RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rekestnummer: C/19/153564 / FA RK 25-2195
beschikking d.d. 29 september 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.W. van Weert,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] , maar verblijvende op een geheim adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. K.J. Kanning.
Procesverloop
1.1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
-
de (tussen)beschikking van 16 april 2026;
-
de op 9 juni 2026 binnengekomen brief tevens houdende een incidenteel verzoek ex artikel 223 Rv van de zijde van de man;
-
het op 7 juli 2026 binnengekomen F9-formulier van de zijde van de vrouw;
-
de op 11 augustus en 14 augustus 2026 binnengekomen F9-formulieren met bijlagen van de zijde van de man;
-
de op 18 augustus 2026 binnengekomen brief van mr. Kanning;
-
de op 19 augustus 2026 binnengekomen brief van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad);
-
het op 20 augustus 2026 ontvangen e-mailbericht van de Raad.
1.2. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet op 25 augustus 2026 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. De vrouw en [naam] (namens de Raad) hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
1.3. De man heeft op de mondelinge behandeling zijn verzoek mondeling aangevuld met een verzoek om de kinderen van partijen onder toezicht te stellen.
2 Wat aan deze beschikking vooraf ging
Bij beschikking ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 11 november 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de man om voor de duur van de bodemprocedure een omgangsregeling te bepalen afgewezen. De rechtbank heeft verder de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of, en zo ja op welke wijze, er contact tussen de man en de kinderen kan plaatsvinden en bij het onderzoek ook het verzoek van de man tot verkrijging van het (gezamenlijk) ouderlijk gezag te betrekken.
Op 26 februari 2026 is het rapport van de Raad ontvangen. De Raad adviseert de rechtbank in zijn rapport om de verzoeken van de man met betrekking tot het gezag en de omgangsregeling af te wijzen.
De rechtbank heeft op 16 april 2026 een beschikking gewezen. In deze beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 31 oktober 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 539 per kind per maand, voor zover de termijnen nog niet zijn verschenen bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. De beslissingen met betrekking tot het gezag en de omgangsregeling zijn door de rechtbank aangehouden.
3 De verdere beoordeling
Met betrekking tot het digitaal deelnemen aan de zitting
De vrouw heeft de rechtbank op 7 juli 2026 verzocht haar toestemming te verlenen om de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026 digitaal bij te wonen. De man heeft bij schrijven van 11 augustus 206 bezwaar gemaakt tegen het digitaal bijwonen van de mondelinge behandeling door zowel de vrouw als de vertegenwoordiger van de Raad. De rechtbank heeft dit bezwaar afgewezen en (nogmaals) toestemming voor digitale deelname verleend. De rechtbank zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De rechtbank heeft de zaak eerder behandeld op 13 maart 2026. Hoewel abusievelijk niet vermeld in de beschikking van 16 april 2026, heeft de vrouw aan die zitting met behulp van een videoverbinding aan deze mondeling deelgenomen. Redengevend hiervoor was de omstandigheid dat de vrouw op advies van de politie met de kinderen op een geheime locatie was ondergebracht en haar was afgeraden om fysiek aan de mondeling behandeling deel te nemen. In de omstandigheden van de vrouw is, zo heeft zij desgevraagd nader toegelicht in de brief van 18 augustus 2026, nadien niets gewijzigd.
Ook de Raad voor de Kinderbescherming is op de mondelinge behandeling van 13 maart 2026 niet verschenen. De Raad heeft daarbij 'om veiligheidsredenen' geweigerd om digitaal aan de mondelinge behandeling deel te nemen en vervolgens aangegeven ook op de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026 niet te zullen verschijnen. De Raad was voornemens om opnieuw evenmin digitaal aan te sluiten, maar is daar later op teruggekomen. De rechtbank heeft vervolgens op basis van de toelichting van de Raad op zijn standpunt, andermaal, niet ingezien waarom de Raad niet fysiek op de zitting aanwezig zou kunnen zijn, immers: de naam van de raadsonderzoeker staat in het rapport, de vertegenwoordiger van de Raad is ook bij digitale deelname zichtbaar in beeld en de Raad stelt in zijn reactie dat er op dit moment bij de Raad geen specifieke bedreigingen van een raadsmedewerker bekend zijn.
De rechtbank zag zich voor de afweging gesteld ofwel de verzoeken om digitaal deel te mogen nemen af te wijzen en de zaak buiten aanwezigheid van de Raad en de vrouw af te doen, of digitale deelname te faciliteren. Afwijzing van de verzoeken zou meebrengen dat er vragen aan de vrouw noch aan de Raad gesteld zouden kunnen worden. Om toch tegemoet te kunnen komen aan het uitgangspunt van hoor en wederhoor, heeft de rechtbank geoordeeld dat er toestemming om digitaal deel te nemen verleend kon worden.
Met betrekking tot het verzoek tot ondertoezichtstelling
De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verzoeken mondeling aangevuld met het verzoek om de kinderen onder toezicht te stellen. Een dergelijke aanvulling van verzoeken dient echter op grond van artikel 283 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schriftelijk te geschieden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook verder onbesproken laten.
Met betrekking tot het gezag
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijk gezag van de ouders het uitgangspunt is van de wetgever. De tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.1
De rechtbank zal het verzoek van de man om samen met de vrouw met het gezag over de kinderen te worden belast, afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. De kinderen mogen in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als zij dat niet kunnen.
De vrouw is op advies van Veilig Thuis en de politie om veiligheidsredenen geplaatst op een geheime locatie. Sinds dat moment - in september 2025 - is er in verband met vermeende veiligheidsrisico’s, geen enkel contact meer tussen partijen. De Raad schrijft in zijn rapport dat hij vanuit de politie informatie heeft ontvangen dat de situatie zodanig onveilig is, dat iedere vorm van communicatie tussen partijen het risico vergroot dat het geheime adres bekend wordt. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. De vrouw verblijft nog altijd op een geheime locatie en er is geen enkele vorm van communicatie tussen haar en de man of tussen de vrouw en de familie van de man. Op grond van hetgeen op de mondelinge behandeling is aangevoerd, concludeert de rechtbank dat niet te verwachten valt dat er op korte termijn een wijziging in deze omstandigheid zal komen. Het ontbreken van iedere vorm van communicatie tussen partijen, maakt het voor de vrouw onmogelijk om met de man te overleggen over te nemen noodzakelijke beslissingen over de kinderen. Als de man onder deze omstandigheden mede met het gezag over de kinderen wordt belast, is het nemen van noodzakelijke beslissingen niet mogelijk. Dit is niet in het belang van de kinderen. Daarbij bestaat er door de ernstig verstoorde verhoudingen tussen partijen voor de kinderen een onaanvaardbaar risico dat zij klem of verloren raken tussen de ouders.
Met betrekking tot de omgangsregeling
De rechtbank stelt voorop dat het omgangsrecht een fundamenteel recht is van ouder en kind. Alleen zwaarwegende omstandigheden kunnen leiden tot het niet vaststellen van de omgang. De rechtbank beklemtoont dat omgang met de niet-verzorgende ouder heel belangrijk is voor kinderen en hun verdere ontwikkeling. In situatie als de onderhavige, waarin de kinderen al sinds zij met de vrouw op een geheime locatie verblijven, geen enkel contact hebben met hun vader is uitzonderlijk en vereist een zwaarwegende rechtvaardiging.
De rechtbank stelt vast dat er zeer ernstige zorgen zijn over de veiligheid van de vrouw en de kinderen als zij contact zouden hebben met de man. Deze zorgen zijn gebaseerd op wat de vrouw en de kinderen hebben verteld en wat de betrokken hulpverlening en de politie daarover hebben aangegeven. In de visie van de Raad brengt het opstarten van (begeleide) omgang of een andere wijze van contact teveel risico’s met zich mee ten aanzien van het achterhalen van de verblijfplek van de minderjarigen.
De rechtbank constateert dat het op grond van de processtukken en hetgeen partijen hebben aangevoerd, op dit moment niet mogelijk is om een eenduidig beeld te krijgen van de gegrondheid van de gestelde dreiging. Het ontbreekt in deze procedure aan feitelijke onderbouwing, bijvoorbeeld in de vorm van schriftelijke stukken, van de stelling dat er sprake is van risico op eerwraak of mogelijke ontvoering van de kinderen. Er worden veel beschuldigingen en risico’s gemeld, maar deze worden vooralsnog alleen gebaseerd op ‘van horen zeggen’ zonder dat de daadwerkelijke bron van de informatie is komen vast te staan. De mededelingen over wie, wat, op welk moment gezegd zou hebben, lopen ook uiteen. Zo blijft het onduidelijk of het LEC-EGG nu wel of niet bij de zaak betrokken is en op welke informatie het risico op eerwraak (gerelateerd geweld) is gebaseerd. Anderzijds kan de rechtbank ook niet voorbij gaan aan de informatie die de politie volgens het raadsrapport aan de Raad heeft verstrekt. Als de gestelde dreiging op waarheid berust, zijn er grote veiligheidsrisico’s voor de vrouw en de kinderen. Ook als er geen veiligheidsrisico’s vanuit de man blijken te zijn, zijn er zorgen over mogelijke interventies vanuit de omgeving van de man. De rechtbank ziet daarom, conform het advies van de Raad, geen mogelijkheden om op dit moment een omgangsregeling vaststellen. De reden hiervoor is tevens gelegen in de omstandigheid dat het vaststellen van een omgangsregeling onder de gegeven omstandigheden praktisch niet mogelijk is.
De rechtbank zal het verzoek van de man echter vooralsnog niet afwijzen en overweegt daartoe het volgende. Tegen de man is aangifte gedaan van mishandeling en stalking van de vrouw. Ook heeft de vrouw aangifte gedaan van (DigiD) fraude. De rechtbank concludeert op grond van de mededelingen op de mondelinge behandeling dat de man hierover binnenkort gehoord zal worden. Of er vervolgens een strafzaak volgt, is nu nog niet duidelijk. Het wel of niet strafrechtelijk vervolgen van de man, alsmede de uitkomst van een mogelijke strafzaak, zouden naar het oordeel van de rechtbank wel meer duidelijkheid kunnen verschaffen over de gegrondheid en ernst van de vermeende dreiging en eventuele mogelijkheden voor contact(herstel) tussen de man en de kinderen. Gelet op het belang van de kinderen bij contact met hun vader, zal de rechtbank de definitieve beslissing aanhouden. Het is aan de man, als meest gerede partij, om op het moment dat er meer duidelijkheid bestaat over een mogelijke strafvervolging, nadere stukken in het geding te brengen, waarna de rechtbank een beslissing zal nemen over het verdere verloop van deze procedure.
4. Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek om te bepalen dat de man voortaan tezamen met de vrouw is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] af;
houdt iedere overige beslissing aan.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Woudenberg, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: - door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
fn: mmv/615