ECLI:NL:RBNHO:2026:12541

Datum uitspraak
22-07-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/15/373975
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag. Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt. De vader is altijd betrokken geweest bij de minderjarige en vervult een vaderrol. Partijen overleggen en nemen beslissingen over de minderjarige. Niet is gebleken dat de vader bij de te nemen beslissingen in het verleden niet in het belang van de minderjarige heeft gehandeld of een heel andere visie dan de moeder heeft over te nemen gezagsbeslissingen. De moeder zal zich neerleggen bij het verzoek van de vader. De rechtbank geeft partijen mee het advies van de Raad op te volgen, door samen te bespreken hoe zij over de zitting naar de minderjarige zullen communiceren.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

Locatie Haarlem

gezag

zaak-/rekestnr.: C/15/373975 / FA RK 26-360

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 22 juli 2026

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S. Kuijs uit Heiloo,

tegen

[de moeder] ,

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoek, met bijlagen, van de vader, ontvangen op 22 januari 2026.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juni 2026. Daarbij waren de vader met zijn advocaat en de moeder aanwezig. Vanuit de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) was [vertegenwoordiger van de raad] aanwezig als informant.

1.3.

De minderjarige [de minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om haar mening te geven, maar hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. De vader heeft hierover op 16 juni 2026 een e-mail gestuurd aan de rechtbank.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De vader verzoekt hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] . Hij verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De vader onderbouwt zijn verzoek als volgt. Na de relatiebreuk van partijen hebben zij onderling afspraken gemaakt over de zorgregeling. [de minderjarige] verblijft ongeveer de helft van de tijd bij de vader en de helft van de tijd bij de moeder, wat goed verloopt. Nu de vader [de minderjarige] altijd heeft verzorgd en opgevoed, wil hij samen met de moeder het gezag hebben over [de minderjarige] . Hoewel partijen hadden afgesproken het gezag over [de minderjarige] in augustus 2025 te regelen, waarover ook een concept overeenkomst is vastgesteld, is dat niet gebeurd. De moeder weigert nu het gezag te regelen, maar geeft daarvoor geen reden.

3.3.

De vader en zijn advocaat hebben hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat partijen het eens zijn over grote beslissingen over [de minderjarige] . Alleen over kleinere beslissingen verschillen zij soms van mening. De vader staat open voor hulpverlening of mediation, maar de inzet daarvan mag geen voorwaarde zijn voor het regelen van het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft bij de vader aangegeven dat zij het eens is met het verzoek van de vader over het gezag. Zij heeft ook aangegeven dat zij graag wat vaker bij de vader wil zijn.

4 Het verweer

4.1.

De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank over het verzoek. Partijen beslissen nu al vaak in overleg over [de minderjarige] , zodat gezamenlijk gezag de situatie weinig zal veranderen. De moeder staat dan ook niet onwelwillend tegenover gezamenlijke gezagsuitoefening door partijen, maar zij vindt wel dat partijen daarvoor via hulpverlening moeten werken aan het verbeteren van hun communicatie. De communicatie tussen partijen verloopt namelijk niet altijd goed. De moeder heeft er – gelet op het verleden – geen vertrouwen in dat partijen zonder hulpverlening de verantwoordelijkheid over [de minderjarige] samen kunnen dragen.

5 De visie van de Raad

5.1.

De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat het voor [de minderjarige] fijn zou zijn als partijen haar kunnen aangeven dat zij er bij de rechtbank samen zijn uitgekomen. Voor een kind is het fijn als ouders niet tegenover elkaar hebben gestaan. Als partijen besluiten hulpverlening in te schakelen, is het goed te zoeken naar een hulpverlener met kennis van het samenwerken met ouders.

6 De beoordeling

6.1.

De tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Daarbij geldt dat als de moeder met het gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek van de vader alleen wordt afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.1

6.2.

Gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in staat zijn tot enige vorm van communicatie met elkaar en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, of tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen.

6.3.

De rechtbank wijst, zoals tijdens de zitting is besproken, het verzoek van de vader over het gezag toe en legt uit waarom. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is. De rechtbank heeft geen reden om daar in dit geval van af te wijken. Er is geen sprake van een uitzonderingsgrond zoals genoemd onder 6.1. en er is voldaan aan het vereiste zoals genoemd onder 6.2. Uit de stukken en wat tijdens de zitting naar voren is gebracht blijkt namelijk dat de vader altijd betrokken is geweest bij [de minderjarige] en een vaderrol in haar leven vervult. Tijdens de zitting hebben partijen ook aangegeven dat zij vaak (via de partner van de vader) overleggen over [de minderjarige] en beslissingen over haar nemen. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de vader bij te nemen beslissingen over [de minderjarige] in het verleden niet in het belang van [de minderjarige] heeft gehandeld of een heel andere visie dan de moeder heeft over te nemen gezagsbeslissingen over [de minderjarige] . Tijdens de zitting is verder gebleken dat de moeder beseft dat zij zich niet kan verzetten tegen gezamenlijke gezagsuitoefening door partijen. Zij zal zich neerleggen bij het verzoek.

De rechtbank geeft partijen mee het advies van de Raad op te volgen, door samen te bespreken hoe zij over de zitting naar [de minderjarige] zullen communiceren. Zoals de Raad aangaf, is het voor [de minderjarige] fijn als partijen samen beslissingen kunnen nemen en dat ook kunnen laten zien aan [de minderjarige] . Partijen hebben allebei de wens uitgesproken om zich te richten tot een vorm van hulpverlening voor het verbeteren van hun communicatie. De advocaat van de vader heeft aangegeven dat zij partijen kan helpen bij het vinden van een passende hulpverlener.

6.4.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

bepaalt dat de vader en de moeder gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »