ECLI:NL:RBNNE:2022:2680

Datum uitspraak
19-07-2022
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
20/3843
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bezwaar moeder tegen aan dochter gericht besluit niet-ontvankelijk verklaard, want geen belanghebbende. Gegrond. Moeder blijft ondanks 7.3.5 JW met gezag belaste ouder tot 18de verjaardag van dochter. Eigen belang en dus belanghebbende.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/3843

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2022 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N.B. Swart),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland (verweerder)

(gemachtigden: Y. Rosien en T.W. Loffers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiseres tegen het aan haar dochter ([naam dochter]) gerichte besluit van 24 augustus 2020, waarbij [naam dochter] over de periode van 10 juli 2020 tot en met 21 augustus 2020 in aanmerking is gebracht voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw).

1.1.

Met het bestreden besluit van 18 november 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen belanghebbende is bij het aan [naam dochter] gerichte besluit.

1.2.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft [naam dochter] gevraagd of zij als partij aan de beroepsprocedure wil deelnemen. Omdat [naam dochter] niet heeft gereageerd, heeft de rechtbank haar niet als partij in deze beroepsprocedure aangemerkt.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2. [naam dochter], geboren op [geboortedatum], heeft op 1 juni 2020, na tussenkomst van de politie, haar ouderlijk huis verlaten. Na een periode bij haar vriend in [plaats] te hebben verbleven, is [naam dochter] op 10 juli 2020 naar een crisisopvang in Groningen gegaan ([naam Stichting]). [naam dochter] heeft op 20 juli 2020 een aanvraag op grond van de Jw bij verweerder ingediend.

2.1.

Bij - aan eiseres geadresseerd - besluit van 23 juli 2020 heeft verweerder [naam dochter] op grond van de Jw in aanmerking gebracht voor Jeugdhulp crisis verblijf en IT Ambulante Spoedhulp in de vorm van zorg in natura. De toegekende voorziening gold voor de periode van 10 juli 2020 tot en met 21 augustus 2020. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.2.

Bij brief van 24 augustus 2020 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat hij het besluit van 23 juli 2020 heeft ingetrokken, omdat dat besluit volgens verweerder aan [naam dochter] geadresseerd had moeten worden.

2.3.

Bij - aan [naam dochter] geadresseerd - besluit van 24 augustus 2020 heeft verweerder [naam dochter] op grond van de Jw in aanmerking gebracht voor Jeugdhulp crisis verblijf en IT Ambulante Spoedhulp in de vorm van zorg in natura. De toegekende voorziening gold voor de periode van 10 juli 2020 tot en met 21 augustus 2020. Verweerder heeft dit besluit in afschrift ook aan eiseres gezonden, zonder motivatie.

2.4.

Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 juli 2020, heeft verweerder aangemerkt als bezwaar tegen de nieuwe beschikking van 24 augustus 2020. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen belanghebbende is bij het besluit om aan [naam dochter] een voorziening voor Jeugdhulp toe te kennen.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader

3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesbelang

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat sprake moet zijn van een voldoende concreet procesbelang. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is hiervan slechts sprake als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.1 De rechtbank overweegt in dit verband dat de periode waarover jeugdhulp aan [naam dochter] is toegekend inmiddels is verstreken, dat [naam dochter] in die periode ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de aan haar toegekende jeugdhulp en dat [naam dochter] inmiddels 18 jaar oud is.

4.2.

Op de zitting heeft eiseres verklaard dat zij vastgesteld wil hebben dat het besluit van 24 augustus 2020 een onrechtmatig besluit is, zodat zij een schadevergoedingsprocedure kan starten om haar immateriële schade vergoed te krijgen. Eiseres heeft in dit verband toegelicht dat [naam dochter] inmiddels weer thuis woont, maar dat het gezin veel ellende heeft meegemaakt, wat impact heeft gehad op het welbevinden van eiseres en de stiefvader van [naam dochter].

Eiseres heeft verder aangegeven dat zij nog stukken van verweerder wil hebben die hij tot nu toe niet heeft willen verstrekken. Die stukken heeft zij nodig om te kunnen bepalen of ook sprake is van financiële schade voor de schadevergoedingsprocedure.

4.3.

De rechtbank acht op grond van hetgeen eiseres op de zitting heeft verklaard niet op voorhand onaannemelijk dat eiseres schade heeft geleden. De rechtbank gaat daarom uit van een voldoende concreet procesbelang van eiseres bij een beoordeling van het bestreden besluit.

Het bestreden besluit

5. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres gericht tegen het aan [naam dochter] gerichte besluit van 24 augustus 2020. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte niet als direct belanghebbende bij het aan [naam dochter] gerichte besluit van 24 augustus 2020 heeft aangemerkt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat [naam dochter] 17 jaar oud is en dus op grond van artikel 7.3.5 van de Jw zelf bekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen die verband houden met de aanvraag. Eiseres is van mening dat zij, ondanks het bepaalde in artikel 7.3.5 van de Jw, als wettelijk vertegenwoordiger belanghebbende is bij het aan [naam dochter] gerichte besluit.

5.3.

De rechtbank volgt eiseres hierin. De rechtbank is van oordeel dat eiseres als met het gezag belaste ouder degene is die tot [naam dochter] 18jaar is gerechtigd en verplicht is tot opvoeding en verzorging van haar minderjarige dochter (zie de artikelen 1:245 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek). Vanwege dat recht en die plicht heeft zij een eigen belang en is zij dus belanghebbende. Dat [naam dochter] op grond van artikel 7.3.5 van de Jw zelf bekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen die verband houden met de aanvraag, doet daar niet aan af.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Dat heeft tot gevolg dat verweerder het bezwaar van eiseres alsnog inhoudelijk moet behandelen.

6.1.

De rechtbank wil partijen meegeven dat eiseres met een inhoudelijke behandeling van haar bezwaar op dit moment niet meer kan bereiken dat de aangevraagde Jeugdhulp niet aan [naam dochter] wordt toegekend. De aangevraagde Jeugdhulp is immers al aan [naam dochter] geboden en [naam dochter] woont inmiddels weer thuis. Eiseres heeft echter aangegeven dat haar belang ligt in het krijgen van een schadevergoeding. Zij wil verder nog stukken ontvangen van verweerder. De rechtbank geeft partijen in overweging om daarover met elkaar in overleg te treden om te kijken of een minnelijke oplossing mogelijk is.

6.2.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.518,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De rechtbank merkt op dat de kosten van bezwaar die eiseres vergoed wenst te zien in het overleg in bezwaar nog aan de orde gesteld kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 18 november 2020;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 48,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzitter, en mr. S.A. Wortmann en mr. E. Hardenberg, leden, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2022.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 7.3.5 van de JW luidt:

1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is bekwaam tot het verlenen van toestemming voor de verlening van jeugdhulp ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die daarmee onmiddellijk verband houden.

2. De minderjarige is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van zijn ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

3. In op die verlening van jeugdhulp betrekking hebbende aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en buiten rechte op te treden.

1. Een minderjarige is, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.

2. De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel.

3. De toestemming wordt aan de minderjarige verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten.

1. Minderjarigen staan onder gezag.

2. Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij.

3. Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend.

4. Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.

5. Het gezag van de ouder die dit krachtens artikel 253sa of krachtens een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 253t samen met een ander dan een ouder uitoefent, wordt aangemerkt als ouderlijk gezag dat door ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend, tenzij uit een wettelijke bepaling het tegendeel voortvloeit.

1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.

2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.

3. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

4. Een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of na het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.

5. Ouders kunnen ter uitvoering van het vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »