ECLI:NL:RBDHA:2026:29232

Datum uitspraak
11-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/690809 / FA RK 25-6549
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning, gezag, zorg- c.q. omgangsregeling en kinderalimentatie

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-6549

Zaaknummer: C/09/690809

Datum beschikking: 11 september 2026

Vervangende toestemming erkenning, gezag, zorg- c.q. omgangsregeling en kinderalimentatie

Beschikking op het op 28 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H. Hassan te Almere.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W.B. Janssens te Oudewater.

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. A. Schellekens,

advocaat te Bodegraven,

in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

 het verzoekschrift van 28 augustus 2025, met bijlagen, van de man;

 het F9 formulier van 15 oktober 2025, met bijlage, van de man;

 het verslag van 11 december 2025 van de bijzondere curator;

 het F9 formulier van 11 december 2025, met bijlagen, van de bijzondere curator;

 het F9 formulier van 12 december 2025 van de man;

 het F9 formulier van 23 december 2025 van de moeder;

 het verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoek van 23 december 2025, met bijlagen, van de moeder;

 het F9 formulier van 20 juli 2026, met bijlagen, van de man.

Op 5 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

 de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, M. Abouzarad;

 de moeder, bijgestaan door een waarneemster van haar advocaat, mr. M. Bevelander en een tolk, H. Sharaf;

 de bijzondere curator.

Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:

 de akte houdende uitlating van 18 augustus 2026 van de moeder;

 de akte houdende uitlating van 18 augustus 2026 van de man.

Feiten

 De man en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

 Uit de moeder is geboren [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] .

 [minderjarige] is niet erkend.

 De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

 De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.

 Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 31 juli 2025 is – voor zover hier van belang – een voorlopige omgangsregeling bepaald, inhoudende dat [minderjarige] bij de man zal zijn iedere zondag van 13.00 uur tot 14.30 uur, op een neutrale locatie, onder begeleiding van de vader van de moeder.

 Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) hebben de moeder en de man de Syrische nationaliteit en is de nationaliteit van [minderjarige] onbekend.

 Bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2025 is mr. A. Schellekens voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

De man verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad – :

het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen, in die zin dat de man wordt opgenomen als vader van het kind;

de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag, nadat de man het kind heeft erkend;

een zorgregeling vast te stellen, inhoudende:

a. dat het kind tot haar tweede verjaardag iedere vrijdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de man verblijft;

b. dat het kind vanaf haar tweede verjaardag eenmaal per twee weken van vrijdagavond tot en met zondagavond bij de man verblijft.

De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De moeder verzoekt zelfstandig – voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad – :

 ten aanzien van een omgangs- c.q. zorg- en contactregeling een regeling vast te stellen zoals door de rechtbank nader te bepalen, en daartoe zo nodig een deskundigenonderzoek te gelasten;

 te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , volgens een aan te vullen en nader te concretiseren verzoek,

kosten rechtens.

De bijzondere curator adviseert het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning

Rechtsmacht

Op grond van artikel 3 lid 1 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning.

Toepasselijk recht op de erkenning

Op grond van artikel 10:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vraag of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning, in beginsel bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit. Bezit de man de nationaliteit van meer dan één staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.

Ten aanzien van het toepasselijk recht op de erkenning overweegt de rechtbank dat de man beschikt over een asielstatus voor bepaalde tijd. Artikel 10:17 BW bepaalt, voor zover thans van belang, dat de persoonlijke staat van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 (verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd) of artikel 33 (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, wordt beheerst door het recht van zijn woonplaats, of, indien hij geen woonplaats heeft, door het recht van zijn verblijfplaats. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 10:17 BW volgt dat artikel 10:17 BW feitelijk betekent dat bij toepassing van verwijzingsregels waarin nationaliteit als aanknopingsfactor wordt gebruikt de vreemdeling met een verblijfsvergunning asiel voor (on)bepaalde tijd wordt beschouwd als Nederlands onderdaan. De rechtbank zal daarom bij de bepaling van het toepasselijke recht op het verzoek ervan uitgaan dat de man Nederlands onderdaan is.

Het voorgaande betekent dat op de vraag of erkenning door de man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en het kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning, het Nederlands recht van toepassing is.

Toepasselijk recht op de toestemming van de moeder en het kind

Op grond van artikel 10:95 derde lid BW is op de vraag of de moeder dan wel het kind toestemming moet geven voor de erkenning van toepassing het recht van de staat waarvan de moeder dan wel het kind de nationaliteit bezit. Bezit de moeder, onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit van meer dan een staat, dan is toepasselijk het nationale recht volgens hetwelk toestemming is vereist. Bezit de moeder, onderscheidenlijk het kind, de Nederlandse nationaliteit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, zulks ongeacht of de moeder, onderscheidenlijk het kind naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit. Indien het toepasselijke recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de moeder, onderscheidenlijk het kind.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw de Syrische nationaliteit heeft, zodat in beginsel het Syrische recht van toepassing is. In Syrië geldt het islamitische recht. De erkenning door de vader in het islamitische recht heeft een geheel andere functie en inhoud dan de erkenning in het Nederlandse recht. In het islamitische recht geldt het principe dat geboorte buiten het huwelijk niet voorkomt, zodat een erkenning zoals in Nederland niet nodig is. In het islamitische recht wordt wel over erkenning gesproken, maar dat geldt uitsluitend voor die situaties dat de wettige afstamming van een kind, dus dat het uit een huwelijk is geboren, niet geheel met bewijsstukken is te staven. In een dergelijke situatie zal men overgaan tot 'erkenning' om op deze manier de onduidelijkheid over de wettige afstamming uit te sluiten.

Deze erkenning in het islamitische recht vestigt geen familierechtelijke betrekkingen of verplichtingen ten aanzien van de zorg en het vermogen van het kind.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het Syrische recht geen vorm van erkenning kent die te begrijpen is als een rechtsfiguur op grond waarvan een familierechtelijke betrekking kan ontstaan tussen een kind en een vader. Omdat het Syrisch recht de erkenning niet kent, is van toepassing het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de moeder. Omdat de moeder en [minderjarige] in Nederland verblijven, zal de rechtbank ook op deze vraag het Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.

Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

De man stelt zich op het standpunt dat hij er recht op heeft dat de relatie tussen hem en [minderjarige] rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De belangen van [minderjarige] worden daardoor niet geschonden, omdat zij door de erkenning niet wordt belemmerd in haar sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. [minderjarige] reageert goed op de man en de omgangsmomenten verlopen zowel voor [minderjarige] als voor de man positief. De man is betrokken geweest tijdens de zwangerschap en na de geboorte, hetgeen aantoont dat er sprake is van een persoonlijke en nauwe betrekking tussen hem en het kind.

De moeder verweert zich tegen het verzoek van de man. De verhouding tussen partijen werd en wordt getekend door machtsmisbruik door de man, psychisch geweld en mishandeling. De moeder is bang voor de man en is ook bang dat hij [minderjarige] meeneemt naar een onbekende bestemming. De moeder stelt dat alleen al bij het idee dat de man [minderjarige] zal erkennen zij de angst voelt opkomen. De man en de moeder hebben geen contact met elkaar en het is in het belang van [minderjarige] dat haar moeder psychisch stabiel is, zodat hun band ongestoord blijft.

De bijzondere curator komt na afweging van alle belangen tot de conclusie dat de aard en de ernst van de bezwaren van de moeder tegen de erkenning door de man niet opwegen tegen het belang van de man en [minderjarige] bij de erkenning. De bijzondere curator vraagt wel aandacht voor de eventuele emotionele gevolgen van de erkenning voor de moeder. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , lijkt het aannemelijk dat de gemoedstoestand van de moeder rechtstreeks van invloed is op de ontwikkeling van [minderjarige] . Voorkomen moet worden dat haar weerstand tegen de man de ontwikkeling van [minderjarige] in gevaar brengt. Het moet ook niet zo zijn dat die weerstand wordt overgebracht op [minderjarige] en de opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de man in de weg staat. Mogelijk kan daarin professionele ondersteuning geboden worden.

De rechtbank overweegt als volgt. Door middel van de erkenning wordt een juridische status gegeven aan de familieband die er bestaat tussen de man en [minderjarige] . De man is immers haar biologische vader. De moeder kent vooral de angst dat [minderjarige] niet veilig is bij de man, maar dat is meer relevant in het kader van de omgang. Die omgang is er echter al tussen de man en [minderjarige] . Daarnaast is de moeder ook bang dat [minderjarige] wordt meegenomen door de man naar het buitenland. Dit betreft een gezagskwestie en voor het meenemen naar het buitenland is toestemming van de moeder nodig. Het wel of niet erkennen maakt niet dat deze angst voor de moeder kan worden weggenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het voorgaande onvoldoende gebleken dat sprake is van een situatie waarbij de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. De rechtbank zal de man dan ook vervangende toestemming geven om [minderjarige] te erkennen.

Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

Gezamenlijk gezag

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek omtrent het gezag over [minderjarige] .

Inhoudelijke beoordeling

Er vanuit gaande dat de erkenning van [minderjarige] met behulp van de vervangende toestemming voor erkenning van de rechtbank geregeld wordt, zal de rechtbank in het onderstaande alvast het verzoek tot gezamenlijk gezag van de man bespreken.

Ingevolge artikel 1:253c, eerste lid, BW, voor zover hier van belang, kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Het verzoek wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen, indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De man wenst als biologische vader ook graag het gezag daadwerkelijk te kunnen uitoefenen. Door haar opstelling belemmert de moeder de man in zijn rol als vader. Er zijn geen wettelijke gronden aanwezig op basis waaraan de man niet met het gezag belast zou kunnen worden. Het is juist in het belang van het kind dat de man mede het ouderlijk gezag uitoefent, temeer nu er reeds sprake is van een omgangsregeling.

De moeder verweert zich tegen het verzoek van de man en brengt daartoe het volgende naar voren. Tussen partijen wordt er, zowel tijdens de samenleving als daarna, niet gecommuniceerd. Tijdens de samenleving bepaalde de man en mocht de moeder geen mening hebben. Sinds het vertrek van de moeder in april 2025 is er geen communicatie meer. Ook tijdens de recente omgangsmomenten is er geen contact geweest. De omgangsmomenten zijn begeleid door opa moederszijde. De man en de moeder kunnen dan ook niet gezamenlijk beslissingen nemen voor [minderjarige] . De moeder kan het op dit moment niet aan om bij de man te zijn en met hem te moeten communiceren.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat er sprake is van een moeizame verstandhouding tussen de man en de moeder. De moeder stuurt wel mails naar de man met daarin informatie over [minderjarige] , maar dit betekent nog niet dat er sprake is van echte communicatie tussen de moeder en de man. Los van deze mails is er namelijk geen contact. Uit hetgeen de rechtbank hierna zal beslissen volgt dat de ouders de omgang gaan uitbreiden en bovendien hulpverlening krijgen in de vorm van een omgangsbegeleidings- en ouderschapsbemiddelingstraject. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de moeder en de man daaraan eerst uitvoering geven, alvorens de man ook met het gezag over [minderjarige] te belasten. Van belang is in dat verband ook dat het nemen van gezagsbeslissingen en de discussies die dat mogelijk oplevert tussen de moeder en de man niet in de weg staat aan de omgangsopbouw en het verbeteren van de verstandhouding tussen de moeder en de man. Mogelijk dat dit op een later moment wel ruimte biedt voor gezamenlijk gezag. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man dan ook afwijzen.

Omgangsregeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] .

Inhoudelijke beoordeling

De man en de moeder geven op dit moment uitvoering aan de voorlopige omgangsregeling die is bepaald bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 31 juli 2025, inhoudende dat [minderjarige] bij de man is iedere zondag van 13.00 uur tot 14.30 uur, op een neutrale locatie, onder begeleiding van de vader van de moeder. In onderling overleg met behulp van de advocaten van de moeder en de man is inmiddels afgesproken dat ook een ander familielid van de moeder het omgangsmoment mag begeleiden. Op de zitting is gebleken dat het omgangsmoment de afgelopen tien keer goed is verlopen. Op de zitting hebben de moeder en de man afgesproken dat het omgangsmoment met een half uur zal worden uitgebreid, dus van 13.00 tot 15.00 uur. De rechtbank gaat er vanuit dat daar geen andere familieleden van de moeder bij aanwezig zijn, anders dan het familielid dat het omgangsmoment begeleidt, omdat het belangrijk is dat [minderjarige] daardoor niet afgeleid wordt.

De rechtbank heeft met de ouders gesproken over het inzetten van hulpverlening die gericht is op het uitbreiden van de omgang en het verbeteren van de verstandhouding tussen de man en de moeder. De man en de moeder hebben op de zitting beiden de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan de trajecten omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de man en de moeder daarom in de gelegenheid stellen deel te nemen aan deze trajecten, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW)voor deelname aan voornoemde trajecten en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking zenden aan Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW).

De rechtbank zal de man en de moeder bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.

Binnen de bovengenoemde trajecten kunnen de man en de moeder verder in gesprek gaan over en begeleid worden bij de opbouw van de omgangsregeling. De rechtbank vindt het in ieder geval van belang dat wordt opgebouwd naar een regeling waarbij [minderjarige] bij de vader is om het weekend van zaterdagochtend 09.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, onbegeleid en dus met een overnachting. De opbouw naar deze regeling dient plaats te vinden onder regie en begeleiding van de hulpverlening waarnaar de man en de moeder worden doorverwezen.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat [minderjarige] in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op dit verzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.\Inhoudelijke beoordeling

De moeder heeft verzocht te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , volgens een aan te vullen en nader te concretiseren verzoek. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder bij gebrek aan voldoende onderbouwing afwijzen.

Proceskosten

Nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:

*

verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 2002 te [geboorteplaats 2], [geboorteland], toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats 3], [geboorteland], vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ;

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

*

bepaalt dat een voorlopige omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man zal gelden, waarbij de man en [minderjarige] omgang hebben met elkaar iedere zondag van 13.00 uur tot 15.00 uur, onder begeleiding van één familielid van de moeder en waarbij geen andere familieleden van de moeder aanwezig zijn, en waarbij onder regie en begeleiding van de hulpverlening waarnaar de man en de moeder worden doorverwezen wordt opgebouwd naar een definitieve omgangsregeling waarbij [minderjarige] bij de man is om het weekend van zaterdagochtend 09.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, onbegeleid en dus met een overnachting;

*

stelt vast dat de man en de moeder, te weten:

[de moeder] ,

wonende aan de [adres 1],

advocaat: mr. mr. W.B. Janssens te Oudewater,

en

[de man] ,

wonende aan de [adres 2] ,

advocaat: mr. H. Hassan te Almere,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan het traject ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden aan afschrift van deze beschikking te zenden naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) per beveiligde e-mail naar retmh@grjw.nl;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »