Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-3314 (bodemprocedure) en FA RK 26-3316 (artikel 223 Rv)
Zaaknummer: C/09/702703 (bodemprocedure) en C/09/702707 (artikel 223 Rv)
Datum beschikking: 28 juli 2026
Gezag en omgang
Beschikking op de op 2 april 2026 (bodemprocedure en artikel 223 Rv) ingekomen verzoeken van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahbazi te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
in de procedure met zaaknummer C/09/702703 / FA RK 26-3314:
-
het verzoekschrift;
-
het aanvullend verzoekschrift;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
-
het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens houdende aanvullend verzoek.
in de procedure met zaaknummer C/09/702707 / FA RK 26-3316
- het verzoekschrift;
- het aanvullend verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens houdende aanvullend verzoek;
- het bericht van 29 juni 2026, met bijlage, van de moeder.
Op 30 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
-
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
-
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te [geboorteplaats] .
-
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven feitelijk bij de moeder en [de minderjarige 1] verblijft feitelijk bij de vader.
-
De moeder oefent het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] uit.
-
De vader heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] erkend.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
zowel bij wijze van voorlopige voorziening (C/09/702707) als in de bodemprocedure (C/09/702703)
ten aanzien van het gezag
- primair het eenhoofdig gezag van de moeder te beëindigen en te bepalen dat de vader gezamenlijk met de moeder het gezag over de kinderen zal uitoefenen;
subsidiair het eenhoofdig gezag van de moeder te beëindigen en te bepalen dat de vader het eenhoofdig gezag over de kinderen zal uitoefenen;
ten aanzien van de hoofdverblijfplaats
- indien de beslissing wordt genomen dat de vader het grootste gedeelte van de zorg over de kinderen op zich zal nemen, te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;
ten aanzien van de zorg- c.q. omgangsregeling
- primair en subsidiair een (voorlopige) zorg- c.q. omgangsregeling en een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] maar nog niet voor [de minderjarige 1] ;
ten aanzien van alle onderwerpen
meer subsidiair zo lang de woning van de ouders nog niet is verkocht:
- de ouders door te verwijzen naar Ouderschap Blijft;
- de beslissingen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van het gezag, aan te houden;
- dat het voorlopige gebruiksrecht van de gezamenlijke woning aan de vader toekomt,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:
Bij wijze van voorlopige voorziening (C/09/702707):
ten aanzien van het gezag
- de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek omtrent het gezag, dan wel het verzoek van vader af te wijzen;
ten aanzien van de hoofdverblijfplaats dan wel toevertrouwing kinderen
-
de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek omtrent het hoofdverblijf van de kinderen, dan wel het verzoek van vader af te wijzen;
-
de kinderen voor de duur van het geding aan de moeder toe te vertrouwen;
ten aanzien van de zorg- c.q. omgangsregeling
- primair en subsidiair een voorlopige zorg- c.q. omgangsregeling en een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] ;
ten aanzien van het gebruiksrecht van de woning
- enkel de moeder het voorlopig gebruiksrecht van de gezamenlijke woning toekomt,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
In de bodemprocedure (C/09/702703):
ten aanzien van het gezag
- het verzoek van de vader omtrent gezag af te wijzen;
ten aanzien van de hoofdverblijfplaats
-
het verzoek van de vader omtrent de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] af te wijzen;
-
primair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de moeder is;
ten aanzien van de zorg- c.q. omgangsregeling
- primair en subsidiair een voorlopige zorg- c.q. omgangsregeling en een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] ;
ten aanzien van het gebruiksrecht van de woning
- dat enkel de moeder het voorlopig gebruiksrecht van de gezamenlijke woning toekomt,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Voorlopige voorzieningenprocedure ex artikel 223 Rv
Op de zitting zijn de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.
Bodemprocedure
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van voornoemd artikel slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten ouders
De vader verzoekt primair om samen met de moeder te worden belast met het ouderlijk gezag, zodat hij ook beslissingen over de kinderen kan nemen. Hiertoe voert de vader aan dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en dat zich geen van de uitzonderingsgronden voordoet. Volgens de vader zijn de ouders in staat om met elkaar te communiceren en samen beslissingen in het belang van de kinderen te nemen. Volgens de vader wordt hij op dit moment echter door de moeder buitenspel gezet, onder andere ten aanzien van de hulpverlening voor [de minderjarige 3] . Ook is de vader bang voor een terugval van de moeder in haar verslaving. Dit zou volgens hem opnieuw tot problemen kunnen leiden, zoals hij die ook tijdens een eerdere opname voor de verslaving van de moeder heeft ervaren. Verder voert de vader aan dat het gezamenlijk gezag met name ten aanzien van [de minderjarige 1] van belang is. Op dit moment is de vader namelijk de hoofdverzorger van [de minderjarige 1] en heeft [de minderjarige 1] nauwelijks tot geen contact met de moeder. Doordat de vader niet met het gezag over [de minderjarige 1] belast is, loopt hij tegen problemen aan. In het geval de rechtbank gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen acht, verzoekt de vader subsidiair hem met het eenhoofdig gezag te belasten.
De moeder verzoekt de beslissing over het gezag aan te houden en stelt dat gezamenlijk gezag op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Volgens de moeder zijn de ouders onvoldoende in staat om op constructieve wijze met elkaar te communiceren, te overleggen en gezamenlijke beslissingen in het belang van de kinderen te nemen. De moeder stelt dat de kinderen klem of verloren zullen raken, indien het verzoek van de vader ten aanzien van het gezamenlijk gezag wordt toegewezen. Hoewel de moeder het verzoek van de vader begrijpt en bereid is tot respectvolle en oplossingsgerichte samenwerking, stelt zij dat de vader hiervoor nog niet openstaat. De vader zou zich volgens de moeder namelijk structureel tegen haar voorstellen verzetten, zonder zelf alternatieven aan te dragen. Verder voert de moeder aan dat de kinderen duidelijkheid nodig hebben over de persoon die verantwoordelijk is voor het nemen van de belangrijke beslissingen over hen. Volgens de moeder is zij de aangewezen persoon om deze rol op zich te nemen, nu zij gedurende het grootste deel van het leven van de kinderen de hoofdverzorgster is geweest. De vader is daarentegen pas recentelijk een grotere rol in de zorg voor de kinderen gaan vervullen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van de kinderen wordt geacht. Daarvoor is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Hoewel de rechtbank constateert dat de ouders op dit moment onvoldoende met elkaar communiceren, is zij van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden vast zijn komen te staan waaruit de rechtbank opmaakt dat gezamenlijk gezag tot situaties leidt waarin de kinderen klem of verloren raken of anderszins in hun belangen worden geschaad. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de ouders, zoals hierna zal worden besproken, zullen deelnemen aan een mediationtraject en het traject Gezinsvertegenwoordiger. Deze trajecten zijn er mede op gericht de onderlinge communicatie tussen de ouders in het belang van de kinderen te verbeteren en de ouders te ondersteunen bij het gezamenlijk vormgeven van hun ouderschap. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de ouders deze gesprekken vanuit een positie van gelijkwaardigheid met elkaar kunnen voeren. Verder overweegt de rechtbank dat de vader op dit moment de hoofdverzorger van [de minderjarige 1] is en zij volledig bij hem verblijft. Het is in het belang van [de minderjarige 1] dat haar vader, als dat nodig is, (mede) gezagsbeslissingen over haar kan nemen. Dat betekent dat de ouders hoe dan ook gezamenlijk vorm moeten gaan geven aan het ouderschap over [de minderjarige 1] . De rechtbank acht het daarbij het in het belang van de kinderen dat er tussen hen geen onderscheid wordt gemaakt. Alles afwegende, zal de rechtbank het verzoek van de vader om mede met het gezag over de kinderen te worden belast toewijzen. Nu het primaire verzoek zal worden toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan het beoordelen van het subsidiaire verzoek.
Hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of één van hen onder meer een beslissing nemen ten aanzien van de hoofdverblijfsplaats. De rechtbank dient, gelet op artikel 1:253a BW, een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.
Standpunten ouders
Op dit moment geven de ouders uitvoering aan een birdnesting-regeling, waarbij zij om de beurt in de gezamenlijke woning verblijven. De gezamenlijke woning zal echter worden verkocht, waarna beide ouders op zoek zullen gaan naar vervangende woonruimte. Om deze reden verzoeken de ouders de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen aan te houden.
Inhoudelijke beoordeling
Zoals op de zitting besproken, zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de vaststelling van de hoofdverblijfplaats aanhouden, nu de gezamenlijke woning waarin de ouders en de kinderen op dit moment verblijven zal worden verkocht. De ouders hebben nog geen zicht op vervangende huisvesting, waardoor onduidelijk is waar de ouders en de kinderen in de toekomst zullen wonen. Gelet op de samenhang tussen de hoofdverblijfplaats en de feitelijke woonomstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de beslissing op dit punt aan te houden.
Gebruiksrecht
De moeder heeft haar verzoek ten aanzien van het gebruiksrecht ingetrokken. Voor zover de vader zijn verzoek ten aanzien van het gebruiksrecht handhaaft, overweegt de rechtbank als volgt. De vader heeft primair aangevoerd dat de moeder niet ontvankelijk is in haar verzoek, omdat er in deze procedure geen wettelijke grondslag voor bestaat. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat áls het verzoek van de moeder inhoudelijk beoordeeld kan worden, de woning voorlopig aan hem moet worden toebedeeld. Nu de moeder haar verzoek heeft ingetrokken, komt de rechtbank aan een oordeel over de ontvankelijkheid van haar verzoek niet toe, en dus ook niet aan het subsidiaire tegenverzoek van de vader. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor het verzoek van zowel de vader als de moeder geen wettelijke grondslag bestaat in deze procedure.
Voorlopige zorgregeling
Wettelijk kader
Uit artikel 1:253a BW blijkt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover van belang, omvatten een toedeling aan de ouders van zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Reguliere zorgregeling
Standpunten ouders
Nu de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van het gezamenlijk gezag zal toewijzen, zal worden gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of over een zorgregeling in plaats van over een omgangsregeling.
De vader verzoekt een voorlopige zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] vast te stellen. Zoals hiervoor besproken, geven de ouders uitvoering aan een birdnesting-regeling.
Op 23 april 2026 hebben zij onder begeleiding van Veilig Thuis voorlopige afspraken ten aanzien van de omgang gemaakt, waarbij – naar de rechtbank begrijpt – [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] van zaterdag 10:00 uur tot dinsdagochtend naar school bij de vader in de gezamenlijke woning zijn. De moeder haalt [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] dinsdag uit school op, waarna zij tot en met zaterdag met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in de gezamenlijke woning verblijft. Op zaterdagochtend 10:00 uur vindt het wisselmoment plaats, waarbij de moeder de gezamenlijke woning verlaat en de vader weer in de woning terugkomt. Op dit moment vindt er beperkt contact tussen de moeder en [de minderjarige 1] plaats, namelijk op woensdag in de speeltuin en op zaterdag tijdens zwemles.
De vader wenst dat de huidige zorgregeling wordt voortgezet zolang de ouders in hetzelfde huis wonen. De regeling tussen [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en de moeder kan in overleg tussen de ouders of met hulpverlening worden uitgebreid, zolang aan de zijde van de moeder sprake is van een stabiele en veilige situatie. Hoewel de vader contact met de moeder in het belang van de kinderen acht, is hij van mening dat op dit moment ten aanzien van [de minderjarige 1] nog geen voorlopige zorgregeling dient te worden vastgesteld. Volgens de vader toont [de minderjarige 1] namelijk steeds meer weerstand tegen contact met de moeder en zoekt zij uit eigen beweging nauwelijks toenadering tot de moeder. Daarnaast ervaart [de minderjarige 1] volgens de vader de houding van de moeder als dwingend en grensoverschrijdend, hetgeen bij [de minderjarige 1] gevoelens van angst en paniek oproept. Hierbij wijst de vader erop dat de moeder zich niet aan de gemaakte afspraak houdt om voldoende afstand te bewaren. Verder stelt de vader dat de moeder tijdens speelmomenten volwassen en juridische kwesties met de kinderen bespreekt en hen op emotionele wijze probeert te beïnvloeden. Dit leidt volgens hem tot spanningen bij de kinderen. Gelet op de huidige situatie en de leeftijd van [de minderjarige 1] acht de vader het niet wenselijk om haar op dit moment tot contact met de moeder te dwingen, dit zal volgens de vader juist een averechts effect hebben en de weerstand van [de minderjarige 1] verder vergroten. De vader hoopt dat [de minderjarige 1] uiteindelijk samen met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de moeder zal verblijven. Hij hoopt dan ook met de moeder bij Ouderschap Blijft definitieve afspraken te kunnen maken, mede omdat hij twijfelt of de huidige zorgregeling kan worden voortgezet zodra de gezamenlijke woning is verkocht.
De moeder stemt in met de voortzetting van de huidige zorgregeling en wenst dat een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld. Zij vindt het lastig dat [de minderjarige 1] wisselend gedrag vertoont ten aanzien van het contact met haar. De moeder stelt dat zij de indruk heeft dat [de minderjarige 1] negatief wordt beïnvloed door onbewuste uitlatingen van de vader over de moeder en haar familie. De moeder begrijpt dat [de minderjarige 1] niet gedwongen moet worden tot contact, maar acht het van belang dat het contact tussen haar en [de minderjarige 1] , alsmede tussen haar en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , normaliseert. Zij acht het eveneens in het belang van [de minderjarige 1] dat zij meedraait in de zogenoemde birdnesting-regeling en in de gezamenlijk woning verblijft, in plaats van steeds met de vader mee te verhuizen. Daarnaast stelt de moeder dat tijdens het contactmoment bij de zwemles onvoldoende gelegenheid bestaat voor rustig contact met de kinderen, doordat de vader vaak te laat komt en vervolgens snel weer vertrekt.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt. Op de zitting is daarom met de ouders gesproken over een mediationtraject en het traject Gezinsvertegenwoordiger, ter verbetering van de communicatie en hun onderlinge verstandhouding. Beide ouders hebben op de zitting hiertoe hun bereidheid uitgesproken.
De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject Gezinsvertegenwoordiger, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. Daarnaast heeft de rechtbank de ouders doorverwezen naar mediation, zodat de ouders op korte termijn afspraken kunnen maken over de omgang, de onderlinge communicatie en de wijze waarop zij het (toekomstig) ouderschap willen vormgeven. Daarnaast kan tijdens het mediationtraject ook gekeken worden naar uitbreiding van de huidige zorgregeling en over de voortzetting van de regeling nadat de gezamenlijke woning is verkocht.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het mediationtraject en het traject Gezinsvertegenwoordiger. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie van het traject Gezinsvertegenwoordiger verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
In afwachting van het verloop van beide trajecten zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de reguliere zorgregeling pro forma aanhouden tot na te melden datum en bepalen dat de zorgregeling waar de ouders op dit moment uitvoering aan geven, zal doorlopen. Ten aanzien van [de minderjarige 1] heeft de rechtbank onvoldoende zicht om nu een voorlopige zorgregeling vast te stellen, maar de rechtbank acht het van belang dat het contact tussen [de minderjarige 1] en de moeder wordt uitgebreid, zoals ook door de ouders wordt onderkend. Hierover dienen tijdens de trajecten afspraken te worden gemaakt.
Vakantieregeling
Standpunten ouders
De ouders hebben afgesproken dat de vakanties voorlopig bij helfte worden verdeeld, waarbij de kinderen om de week bij de ene danwel de andere ouder zijn en waarbij het wisselmoment op maandag om 10:00 uur plaatsvindt.
De ouders zijn ten aanzien van de zomervakantie 2026 een week-op-week-af regeling overeengekomen, waarbij de kinderen gedurende de eerste, derde en vijfde week bij de vader verblijven en de tweede, vierde en zesde week bij de moeder. Voor de toekomst heeft de vader een voorkeur voor een verdeling waarbij de kinderen telkens drie weken bij de ene ouder en vervolgens drie weken bij de andere ouder verblijven. Voor [de minderjarige 1] geldt dat de ouders rekening houden met haar wensen en dat op haar tempo contactherstel met de moeder zal plaatsvinden
Inhoudelijke beoordeling
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank conform de overeenstemming van partijen beslissen ten aanzien van de voorlopige verdeling van de zomervakantie, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.
In afwachting van het verloop van het mediationtraject en het traject Gezinsvertegenwoordiger zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de definitieve verdeling van de feest- en vakantiedagen pro forma aanhouden tot na te melden datum.
Kinderalimentatie
De rechtbank heeft het verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie afgesplitst en geregistreerd met het kenmerk C/09/707225 / FA RK 26-6043.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de beslissing omtrent de proceskosten ook aanhouden.
BeslissingDe rechtbank:
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/702707 / FA RK 26-3316 (art. 223 Rv):
*
stelt vast dat er niets meer te beslissen is;
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/702703 / FA RK 26-3314 (bodemprocedure):
*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te [geboorteplaats] ;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Gezinsvertegenwoordiger, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemde trajecten;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan;
*
verwijst de ouders naar een mediator om te trachten hun geschil door middel van mediation tot een oplossing te brengen;
*
bepaalt ten aanzien van de voorlopige reguliere zorgregeling dat:
-
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de vader zullen zijn van zaterdag 10:00 uur tot dinsdagochtend naar school in de gezamenlijke woning. De moeder [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] dinsdag uit school ophaalt, waarna zij tot en met zaterdag met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in de gezamenlijke woning verblijft. Op zaterdagochtend 10:00 uur vindt het wisselmoment plaats, waarbij de moeder de gezamenlijke woning verlaat en de vader weer in de woning terugkomt. De moeder contact heeft met [de minderjarige 1] op woensdag in de speeltuin en op zaterdag tijdens zwemles;
-
ten aanzien van de zomervakantie 2026 een week-op-week-af regeling geldt, waarbij de kinderen gedurende de eerste, derde en vijfde week bij de vader verblijven en de tweede, vierde en zesde week bij de moeder;
-
voor [de minderjarige 1] geldt dat de ouders rekening houden met haar wensen en dat op haar tempo contactherstel met de moeder zal plaatsvinden;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de vaststelling van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de verdeling van de feest- en vakantiedagen en de proceskosten aan tot 1 januari 2027 pro forma;
*
wijst af het verzoek van de vader ten aanzien van het gebruiksrecht.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.N. van Megesen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2026. |