiker is van deze telefoon. De witte iPhone lag bij zijn aanhouding binnen handbereik. Daar komt bij dat de gebruiker van deze telefoon contact had met getuige [getuige 2] en dat getuige [getuige 2] nagenoeg op hetzelfde moment bij de woning van getuige [getuige 1] aanbelde om heroïne te kopen van verdachte. Dit tezamen met het feit dat op beide telefoons grotendeels dezelfde telefoonnummers van ambtshalve bekende harddrugsgebruikers zijn aangetroffen maakt dat de rechtbank oordeelt dat verdachte ook de gebruiker was van de witte iPhone.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van de voornoemde telefoons, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld hoe de aangetroffen berichten op de telefoons geïnterpreteerd moeten worden. Anders dan door de verdediging is bepleit leidt de rechtbank uit de inhoud van de chatberichten af dat verdachte in versluierde taal spreekt over de verkoop van harddrugs. Twee tegencontacten de voornoemde getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben bovendien bevestigd dat zij met verdachte contact hebben gehad over harddrugs.

Voor wat betreft de pleegperiode leidt de rechtbank uit de bovenstaande bewijsmiddelen af dat verschillende getuigen hebben bevestigd dat verdachte direct na zijn vrijlating op 8 oktober 2025 in een ander drugsonderzoek, zijn werkzaamheden in het drugscircuit heeft hervat. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de ten gelegde periode harddrugs heeft verkocht. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van medeplegen, omdat wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 11 december 2025 te Leeuwarden opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,64 gram van een materiaal bevattende heroïne en 3,63 gram van een materiaal bevattende cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2

hij in de periode van 8 oktober 2025 tot en met 11 december 2025 te Leeuwarden, telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

  2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot de Gedragsbeïnvloedende Maatregel (hierna: GBM) voor de duur van 12 maanden, te vervangen door 12 maanden jeugddetentie, zoals geadviseerd door de deskundigen alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Tot slot is gevorderd om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen. De officier van justitie heeft er bij haar vordering rekening mee gehouden dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen en verzocht om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen. Ten aanzien van de oplegging van een GBM heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de hierna genoemde rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Ernst van de feiten

Op zestienjarige leeftijd heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van en de handel in harddrugs. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat verdachte direct na zijn vrijlating in een andere drugszaak is doorgegaan met de verkoop van harddrugs vanuit de woning van een harddrugsgebruiker.

Gebruik van harddrugs is schadelijk voor de gezondheid en zeer verslavend. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in harddrugs met zich mee dat er een zwartgeldcircuit ontstaat met alle voor de economie schadelijke gevolgen van dien. Dit alles is de reden dat op de handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld.

Documentatie

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 26 juni 2026 van verdachte. Daaruit blijkt dat hem eerder een deels voorwaardelijke jeugddetentie is opgelegd wegens (onder meer) handel in harddrugs. Voorts houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.).

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 18 maart 2026, opgesteld door E.M. van Engers (GZ-psycholoog). Door de deskundige is geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan zwakbegaafdheid, een ernstige gedragsstoornis, een ontwikkelingsstoornis (ongespecificeerd d.d. ADD) en een stoornis in cannabisgebruik, nu in gedwongen remissie. Vanuit zijn forse oppositie en de wens tot zelfbepaling is verdachte zijn eigen weg gegaan en kwam hij op straat tot een vorm van overlevingsgedrag. Het lacunaire geweten vanuit de gedragsstoornis en het moeizaam kunnen organiseren van zijn gedrag (op legale wijze) hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde. Verdachte legitimeert het gedrag van drugsverkoop door dit goed te praten en er is nauwelijks schuldbesef. Vanwege de beperkingen van verdachte om zijn gedrag in vrijheid te kunnen bepalen is daarom geadviseerd om het ten laste gelegde in verminderde mate aan hem toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met voornoemde inhoud en conclusies van de Pro Justitia rapportage verenigen en is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De deskundige heeft voorts geconcludeerd dat de onderliggende boosheid van verdachte hem tot oppositie en zelfbepaling brengt waardoor het risico blijft bestaan dat hij zijn eigen weg kiest en tot overlevingsdrang komt. Daar staat tegenover dat verdachte gemotiveerd is voor behandeling en begeleiding en weer enige interesse toont in school en werk. Een ambulant kader is echter ontoereikend blijkens twee eerdere negatieve terugmeldingen. Het dient voor verdachte duidelijk te zijn dat er een strak en lik op stuk kader wordt gecreëerd waarbinnen hij zijn motivatie voor begeleiding en behandeling mag tonen. Snelle terugmelding bij het OM en tijdelijke, korte detentie zijn een stok achter de deur en kunnen hem wellicht motiveren tot het voldoen aan voorwaarden, het opnieuw oppakken van de behandeling na evaluatie van een onverhoopte terugval. Daarom wordt geadviseerd om aan verdachte een GBM van één jaar met elektronische controle, controle op telefoongebruik, urinecontroles, deelname aan een poliklinische behandeling, dagbesteding en meewerken aan begeleiding door de jeugdreclassering op te leggen. Een oplegging van ITB-Harde Kern geeft de jeugdreclassering daarbij meer begeleidingsmogelijkheden.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 26 juni 2026, opgesteld door [naam] . Hieruit volgt onder meer dat dat de kans op herhaling van delictgedrag bij gelijkblijvende omstandigheden wordt ingeschat als hoog. Daarbij zijn behandeling, begrenzing en dagbesteding noodzakelijk om de kans op herhaling te verlagen. De Raad is van mening dat een lik op stuk beleid met plaatsing in detentie, middels een time-out van de GBM, passend is bij de problematiek van verdachte. Daarom wordt een GBM met de navolgende programmaonderdelen geadviseerd. Wonen en verblijven bij moeder, meewerken aan diagnostiek en behandeling, zinvolle dag-en vrije tijdsbesteding hebben, netwerk inzage geven, oplegging van de maatregel Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern, een alcohol- en drugsverbod en meewerken aan een locatiegebod middels elektronische monitoring. Voorts is geadviseerd om de GBM op te leggen voor de duur van 12 maanden en wordt de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan noodzakelijk geacht. Deze duur is nodig om tot blijvende verandering te komen en verdachte de ruimte te bieden om te laten zien dat hij met zijn problematiek aan de slag wil gaan. Vanwege het hoge recidive risico en het feit dat hij na zijn eerdere detentie (oktober 2025) snel is teruggevallen in zijn oude patroon is het van belang dat de GBM zo snel mogelijk kan starten. De opheffing van de schorsing en de ingangsdatum van de GBM dienen daarbij direct op elkaar aan te sluiten. Omdat hiermee sprake is van een voldoende vangnet worden aanvullende maatregelen

door de Raad niet noodzakelijk geacht. Tot slot adviseert de Raad om aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen.

Op te leggen maatregel

Op grond van artikel 77w Sr. zijn aan de oplegging van een GBM-maatregel een drietal voorwaarden gesteld, te weten:

  1. De ernst van het begane misdrijf of de veelvuldigheid van de begane misdrijven of voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf geven hiertoe aanleiding.

  2. De maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

  3. De maatregel kan daarnaast alleen maar worden opgelegd indien een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies beschikbaar is van de Raad, dat wordt ondersteund door ten minste één gedragsdeskundige.

Aan de gestelde voorwaarden is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de begane misdrijven en de eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten aanleiding geven tot het opleggen van de GBM. Daarbij komt dat de maatregel, gelet op de adviezen van de Raad en de gedragsdeskundige, in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank zal daarom aan verdachte een GBM opleggen voor de duur van één jaar, te vervangen door maximaal zes maanden jeugddetentie. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de maatregel het programma bevat zoals door de Raad is geadviseerd.

Gelet op de problematiek van verdachte en het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een strafbaar feit zal begaan of zich belastend zal gedragen. De rechtbank zal daarom bevelen dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is en dus direct na de uitspraak ingaat. Het is ook in het belang van verdachte dat het programma op een zo kort mogelijke termijn van start gaat.

Op te leggen straf

Vervolgens is de vraag aan de orde of naast de GBM ook nog een jeugddetentie op zijn plaats is. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van de feiten door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zouden worden. Gelet op de ernst van de feiten, de leeftijd van verdachte en de conclusies en adviezen van de deskundigen dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend acht de rechtbank, alles afwegend, een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 173 dagen opleggen en daarbij bepalen dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

In beslag genomen goederen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdovende middelen te onttrekken aan het verkeer.

De officier van justitie heeft gevorderd de telefoons, de weegschaal, het versnijdingsmiddel en het geld verbeurd te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit het beslag op de twee telefoons en het geld op te heffen, omdat niet bewezen kan worden dat deze voorwerpen zijn gebruikt ten behoeve van de handel in harddrugs.

Het oordeel van de rechtbank

Verdovende middelen

De rechtbank acht de in beslag genomen heroïne met omschrijving 1893676 en cocaïne met omschrijving 1893678 vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Telefoons

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de twee inbeslaggenomen telefoons zijn gebruikt ten behoeve van de handel in harddrugs. De rechtbank acht deze twee dealtelefoons met omschrijving 1893666 en 1893667 daarom vatbaar voor verbeurdverklaring. Met behulp van deze voorwerpen is het misdrijf, te weten het dealen van harddrugs, immers begaan.

Geld

De rechtbank acht het in beslag genomen geldbedrag met omschrijving 1893660 ook vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel is dat het voorwerp uit de baten van een strafbaar feit, te weten de handel in drugs, is verkregen en aan verdachte toebehoort.

Weegschaal en versnijdingsmiddel

De rechtbank acht het in beslag genomen versnijdingsmiddel met omschrijving 1893681 en de weegschaal met omschrijving 1893682 eveneens vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat met behulp van deze voorwerpen het misdrijf, te weten het dealen van harddrugs, is begaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 63, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wb en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 173 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Legt aan veroordeelde op:

Een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 jaar.

Deze maatregel bestaat uit:

  1. wonen en verblijven bij moeder op het adres [adres 1] ;

  2. meewerken aan diagnostiek en behandeling van Accare of een andere soortgelijke instelling;

  3. het hebben van een zinvolle dagbesteding;

  4. het hebben van een zinvolle vrijetijdsbesteding;

  5. het door veroordeelde zicht geven op zijn vriendennetwerk en het doorgeven waar, met wie hij is en wat hij aan het doen is en zich hierop laten controleren;

  6. meewerken aan toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de maatregel Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern);

  7. een alcohol- en drugsverbod en meewerken aan controle hierop door middel van bloed- en urineonderzoek;

  8. elektronische monitoring voor de duur van 12 maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt en houden aan het locatiegebod. Veroordeelde zal zich ter controle van het locatiegebod onder elektronische monitoring stellen van de gecertificeerde instelling te weten Reclassering Nederland te

Groningen, conform bijgaand advies. Het locatiegebod houdt in dat veroordeelde zich gedurende de periode van het toezicht bevindt op: [adres 1] en zich houdt aan de door de Jeugdreclassering te bepalen tijdsblokken voor zijn activiteiten (zoals sport, hobby's, school, werk en behandeling).

Geeft aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen:

- heroïne met omschrijving 1893676 en cocaïne met omschrijving 1893678.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen:

  • twee dealtelefoons met omschrijving 1893666 en 1893667;

  • 255,00 met omschrijving 1893660;

  • weegschaal met omschrijving 1893682;

  • versnijdingsmiddel met omschrijving 1893681.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. G.C. Koelman en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2026.

1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie

Eenheid Noord-Nederland, Criminaliteit Interventiegroep (drugsteam), met het proces-verbaal nummer 2025302576 (genaamd SIERRA, doorgenummerd 1 tot en met 202. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.

2 Paginas 56 en 57.

3 Paginas 129, 130, 132, 133 en 134.

4 Paginas 135, 136 en 137.

5 Paginas 129, 130, 131 en 132.

6 Paginas 138 en 139.

7 Paginas 130 en 131.

8 Paginas 116 en 117.

9 Paginas 48 en 49.

10 Paginas 119 en 120.

11 Paginas 97 en 98.

12 Paginas 56 en 57.

13 Paginas 79 tot en met 82.

14 Pagina 122.

15 Paginas 67 tot en met 70.

16 Paginas 111 en 114.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »