ECLI:NL:RBNHO:2026:13705

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
K/4102/12337514
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen. Niet is komen vast te staan dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat de arbeidsovereenkomst als gevolg daarvan na twee jaar ziekte is geeindigd. Het verzoek tot uitbetaling van overuren wordt afgewezen wegens schending van de zorgplicht. Het verzoek tot betaling van een aanvullende transitievergoeding wordt afgewezen, omdat de bonus en overwerkvergoeding terecht niet in de berekening zijn meegenomen. De werkgever wordt wel veroordeeld tot uitbetaling van (een deel van de) openstaande wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Het beroep op de vervaltermijn slaagt niet, omdat werkgever niet aan de zorg- en informatieplicht heeft voldaan.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer / rekestnummer: 12337514 \ AO VERZ 26-102

Beschikking van 9 oktober 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

te [plaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. O.J. Praamstra,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TOP CARGO B.V.,

te Rotterdam,

verwerende partij,

hierna te noemen: Top Cargo,

gemachtigde: mr. H.L.A. Ko en mr. C. Özcan.

De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, althans schadevergoeding nadat de werkgever de arbeidsovereenkomst met toestemming van UWV heeft opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter wijst het verzoekt af, omdat niet is gebleken dat de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever is geeindigd. De verzoeken tot betaling van loon over overuren, loon tijdens ziekte en een (aanvulling op de betaalde) transitievergoeding en een advocaatkostenvergoeding worden eveneens afgewezen. Het verzoek tot uitbetaling van openstaande verlofdagen wordt (deels) toegewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties

- het verweerschrift met producties

- aanvullende stukken van [verzoeker] van 25 augustus 2026

- de brief van Top Cargo van 25 augustus 2026 met bezwaar tegen de aanvullende stukken

- aanvullende stukken van Top Cargo van 25 augustus 2026

- de brief van [verzoeker] van 26 augustus 2026 met een reactie op eerder genoemd bezwaar van Top Cargo

- de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ter gelegenheid waarvan partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.

1.2.

Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden voor minnelijk overleg.

1.3.

Partijen hebben op 18 september 2026 laten weten dat geen schikking is bereikt. Daarna is de beschikking bepaald op vandaag.

2 Feiten

2.1.

Top Cargo is een internationaal logistiek dienstverlener en expediteur, gespecialiseerd in luchtvracht van Europa naar China. Cargo & Express Holding B.V. (hierna: Cargo Holding) is bestuurder en grootaandeelhouder van Top Cargo. De aandelen van Cargo Holding worden gehouden door de heren [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ).

2.2.

[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1979, is op 1 januari 2019 voor onbepaalde tijd bij Top Cargo in dienst getreden in de functie van Business Development Manager. Het laatstverdiende loon bedroeg € 5.000,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.3.

In de periode van december 2020 tot januari 2022 heeft Top Cargo in totaal meer dan € 65.000,- exclusief btw aan gefactureerde managementfee’s betaald aan de eenmanszaak van [verzoeker] .

2.4.

In oktober, november en december 2022 heeft Top Cargo in totaal € 50.000,- bruto aan bonussen betaald aan [verzoeker] .

2.5.

Eind februari 2023 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. Hij is sindsdien arbeidsongeschikt gebleven.

2.6.

Bij brief van 10 oktober 2024 heeft [verzoeker] zich jegens Top Cargo onder meer op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op loon over gewerkte overuren en heeft hij zich het recht voorbehouden om de vordering in rechte in te stellen.

2.7.

Op 27 november 2024 heeft de bedrijfsarts in het UWV-formulier ‘Medische informatie’ ingevuld dat sprake is van een ‘ernstig conflict, waardoor meneer getraumatiseerd is geraakt, slepende mediation en psychische trauma behandeling’.

2.8.

Op 24 februari 2025 heeft UWV een loonsanctie opgelegd aan Top Cargo. Na verkorting van de sanctie, is met ingang van 22 oktober 2025 een WGA-uitkering aan [verzoeker] toegekend.

2.9.

Op 13 april 2026 heeft UWV toestemming aan Top Cargo gegeven om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

2.10.

Op 28 april 2026 heeft Top Cargo de arbeidsovereenkomst opgezegd, waarna de deze per 31 mei 2026 is geëindigd.

2.11.

Eind juni 2026 heeft Top Cargo een eindafrekening opgesteld waarbij aan [verzoeker] vakantiebijslag, openstaande verlofdagen en een transitievergoeding zijn uitbetaald.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter – na eisvermindering1 - om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Top Cargo te veroordelen tot betaling van:(i) een transitievergoeding van € 21.221,16 bruto,

(ii) een billijke vergoeding dan wel schadevergoeding van € 180.000,- bruto en € 15.000,- netto,

(iii) loon over overuren ten bedrage van € 69.448,94 bruto,

(iv) loon tijdens ziekte ten bedrage van € 39.812,04 bruto,

(v) een vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen ten bedrage van € 64.237,38 bruto,

te vermeerderen met de wettelijke rente over alle voornoemde bedragen en met de wettelijke verhoging over de onder (iii), (iv) en (v) genoemde bedragen,(vi) gemaakte advocaatkosten van € 12.940,38

(vii) proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2.

[verzoeker] legt (samengevat) het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. De billijke vergoeding is verschuldigd, omdat [verzoeker] door ernstig verwijtbaar handelen van Top Cargo psychische problemen heeft ontwikkeld, die hebben geleid tot de nog steeds voortdurende arbeidsongeschiktheid. De transitievergoeding is verschuldigd omdat de arbeidsovereenkomst door Top Cargo is beëindigd. Bij de berekening van de transitievergoeding moet rekening worden gehouden met de gemiddelde bonus en een (nog na te betalen) overwerkvergoeding. [verzoeker] heeft structureel overgewerkt en heeft op grond van zijn arbeidsovereenkomst recht op uitbetaling daarvan. De overwerkvergoeding werkt ook door in de hoogte van het (na te betalen) ziekteloon en de hoogte van de uit te betalen openstaande verlofdagen. Tot slot moet Top Cargo de advocaatkosten betalen die [verzoeker] heeft moeten maken om zich te laten adviseren over zijn verhouding met Top Cargo en het oplossen van het arbeidsconflict.

3.3.

Top Cargo voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Top Cargo voert ‑ samengevat – het volgende aan. Er is geen billijke vergoeding verschuldigd, omdat Top Cargo niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en omdat er geen causaal verband is tussen zijn arbeidsongeschiktheid en de werkomstandigheden bij Top Cargo. De verschuldigde transitievergoeding is al betaald. Bij bepaling van de hoogte daarvan moeten de bonus en een overwerkvergoeding buiten beschouwing worden gelaten. [verzoeker] heeft geen recht op overwerkvergoeding wegens schending van de klachtplicht, omdat er geen recht bestaat op uitbetaling van overwerk en omdat het door [verzoeker] gestelde aantal overuren onjuist en niet onderbouwd is. Doordat geen overurenvergoeding verschuldigd is, ontbreekt ook de grond voor de daarop gebaseerde vorderingen. Voor de gevorderde verlofdagen geldt dat een deel daarvan al is uitbetaald en het andere deel is komen te vervallen. De gevorderde advocaatkosten zijn niet verschuldigd, omdat een onderbouwing ontbreekt en geen sprake is van slecht werkgeverschap of misbruik van recht.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of Top Cargo aan [verzoeker] een transitievergoeding, loon over overuren, loon tijdens ziekte, openstaande verlofdagen en een vergoeding voor advocaatkosten moet (na)betalen.

Aanvullende producties

4.2.

Bij brief van 25 augustus 2026 heeft [verzoeker] een reactie op het verweerschrift van Top Cargo gegeven. Top Cargo heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoud van deze brief, omdat het een niet-toelaatbare aanvulling/verbetering van het verzoekschrift dan wel een verkapte repliek zou zijn. De kantonrechter heeft het bezwaar van Top Cargo ter zitting gepasseerd en beslist dat de brief wordt toegelaten. Top Cargo heeft voldoende gelegenheid gehad om de inhoud van de brief tot zich te nemen en daarop verweer te voeren. Zij is daarom niet in haar procesbelangen geschaad, noch is sprake van strijd met de goede procesorde.

Geen billijke vergoeding

4.3.

[verzoeker] verzoekt om een billijke vergoeding en een immateriële schadevergoeding omdat hij door ernstig verwijtbaar handelen van Top Cargo psychische problemen heeft ontwikkeld, die hebben geleid tot voortdurende arbeidsongeschiktheid en tot de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. Het ernstig verwijtbaar handelen bestaat er volgens [verzoeker] uit dat Top Cargo (samengevat): (i) [verzoeker] veel te lang heeft laten werken en geen werktijdenregistratie bijhield, (ii) toeliet dat [betrokkene 1] zich in strijd met elementaire fatsoensnormen gedroeg en geweld gebruikte en (iii) boetes/schadevergoeding aan [verzoeker] oplegde.

4.4.

Top Cargo weerspreekt dat zij een billijke vergoeding verschuldigd is. Top Cargo betwist dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het door [verzoeker] gestelde handelen. Bovendien ontbreekt volgens Top Cargo het causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] en de door hem gestelde werkomstandigheden.

4.5.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid (Wwz) blijkt dat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op grond waarvan de werknemer aanspraak kan maken op een billijke vergoeding een hoge drempel geldt. Daarvoor is alleen aanleiding in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werkgever als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. De parlementaire geschiedenis noemt onder andere als voorbeeld de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk daardoor wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden. De billijke vergoeding kan dus (alleen) worden toegekend als de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Werkomstandigheden

4.6.

Ten aanzien van het lange werken (ad i) heeft Top Cargo erop gewezen dat [verzoeker] veel vrijheid genoot in de uitoefening van zijn functie, dat hij als lid van het managementteam zelf bepaalde hoe, wanneer en waar hij zijn werkzaamheden uitvoerde en dat het hem vrijstond om gewerkte uren op andere momenten te compenseren door bijvoorbeeld later op de dag te beginnen. Verder heeft Top Cargo (onderbouwd met verklaringen van twee (oud-)collega’s van [verzoeker] ) aangevoerd dat [verzoeker] vaak tot laat in de avond werkte omdat hij zich onder werktijd ook veel bezig hield met zaken voor zijn vrouw. Uit hetgeen partijen over het werk van [verzoeker] naar voren hebben gebracht komt voor de kantonrechter een beeld naar voren dat juist is dat [verzoeker] , als lid van het management team, langdurig hard heeft gewerkt en bij gelegenheid lange dagen heeft gemaakt, waartegenover hij echter ook de vrijheid genoot om op andere momenten het rustiger aan te doen en later kon beginnen. Hoewel [verzoeker] heeft ontkend dat hij deze vrijheid genoot, heeft Top Cargo die vrijheid met de door haar overgelegde verklaringen voldoende onderbouwd. Op basis daarvan is aannemelijk dat [verzoeker] zijn arbeidstijd naar eigen inzicht indeelde en hij onder werktijd ook geregeld bezig was met andere zaken (het helpen van zijn partner die in dezelfde branche werkte). Top Cargo heeft er voorts naar het oordeel van de kantonrechter terecht op gewezen dat de door [verzoeker] gesignaleerde hectiek in het werk inherent is aan de branche waarin ze actief is, waarin moet worden gewerkt met verschillende tijdzones. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] zijn stelling dat Top Cargo hem structureel te lang liet werken onvoldoende heeft onderbouwd. Van ernstig verwijtbaar handelen van Top Cargo op dit punt is niet gebleken.

4.7.

Over het ontbreken van een arbeidstijdenregistratie (ad i) volgt de kantonrechter Top Cargo niet dat op grond van de Arbeidstijdenrichtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (hierna: Arbeidstijdenrichtlijn) geen registratieplicht op haar rust. De registratieplicht uit de Arbeidstijdenrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd in artikel 2.1:1 van het Arbeidstijdenbesluit. Voornoemd artikel bepaalt dat er geen registratieplicht geldt voor werknemers die een loon van minimaal drie keer het minimumloon ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] niet tot deze categorie behoort. Daarom geldt op grond van het Arbeidstijdenbesluit wel een registratieplicht voor [verzoeker] . Of [verzoeker] al dan niet autonome beslissingsbevoegdheid in de zin van artikel 17 van de Arbeidstijdenrichtlijn heeft, doet aan de verplichting op grond van artikel 2.1:1 Arbeidstijdenbesluit niet af.

4.8.

Voor wat betreft de schending van elementaire fatsoensnormen en het gebruik van geweld (ad ii) heeft [verzoeker] verwezen naar WeChat-berichten van [betrokkene 1] en gesteld dat door [betrokkene 1] lijfstraffen (stokslagen) werden uitgedeeld. Top Cargo heeft gemotiveerd aangevoerd dat de betreffende WeChat-berichten in de context van de vriendschappelijke band tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] moeten worden bezien en heeft gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van fysiek geweld. De kantonrechter is met [verzoeker] eens dat het taalgebruik in de door hem overgelegde berichten van [betrokkene 1] de grenzen van het fatsoen te buiten gaat en volstrekt ongepast is in een werkrelatie. Niet is echter gebleken dat deze wijze van communiceren veel voorkwam en/of structureel was. De berichten zijn van drie verschillende data, verspreid over meerdere jaren. [verzoeker] heeft naar aanleiding van vragen van de kantonrechter daarover niet concreet gesteld en aannemelijk gemaakt dat dit gedrag van [betrokkene 1] veel voorkwam en/of structureel was. Het bewijsaanbod dat [verzoeker] op dit punt ter zitting heeft gedaan, wordt als te laat en onvoldoende concreet gepasseerd. De berichten moeten bovendien worden bezien tegen de achtergrond van de verder goede vriendschappelijke relatie met [verzoeker] . Ter zitting heeft [verzoeker] op een vraag van de kantonrechter immers nog verklaard dat zijn relatie met [betrokkene 1] tot aan zijn ziekmelding goed was, enkele dipjes daargelaten.

4.9.

De kantonrechter stelt voorts vast dat uit de door [verzoeker] verstrekte informatie en de onderbouwing daarvan, gelet op het gemotiveerde verweer van Top Cargo niet blijkt dat tegen hem of andere werknemers geweld is gebruikt. Over zijn eigen gestelde mishandeling heeft hij niet concreet verklaard. Top Cargo heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] , voor zover hij is gezien met een stok in zijn hand, veelvuldig een (in Azië veel gebruikte) massagestick bij zich droeg om zijn rug te masseren en dat daarmee nimmer geweld tegen anderen is gepleegd. Uit de door [verzoeker] ingebrachte verklaring van zijn partner blijkt van een incident (een schop in de rug) buiten werktijd. Hoewel vraagtekens kunnen worden gesteld bij de wenselijkheid van de door Top Cargo tot haar verweer aangevoerd ‘robbertjes vechten onder vrienden’ kan een dergelijk (eenmalig) incident in privé-omstandigheden niet worden beschouwd als mishandeling op het werk. Over het incident met [betrokkene 2] heeft [betrokkene 2] – eveneens goed bevriend met [betrokkene 1] - verklaard dat hij de blessure aan zijn enkel heeft opgelopen door een uit de hand gelopen dolletje met [betrokkene 1] en niet door stokslagen. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 2] nog bij Top Cargo in dienst is, is onvoldoende om aan de verklaring geen waarde toe te kennen. In het licht van het gemotiveerde en onderbouwde verweer van Top Cargo heeft [verzoeker] zijn aantijgingen over verbaal en fysiek geweld onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.

4.10.

Vaststaat dat Top Cargo tijdens het dienstverband twee keer een boete/schadevergoeding op het salaris van [verzoeker] heeft ingehouden (ad iii). Top Cargo heeft toegelicht dat zij er aanvankelijk niet mee bekend was dat dit op grond van het Nederlandse arbeidsrecht ontoelaatbaar is en dat zij de bedragen inmiddels (bij de eindafrekening) aan [verzoeker] heeft terugbetaald.

Geen causaal verband

4.11.

Top Cargo wordt gevolgd in het standpunt dat niet is gebleken dat [verzoeker] langdurig arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van de arbeidsomstandigheden waaronder hij heeft gewerkt, althans onvoldoende zorg. Zoals hiervoor is overwogen is veel van hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd over zijn arbeidsomstandigheden en de behandeling die hem ten deel is gevallen niet komen vast te staan. Voor zover is vastgesteld dat Top Cargo ten onrechte geen arbeidstijdenregistratie heeft bijgehouden, er incidenteel sprake is geweest van onbetamelijk WeChatberichten en eerder ten onrechte boetes/schadevergoeding zijn, kan op basis daarvan niet geoordeeld worden dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Top Cargo. Bovendien heeft [verzoeker] , tegenover de betwisting van het causaal verband door Top Cargo, onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is geworden.

4.12.

Daarbij is allereerst van belang dat uit de stellingen van partijen over en weer is gebleken dat tegenover of naast de tekortkomingen aan de zijde van Top Cargo ook veel hartelijkheid en hulp stond. Zo was sprake van vriendschap tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] , ontving [verzoeker] dure cadeaus, werd [verzoeker] getrakteerd op luxe uitjes en heeft hij tegen een gunstige prijs (gebaseerd op de kostprijs, niet de marktwaarde) via/van Top Cargo zijn huis gekocht. [verzoeker] heeft er terecht op gewezen dat hij met deze gebaren in bepaalde mate afhankelijk werd gemaakt, maar naar het oordeel van de kantonrechter kan er niet aan voorbijgegaan worden dat [verzoeker] daarvan ook baat heeft gehad. Tegenover enkele nare ervaringen stond, zo is gebleken, ook veel hartelijkheid en hulp van Top Cargo.

4.13.

Ter onderbouwing van het door hem gestelde causaal verband tussen zijn arbeidsomstandigheden en zijn voortdurende arbeidsongeschiktheid heeft [verzoeker] gewezen op een bericht van zijn psycholoog aan zijn huisarts, een advies van de bedrijfsarts en een formulier van de bedrijfsarts ten behoeve van het UWV.Top Cargo heeft het causaal verband gemotiveerd betwist en heeft gewezen op de uit de medische informatie blijkende jeugdtrauma’s van [verzoeker] , die mede ten grondslag liggen aan zijn huidige problemen.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] met de verwijzing naar de door hem ingebrachte documenten het causaal verband tussen zijn werkomstandigheden en zijn arbeidsongeschiktheid niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat een bedrijfsarts in zijn rapporten en documenten pleegt te vermelden wat de werknemer verklaart en niet is gebleken dat het een medische diagnose betreft. Datzelfde geldt voor de overgelegde informatie van de psycholoog, die heeft genoteerd dat de klachten volgens [verzoeker] het gevolg zijn van een steeds verder verslechterende arbeidssituatie. In de overgelegde informatie van de psycholoog is voorts slechts vermeld dat het therapeutisch proces en het herstel van [verzoeker] door werkgerelateerde zaken worden belemmerd, hetgeen evenmin is te lezen als de constatering dat deze ten grondslag liggen aan zijn problematiek. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat Top Cargo er terecht op heeft gewezen dat er meer problemen ten grondslag liggen aan zijn huidige arbeidsongeschiktheid. Bij deze stand van zaken ziet de kantonrechter geen aanleiding tot benoeming van een deskundige, zoals [verzoeker] op de zitting heeft gevraagd.

4.14.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Top Cargo is opgezegd.

Geen schadevergoeding

4.15.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt tevens dat niet kan worden geoordeeld dat Top Cargo zodanig tekort is geschoten in haar zorgplicht2 of heeft gehandeld in strijd met het goed werkgeverschap3 dat [verzoeker] daardoor langdurig arbeidsongeschikt/getraumatiseerd is geraakt. Hetgeen hiervoor over de arbeidsomstandigheden en de tekortkomingen van Top Cargo is vastgesteld is niet van dien aard dat als gevolg daarvan schade bij [verzoeker] is te verwachten. [verzoeker] heeft ook niet gesteld dat hij tegenover Top Cargo op enig moment heeft aangegeven dat hij de werkdruk als (te) belastend ervaarde of hinder ondervond van de wijze waarop Top Cargo hem behandelde/bejegende. Daardoor is niet voldaan aan het kenbaarheidsvereiste waaraan moet zijn voldaan om aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW te kunnen aannemen.4 Ook is het causaal verband tussen de vastgestelde gebeurtenissen/tekortkomingen en de gestelde materiële en immateriële schade niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Overwerk

4.16.

[verzoeker] vordert betaling van overuren. Hij stelt dat hij extreem lange werkdagen maakte waardoor hij in totaal gemiddeld 231,7 uren per maand werkte, terwijl hij slechts voor 40 uur per week uitbetaald kreeg. [verzoeker] stelt dat hij op grond van zijn arbeidsovereenkomst recht heeft op uitbetaling van al deze overuren in de periode van 2019 tot en met 2022, hetgeen volgens hem neerkomt op een bedrag van € 64.304,57 aan achterstallig loon exclusief emolumenten.

De klachtplicht is geschonden

4.17.

Het meest verstrekkende verweer van Top Cargo tegen deze vordering is dat [verzoeker] de klachtplicht zoals neergelegd in artikel 6:89 BW heeft geschonden, doordat hij niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd. Volgens [verzoeker] is de klachtplicht niet van toepassing, omdat in dit geval geen sprake van een gebrekkige prestatie maar van een niet-presteren.

4.18.

De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 6:89 BW schrijft voor dat een schuldeiser die een gebrekkige prestatie ontvangt binnen bekwame tijd daarover dient te klagen bij de schuldenaar op straffe van verval van alle bevoegdheden. Het doel van de klachtplicht is de schuldenaar te beschermen tegen te late, en daardoor moeilijk te betwisten klachten. De schuldenaar mag erop rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dat met spoed aan de schuldenaar mededeelt. Voor toepassing van de klachtplicht is vereist dat sprake is van een gebrek in de prestatie. Als de schuldenaar in het geheel niet heeft gepresteerd, is de klachtplicht niet aan de orde. In het arrest van 20 september 20245 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het niet volledig betalen van loon of een overwerkvergoeding niet naar zijn aard het ‘in het geheel niet verrichten van een prestatie’ is. Of in een concreet geval gedeeltelijk is gepresteerd of in het geheel niet, hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.19.

Met inachtneming van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat Top Cargo in de onderhavige zaak terecht een beroep heeft gedaan op schending van de klachtplicht. Daarvoor is allereerst van belang dat Top Cargo aan de hand van een SV-bericht en loonstroken heeft aangetoond dat in een aantal maanden in 2022 wel een overwerkvergoeding aan [verzoeker] is uitbetaald, zodat geen sprake is van een in het geheel niet presteren. Het standpunt van [verzoeker] dat de vergoedingen destijds om andere redenen zijn uitbetaald is door Top Cargo weersproken en wordt – als onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd – gepasseerd. Daarvoor is tevens van belang dat in de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] is vermeld dat overwerk wordt uitbetaald, zodat het geacht kan worden bekend te zijn met deze aanspraak. [verzoeker] kon bovendien op zijn loonstroken zien dat hij (behoudens voornoemde maanden in 2022) alleen zijn overeengekomen maandloon kreeg, terwijl hij (naar eigen zeggen) vanaf het begin van het dienstverband structureel heel veel meer uren werkte dan de overeengekomen 40 uur per week. Daardoor was voor [verzoeker] duidelijk kenbaar dat Top Cargo haar verplichtingen niet deugdelijk nakwam en had het op zijn weg gelegen om tijdig, op het moment dat hij op zijn loonstroken kon zien dat geen overuren betaald waren, zijn vinger op te steken dat hij overwerk verrichtte waarvoor hij betaald wilde worden. In dit verband is tevens van belang dat Top Cargo voldoende heeft onderbouwd dat [verzoeker] grote vrijheid had bij de inrichting van zijn werkzaamheden en hij buiten normale werktijden gewerkte uren op andere momenten mocht compenseren. Die uitruil kan alleen beoordeeld worden indien tijdig aanspraak wordt gemaakt op overwerkvergoeding. Gelet op de omvang van zijn claim op overwerkvergoeding is voorts geen sprake van een situatie waarin [verzoeker] pas laat ontdekt kan hebben aanspraak te kunnen maken op vergoeding van overwerk. Ook is bij dit oordeel betrokken dat [verzoeker] naast zijn salaris andere voordelen genoot, zoals door Top Cargo/ [betrokkene 1] bekostigde luxe tripjes en dure cadeaus, de betalingen van € 65.000,- en € 50.000 aan managementfee’s respectievelijk bonussen en de mogelijkheid om een woning te kopen tegen een prijs die fors lager lag dan de marktwaarde. Daardoor was bij [verzoeker] bekend dat Top Cargo niet de intentie had zijn werk en inzet zuiver en alleen te belonen met een vast salaris. Door niet tijdig te klagen over het niet uitbetalen van overwerk heeft [verzoeker] Top Cargo de mogelijkheid onthouden haar gedrag als werkgever zodanig aan te passen dat zij wel eventueel overwerk zou betalen, maar zou stoppen met de extra’s die zij [verzoeker] deed toekomen. Top Cargo is daardoor ook niet in de gelegenheid geweest het werk anders in te richten om overwerk te voorkomen/beperken. Doordat [verzoeker] niet tijdig heeft geklaagd is Top Cargo dus in haar positie benadeeld.

De omstandigheid dat Top Cargo geen urenregistratie bijhield leidt niet tot een ander oordeel over de klachtplicht. Gelet op het door [verzoeker] geschetste beeld, dat hij van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat aan het werk was, had het hem ook zonder zo’n registratie duidelijk moeten zijn dat sprake was van overwerk waarvoor hij betaald wenste te krijgen. De kantonrechter volgt [verzoeker] ook niet in zijn standpunt dat geen schending van de klachtplicht kan worden aangenomen omdat hij uit angst voor repercussies niet durfde te klagen. De kantonrechter vindt dat niet aannemelijk tegen het licht van de tussen [betrokkene 1] en [verzoeker] bestaande (hechte) vriendschap, zoals deze door [betrokkene 1] ter zitting is toegelicht en door [verzoeker] is bevestigd. Voor wat betreft (angst voor) het door [verzoeker] gestelde verbale en fysieke geweld van [betrokkene 1] verwijst de kantonrechter naar wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de billijke vergoeding. Bovendien heeft Top Cargo er terecht op gewezen dat [verzoeker] gedurende zijn dienstverband bijvoorbeeld wel heeft gevraagd om uitbetaling van vakantiedagen, hetgeen niet duidt op angst bij hem om bij Top Cargo om geld te vragen.

4.20.

Resumerend slaagt het door Top Cargo gedane beroep op schending van de klachtplicht. Als gevolg hiervan kan [verzoeker] geen aanspraak meer maken op vergoeding van overwerk. Ten overvloede vermeldt de kantonrechter dat [verzoeker] zijn aanspraken (dat sprake zou zijn van door de werkgever opgedragen overwerk en de omvang daarvan), tegenover de betwisting daarvan door Top Cargo onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. De in dit verband gepresenteerde opstelling aan de hand van het e-mailverkeer van [verzoeker] is niet alleen onvoldoende om te oordelen dat sprake is van door Top Cargo opgedragen overwerk, maar ook dat dit overwerk, zo daarvan sprake was, deze omvang had.

Vordering loon tijdens ziekte

4.21.

Omdat [verzoeker] , zoals hiervoor is overwogen, geen aanspraak kan maken op betaling van overuren, is er ook geen grond om de loondoorbetalingsverplichting van Top Cargo gedurende ziekte te verhogen met een overwerkvergoeding. Ook deze vordering van [verzoeker] zal worden afgewezen.

Transitievergoeding

4.22.

[verzoeker] vordert betaling van de transitievergoeding inclusief loon over overuren en inclusief de gemiddelde bonus. Ter zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat de verschuldigde transitievergoeding niet uitkomt op het in het verzoekschrift verzochte bedrag maar op het hogere bedrag van € 26.512,37 bruto. Dat komt omdat de bonus volgens [verzoeker] ook kwalificeert als loon in de zin van artikel 2 lid 3 van het ‘Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding’ (hierna: het Besluit). Vanwege de ziekte moet op grond van artikel 3 lid 1 van de Regeling looncomponenten en arbeidsduur (hierna: de Regeling) een voorverlenging plaatsvinden, waardoor de ontvangen bonus van € 50.000,-, verdeeld over 12 maanden meetelt voor de transitievergoeding, aldus [verzoeker] .

4.23.

Top Cargo heeft aangevoerd dat bij de eindafrekening al een transitievergoeding van € 14.195,20 bruto is uitbetaald. Zij betwist dat een hogere transitievergoeding verschuldigd is. De component overwerkvergoeding blijft buiten beschouwing omdat [verzoeker] daar geen recht op heeft. De bonus moet eveneens buiten beschouwing blijven, omdat artikel 2 lid 3 van het Besluit niet van toepassing is, aldus Top Cargo.

4.24.

De kantonrechter wijst het verzoek af. Voor wat betreft de overwerkvergoeding is hiervoor al geoordeeld dat [verzoeker] daar geen recht op heeft. Deze component blijft daarom buiten beschouwing bij de berekening van de transitievergoeding.

De bonus blijft ook buiten beschouwing. Het begrip ‘loon’ dat geldt voor de berekening van de transitievergoeding (art. 7:673 lid 2 BW) is op grond van art. 7:673 lid 10 BW nader uitgewerkt in het Besluit. In artikel 2 lid 3 van het Besluit is bepaald dat loon dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit provisie of afhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid, tevens onder het loonbegrip valt. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan in dit geval geen sprake. [verzoeker] heeft toegelicht dat de bonussen zijn betaald omdat het goed ging met het bedrijf en omdat hij zich zo goed had ingezet. Daarmee kwalificeren de bonussen echter nog niet als provisie of als loon dat afhankelijk is van de uitkomsten van de door [verzoeker] verrichtte arbeid. Van belang daarvoor is dat [verzoeker] gedurende zijn hele dienstverband slechts in een aantal maanden een bonus heeft ontvangen, dat er niets op papier staat over de bonus(regeling) en de criteria om daarvoor in aanmerking te komen en dat de toekenning en de hoogte van de bonus volledig ter discretionaire bevoegdheid van [betrokkene 1] was. [verzoeker] heeft dat ter zitting bevestigd met zijn toelichting dat [betrokkene 1] zelf bepaalde hoe hij [verzoeker] wilde belonen. In het licht daarvan heeft [verzoeker] onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de bonus kwalificeert als provisie dan wel afhankelijk was van de uitkomst van door hem verrichtte arbeid. Gelet hierop is de in artikel 3 lid 1 Regeling voorgeschreven voorverlenging tijdens ziekte niet van toepassing.

Ook als uitgegaan zou worden van variabel loon in de zin van artikel 3 lid 1 sub c van het Besluit (zoals [verzoeker] in zijn verzoekschrift nog deed), worden de bonussen niet meegenomen. De bonussen zijn namelijk uitbetaald in 2022 en vallen daarmee buiten de in voornoemd artikel genoemde referteperiode van drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt (2025, 2024 en 2023).

4.25.

[verzoeker] heeft – behoudens bovenstaande punten – geen verweer gevoerd tegen de door Top Cargo berekende en uitbetaalde transitievergoeding, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. De conclusie is dat Top Cargo geen aanvullend bedrag aan transitievergoeding verschuldigd is aan [verzoeker] .

Uitbetaling openstaande vakantiedagen

4.26.

[verzoeker] verzoekt om uitbetaling van openstaande verlofdagen. Volgens [verzoeker] heeft hij gedurende zijn dienstverband in totaal 185,42 dagen opgebouwd, waarvan 3 dagen zijn opgenomen, zodat een uit te betalen saldo van 182,42 dagen resteert.

4.27.

Top Cargo heeft aangevoerd dat:- de niet-genoten wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen over 2025 en 2026 bij de eindafrekening zijn uitbetaald, - alle vakantiedagen over 2022 al in 2023 op verzoek van [verzoeker] zijn uitbetaald;- bovenwettelijke vakantiedagen steeds zijn uitbetaald;

- alle (overige) vakantiedagen van vóór 2025 zijn komen te vervallen, omdat [verzoeker] ervoor koos geen vakantie op te nemen, ondanks de door Top Cargo geboden mogelijkheid daartoe.

4.28.

[verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij de door Top Cargo gestelde betalingen niet kan erkennen omdat hij nog geen gelegenheid heeft gehad die te controleren. De kantonrechter is het hiermee eens voor wat betreft de vakantiedagen over de jaren 2019, 2020, 2021, 2023 en 2024. Top Cargo heeft uitbetaling van vakantiedagen over die jaren namelijk niet (met bijvoorbeeld loonstroken) onderbouwd. Zij heeft ook niet concreet gemaakt wanneer de betalingen zouden zijn gedaan. Zij heeft het daardoor onmogelijk gemaakt voor [verzoeker] (en voor de kantonrechter) om de juistheid van haar stelling te controleren, zodat de kantonrechter niet kan aannemen dat de vakantiedagen over die jaren al aan [verzoeker] zijn uitbetaald.

4.29.

Dat ligt anders voor de vakantiedagen over 2022, 2025 en 2026. Uitbetaling daarvan heeft Top Cargo wel (met loonstroken en e-mails) onderbouwd. Het had vervolgens op de weg van [verzoeker] gelegen om (voorafgaand aan de zitting) te controleren of hij deze betalingen heeft ontvangen. Dat [verzoeker] dit heeft nagelaten blijft voor zijn rekening. De kantonrechter er daarom vanuit dat de wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen over 2022, 2025 en 2026 wél aan [verzoeker] zijn uitbetaald. Het feit dat tussentijdse uitbetaling van wettelijke verlofdagen (zoals in 2022 op verzoek van [verzoeker] is gebeurd) wettelijk niet is toegestaan, leidt er niet toe dat Top Cargo deze dagen nogmaals ( [betrokkene 2] dubbel) aan [verzoeker] moet uitbetalen.

4.30.

Gelet op het voorgaande resteert de vordering van [verzoeker] betreffende de vakantiedagen over 2019, 2020, 2021, 2023 en 2024. Top Cargo heeft aangevoerd dat deze dagen zijn komen te vervallen. De kantonrechter verwerpt dit verweer voor wat betreft de wettelijke vakantiedagen. De Hoge Raad6 heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie7 namelijk overwogen dat de verval- en verjaringstermijn van art. 7:640a en 642 BW ten aanzien van wettelijke vakantiedagen niet kunnen worden ingeroepen door een werkgever die de werknemer niet daadwerkelijk in staat heeft gesteld het recht op vakantie uit te oefenen. In dat kader wordt van de werkgever verwacht dat hij (aantoont dat hij) de werknemer ‘op precieze wijze’ en tijdig heeft geïnformeerd over zijn vakantierechten en de werknemer heeft gewaarschuwd voor het moment waarop de werknemer deze rechten verliest. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Top Cargo onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat dit (en vooral dit laatste) in voldoende mate is gebeurd. De verklaring van [betrokkene 3], waarin staat dat iedereen zijn vakantiedagen kon opnemen en dat [betrokkene 1] meermaals tegen [verzoeker] heeft gezegd dat hij een vakantie aan zijn zakentrips naar China kon vastplakken, zijn onvoldoende om te concluderen dat Top Cargo aan haar zorg- en informatieverplichting heeft voldaan. Uit niets blijkt dat Top Cargo [verzoeker] periodiek (minimaal eenmaal per jaar) schriftelijk heeft bericht over zijn nog openstaande minimumvakantiedagen en over de daarvoor gelden verval- en verjaringstermijnen. Dat brengt met zich mee dat Top Cargo zich niet kan beroepen op het verval en verjaring van de wettelijke vakantiedagen van [verzoeker] .

4.31.

De Europese rechtspraak over de zorg- en informatieverplichting van de werkgever geldt niet ten aanzien van bovenwettelijke vakantieaanspraken. Dat betekent dat bovenwettelijke vakantiedagen wel kunnen verjaren ondanks dat niet aan voornoemde zorg- en informatieverplichting is voldaan. Nu gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de verjaring heeft gestuit, gaat de kantonrechter ervan uit dat de bovenwettelijke vakantiedagen over 2019 en 2020 zijn verjaard.

4.32.

De conclusie is dat de opgebouwde maar niet genoten wettelijke vakantiedagen over 2019, 2020, 2021, 2023 en 2024 en de bovenwettelijke vakantiedagen over 2021, 2023 en 2024 niet zijn vervallen of verjaard. Top Cargo zal worden veroordeeld om in totaal 112 openstaande verlofdagen (20 wettelijke dagen per jaar x 5 jaren + 5 bovenwettelijke dagen x 3 jaren) minus 3 opgenomen dagen) aan [verzoeker] uit te betalen.

De waarde van de uit te betalen vakantiedagen

4.33.

[verzoeker] stelt dat de overwerkvergoeding en de gemiddelde bonus moet worden meegenomen bij de vaststelling van het loon waartegen de vakantiedagen moeten worden uitbetaald. Volgens Top Cargo hoeven deze componenten niet te worden meegenomen omdat het geen vaste loonbestanddelen zijn.

4.34

Hiervoor is al geoordeeld dat [verzoeker] geen aanspraak heeft op overwerkvergoeding, zodat deze component ook bij het vakantieloon buiten beschouwing blijft. Voor wat betreft de bonus wordt het volgende overwogen. Voor de hoogte van het vakantieloon wordt uitgegaan van een ruim loonbegrip. Het betreft het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon, inclusief alle componenten die intrinsiek samenhangen met de werkzaamheden van de werknemer en waarvoor hij een financiële compensatie ontvangt. Slechts occasionele en bijkomende kosten die de werknemer maakt bij de uitvoering van zijn taken behoren niet tot het vakantieloon. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat de bonus intrinsiek samenhangt met zijn werkzaamheden. Van belang in dat verband is dat [verzoeker] gedurende zijn dienstverband slechts in drie maanden een bonus heeft ontvangen voor zijn inzet en omdat het goed ging met het bedrijf, dat niet is gebleken dat partijen een bonus(regeling) zijn overeengekomen en dat [verzoeker] heeft toegelicht dat [betrokkene 1] zelf bepaalde hoe hij hem wilde belonen. Daarmee is eerder sprake geweest van een incidentele, willekeurige bonus dan van systematisch verstrekte vergoedingen voor de aan [verzoeker] opgedragen taken.

4.35.

De conclusie is dat de 112 vakantiedagen waarop [verzoeker] aanspraak kan maken dienen te worden uitbetaald aan hem op basis van zijn laatstelijk genoten vaste maandsalaris van € 5.000,00, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Uit de door Top Cargo overgelegde loonstrook met betrekking tot de maand april 2023 blijkt dat het uurloon van [verzoeker] € 28,85 bedroeg. De uitbetaling in geld van 112 vakantiedagen kan daarom worden gesteld op (112 dagen x 8 uur =) 896 uur x (€ 28,85 + 8%) = € 27.917,57 bruto. Top Cargo zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag.

Wettelijke rente

4.36.

[verzoeker] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026. Top Cargo heeft tegen de ingangsdatum geen concreet verweer aangevoerd, zodat de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026 wordt toegewezen.

Wettelijke verhoging

4.37.

[verzoeker] heeft aanspraak gemaakt op de wettelijke verhoging. Top Cargo heeft tegen deze vordering geen (afzonderlijk) verweer gevoerd. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. Daarbij weegt mee dat de informele benadering van Top Cargo van haar verplichtingen als werkgever zich naar het oordeel van de kantonrechter slecht verhoudt met het arbeidsrecht, hetgeen heeft bijgedragen aan het ontstaan van de geschillen tussen partijen over de nog uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen.

Geen advocaatkosten

4.38.

[verzoeker] verzoekt om vergoeding van advocaatkosten die hij heeft moeten maken om zich te laten adviseren over zijn verhouding met Top Cargo en het oplossen van het arbeidsconflict tussen partijen. De kosten zien volgens [verzoeker] op kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan de procedure en niet op kosten in verband met deze procedure.

4.39.

Een aanspraak op vergoeding van dergelijke kosten zou kunnen worden ontleend aan schending van het goed werkgeverschap in samenhang met artikel 6:96 BW. De kantonrechter wijst het verzoek af. Hiervoor is immers geoordeeld dat Top Cargo niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat van schending van de zorgplicht/goed werkgeverschap geen sprake is. Daarbij komt dat [verzoeker] heeft nagelaten specificaties bij de facturen te overleggen. Daardoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre de gefactureerde kosten betrekking hebben op de onderhavige procedure of op het buitengerechtelijke voortraject.

Proceskosten

4.40.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Top Cargo om aan [verzoeker] een bedrag van € 27.917,57 bruto te betalen ter zake van vergoeding van 112 niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,

5.2.

veroordeelt Top Cargo tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder 5.1. toegewezen bedrag,

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

5.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad8,

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »