RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/1845
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland
(gemachtigden: W.K de Wind en mr. E.M. Braam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 24 augustus 2020 waarbij haar dochter over de periode van 10 juli 2020 tot en met 21 augustus 2020 in aanmerking is gebracht voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw).
Met het bestreden besluit van 9 maart 2023 op het bezwaar van eiseres is het college hierbij gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Het college heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Daarbij heeft het college medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van een deel van de stukken. Bij beslissing van 22 augustus 2023 heeft (de geheimhoudingskamer van) de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming, met uitzondering van de besluiten van 3 september 2020 en 10 december 2020, gerechtvaardigd is.
Eiseres heeft de rechtbank meegedeeld dat zij geen toestemming geeft om informatie die bij haar niet bekend is bij de beoordeling te betrekken. De rechtbank heeft de betreffende stukken teruggestuurd aan het college.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 10 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. De dochter van eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan de procedure, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
Totstandkoming van het besluit
2. De dochter van eiseres, geboren op [geboortedatum], heeft op 1 juni 2020, na tussenkomst van de politie, haar ouderlijk huis verlaten. Vervolgens heeft zij een periode bij haar vriend in [plaats] verbleven.
3. De dochter van eiseres heeft op 10 juli 2020 een aanvraag op grond van de Jw bij het college ingediend. Op 10 juli 2020 heeft eiseres als gezaghebbende ouder toestemming gegeven voor de plaatsing van haar dochter in een crisisopvang voor jeugdigen in de provincie Groningen voor de periode van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (Raad). Bij brief van 14 juli 2020 heeft eiseres de toestemming voor de hulpverlening en voor de crisisplaatsing van haar dochter bij de crisisopvang ingetrokken.
4. Bij - aan eiseres gericht - besluit van 23 juli 2020 heeft het college de dochter van eiseres op grond van de Jw in aanmerking gebracht voor jeugdhulp crisis verblijf bij [naam Stichting] (vrijwillige crisisplaatsing) en IT Ambulante Spoedhulp, eveneens bij [naam Stichting]. De toegekende voorzieningen gelden voor de periode van 10 juli 2020 tot en met 21 augustus 2020. De voorzieningen zijn toegekend, omdat volgens het college uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen. Ook is gebleken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Het onderzoek is door de casemanager verwerkt in het jeugdplan. Het definitieve jeugdplan zou later (bij het primaire besluit) worden toegezonden.
5. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
6. Het college heeft vervolgens het besluit van 23 juli 2020 ingetrokken en bij besluit van 24 augustus 2020 - nu gericht aan de dochter van eiseres - dezelfde voorzieningen toegekend als in het besluit van 23 juli 2020.
7. Op 29 september 2020 is eiseres gehoord in bezwaar.
8. Bij het besluit van 18 november 2020 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat eiseres geen belanghebbende is bij het besluit om aan haar dochter een voorziening voor jeugdhulp toe te kennen.
9. Namens eiseres is beroep ingesteld.
10. Bij uitspraak van 19 juli 2022 (ECLI:NL:RBNNE:2022:2680) heeft de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard en het besluit van 18 november 2020 vernietigd.
De rechtbank achtte het niet op voorhand onaannemelijk dat eiseres schade heeft geleden door dat besluit, zodat er sprake was van een voldoende concreet procesbelang. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat eiseres geen belanghebbende is. Eiseres is als met het gezag belaste ouder degene die, tot haar dochter 18 jaar is, gerechtigd en verplicht is tot opvoeding en verzorging van haar minderjarige dochter. Vanwege dat recht en die plicht heeft eiseres een eigen belang en is zij wel belanghebbende. De rechtbank gaf partijen mee overleg te overwegen en te kijken of een minnelijke oplossing mogelijk was.
11. Nadat overleg tussen partijen niet tot een minnelijke oplossing heeft geleid, heeft het college in het nu bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. Het college is van mening dat de dochter van eiseres zelf een aanvraag voor verlening van jeugdhulp ten behoeve van zichzelf heeft mogen doen, ook voor jeugdhulp waarbij de verblijfplaats van de jeugdige wijzigt. Het college heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 26 september 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:7581). Desondanks vraagt het college aan de ouders met gezag tot het 18e jaar van de jeugdige in beginsel om toestemming voor deze hulp. Als deze toestemming wordt geweigerd dan wordt volgens het besluit overlegd met de Raad, en bepaalt de Raad of een voorlopige ondertoezichtstelling kan worden aangevraagd met een machtiging tot uithuisplaatsing. Dan wordt er nagegaan of in afwachting van het onderzoek van de Raad en de uitspraak van de rechter de jeugdhulp tijdelijk wordt geboden. Ten aanzien van haar dochter heeft eiseres op 10 juli 2020 schriftelijk toestemming gegeven voor de verplaatsing van het verblijf van haar dochter naar een crisisopvang in de provincie Groningen gedurende de periode van het raadsonderzoek. Dit was volgens het college in overeenstemming met de wens van haar dochter. De voorzieningen zijn toegekend in het vrijwillige kader en eiseres heeft daadwerkelijk gebruik gemaakt van de voorzieningen. Het college volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij de toestemming weer heeft ingetrokken op 14 juli 2020. Eiseres heeft de e-mail waarin zij haar toestemming intrekt gezonden naar het e-mailadres van de casemanager van wie zij wist dat deze niet bereikbaar was tot 10 augustus 2020. Eiseres heeft evenmin andere contactpersonen benaderd en ook de Raad niet op de hoogte gesteld van haar bezwaren, aldus het college. Eerst op 10 augustus 2020 heeft de medewerker kennis genomen van de e-mail van eiseres. Vervolgens is er overleg geweest met de Raad. Na afsluiting van het raadsonderzoek is op 11 september 2020 met ingang van deze datum een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken door de rechtbank. Al met al heeft het college op basis van de toestemming van haar dochter en de toestemming van eiseres in het belang van haar dochter de toegekende jeugdhulp voortgezet. Verder is het college van mening dat het onderzoek dat naar aanleiding van de aanvraag door de dochter is gedaan, is verlopen volgens het stappenplan (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Het college is van mening dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit of een onrechtmatige daad jegens eiseres. Er bestaat dan ook volgens het college geen recht op schadevergoeding.
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt de vraag of het besluit van 24 augustus 2020, waarbij de dochter van eiseres over de periode van 10 juli 2020 tot en met 21 augustus 2021 in aanmerking is gebracht voor jeugdhulp op grond van de Jw, rechtmatig is geweest. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
13. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het besluit onrechtmatig omdat eiseres als gezaghebbende ouder geen toestemming heeft gegeven voor jeugdzorg aan haar dochter?
14. Eiseres heeft aangevoerd dat de toekenning van de jeugdhulp onrechtmatig is, omdat daarvoor haar toestemming was vereist. Deze toestemming ontbrak, omdat eiseres die toestemming had ingetrokken.
De rechtbank is van oordeel dat de toestemming van eiseres geen vereiste was voor het mogen toekennen van jeugdhulp. De dochter van eiseres heeft zelf de aanvraag gedaan en was op dat moment 17 jaar oud. Weliswaar bepaalt artikel 1:234 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat de minderjarige handelingsbekwaam is mits hij de toestemming heeft van de ouders (met ouderlijk gezag), maar daarin staat ook dat dit slechts geldt voor zover de wet niet anders bepaalt. In artikel 7.3.5 van de Jw is bij wet anders bepaald. In dat artikel staat namelijk dat de minderjarige van 16 of 17 jaar bekwaam is tot het verlenen van toestemming voor de verlening van jeugdhulp ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die daarmee onmiddellijk verband houden. De individuele voorziening in de vorm van jeugdhulp met verblijf elders die de dochter van eiseres heeft gekregen, betreft jeugdhulp. Gelet op artikel 7.3.5 van de Jw is naar het oordeel van de rechtbank de toestemming van eiseres daar niet voor vereist.
Dat het hier deels jeugdzorg met verblijf elders betreft, maakt dit niet anders. Hierbij merkt de rechtbank op dat uit artikel 1:247 van het BW weliswaar volgt dat de gezaghebbende ouder het recht heeft om te bepalen waar het kind woont, maar artikel 7.3.5 van de Jw is van latere datum dan artikel 1:247 van het BW, zodat artikel 7.3.5 voorgaat (lex posterior). In dit verband acht de rechtbank ook nog van belang dat de jeugdhulp in de vorm van verblijf elders wordt toegekend als recht voor de dochter van eiseres. Met de toekenning van deze jeugdhulp is dus niet de verplichting voor de dochter van eiseres gecreëerd om van die hulp gebruik te maken en in die zin doet het jeugdhulpbesluit (strikt juridisch gezien), ook niet af aan het recht van eiseres om te bepalen waar haar dochter woont.
Aan het gegeven dat de toestemming van de ouders niet vereist is doet niet af dat het college er terecht wel de voorkeur aan geeft dat de gezaghebbende ouder toestemming verleent in het belang van het kind en het borgen van de continuïteit van de ingezette jeugdhulp.
Heeft het college onvoldoende onderbouwd hoe het is gekomen tot de aan de dochter van eiseres toegekende voorziening?
15. Eiseres heeft aangevoerd dat het college de toekenning van de voorziening niet deugdelijk heeft onderbouwd. Het college diende volgens haar een stappenplan te volgen en heeft dat niet juist gedaan. Daarbij is van belang dat er alternatieven waren voor het elders plaatsen dan thuis, te weten bij familie, zoals eiseres heeft aangeboden. Het college heeft onvoldoende gewogen hoe eiseres er als ouder tegenaan keek.
In verweer heeft het college het standpunt ingenomen dat de informatie waarover de rechtbank beschikt niet compleet is en dat de rechtbank met de informatie waarover zij wel beschikt niet kan beoordelen of het bestreden besluit juist is.
De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft geweigerd toestemming te verlenen voor kennisname door de rechtbank van bepaalde stukken als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarmee is de rechtbank beperkt in haar mogelijkheden om te beoordelen of het college tot de aan de dochter van eiseres toegekende jeugdhulp heeft kunnen komen.
De informatie waar de rechtbank wel kennis van heeft kunnen nemen is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de toekenning van de jeugdhulp niet deugdelijk is onderbouwd. Uit met name het integraal veiligheidsplan van 14 juli 2020 en het jeugdplan van 13 augustus 2020 blijkt dat er zorgen waren over de dochter van eiseres en dat er noodzaak bestond crisisopvang voor haar te regelen in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek. Ten tijde van de melding bij Veilig Thuis Groningen heeft de dochter van eiseres aangegeven dat zij niet naar huis wilde, dat zij het liefst eerst bij haar vriend wilde verblijven en dat zij vervolgens naar een neutrale woonplek wilde gaan. In het jeugdplan staat vermeld dat de dochter van eiseres hulp nodig heeft bij het vinden van een veilige en neutrale plek om te wonen en dat er zorgen zijn over de thuissituatie en over de relatie van de dochter met eiseres en haar stiefvader. Blijkens het jeugdplan is het onderzoek dat is gedaan verlopen volgens het stappenplan.1 In het integraal veiligheidsplan staat vermeld dat de hulp die de dochter van eiseres diende te krijgen, gericht zou zijn op een veilige verblijfplaats en contactherstel met eiseres. De rechtbank neemt op basis van het veiligheids- en het jeugdplan aan dat het college heeft gehandeld overeenkomstig de wens van de dochter van eiseres en de noodzaak om voor haar een veilige omgeving te realiseren door haar in aanmerking te brengen voor jeugdhulp crisis verblijf en IT Ambulante Spoedhulp. Daarbij komt verder dat de aan de dochter toegekende voorziening beperkt was in tijd, hangende het lopende onderzoek bij de Raad, en dat het onderzoek uiteindelijk heeft geleid tot een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing.
Had eiseres opnieuw moeten worden gehoord in bezwaar?
16. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat zij opnieuw gehoord had moeten worden in bezwaar. Het college diende immers uitvoering te geven aan de uitspraak van deze rechtbank van 22 juli 2022 en inhoudelijk naar de door eiseres aangevoerde bezwaren te kijken.
Eiseres is voorafgaand aan het vernietigde besluit op bezwaar van 18 november 2020 gehoord. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 valt uit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet een algemene verplichting af te leiden tot het opnieuw horen van belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar ter voldoening aan een uitspraak waarbij het eerdere besluit op het bezwaar is vernietigd. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar te horen. Op grond van artikel 7:9 van de Awb kan een plicht om een belanghebbende opnieuw te horen wel ontstaan als het bestuursorgaan zich bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar baseert op feiten en omstandigheden die na het eerste horen naar aanleiding van het bezwaar bekend zijn geworden en die voor het te nemen besluit van aanmerkelijk belang kunnen zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval geen sprake van. Daar komt bij dat naar aanleiding van de uitspraak van 22 juli 2022 meermalen contact is geweest tussen het college en eiseres in het kader van het beproeven van een minnelijke schikking en dat eiseres ook nog een zienswijze heeft ingediend.
Heeft eiseres recht op schadevergoeding?
17. Gezien al het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om schadevergoeding daarom af.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor toekenning van een schadevergoeding of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzitter, en mr. J.L Boxum en mr. C.S. Schür, leden, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2024.
|
griffier |
voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.