RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar en Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/165277-25 en 15/360896-24 (vordering tenuitvoerlegging)
Uitspraakdatum: 12 augustus 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 juni 2026 en 29 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
nu gedetineerd in P.I. Haaglanden (PPC).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R. Funke Küpper, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard, naar voren is gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij op 17 mei 2025 in Alkmaar heeft geprobeerd [het slachtoffer] af te persen door een mes aan hem te tonen en/of daarbij te zeggen “geef mij de inhoud van je kassa maar. Hoeveel zit er eigenlijk in?”. Dit feit is subsidiair ten laste gelegd als een bedreiging.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft ten aanzien van het subsidiaire aangevoerd dat de bedreiging een onjuiste kwalificatie is van hetgeen is gebeurd.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank leidt uit het dossier de volgende feiten af.
Op 17 mei 2025 was de aangever aan het werk in frietzaak [bedrijfsnaam] in Alkmaar. De verdachte kwam aanfietsen en liep, na zijn fiets te hebben geparkeerd, naar de frietzaak. Vervolgens heeft hij ongeveer 7 minuten voor de deur (in de rij) staan wachten. . Op het moment dat de aangever met een klant wilde afrekenen, stapte de verdachte naar voren en zei hij: “Jij gaat mij nu helpen, want ik ben nu aan de beurt.”. De aangever gaf aan (zo begrijpt de rechtbank) dat hij moest afrekenen met de persoon voor de verdachte en daarna de verdachte zou helpen. Toen de verdachte de aangever daar geen ruimte voor gaf, zei de aangever: “Luister, je doet nu even een stap aan de kant.”, waarna de verdachte zei: "Dat doe ik niet, en anders pak ik mijn mes". De aangever reageerde hierop door te zeggen: "Ik laat me niet door jou bedreigen [voornaam verdachte] , je komt hier al jaren. Die flauwekul, daar heb ik geen zin in." Toen liep de aangever naar buiten en zag hij dat de verdachte een mes uit zijn schoudertasje pakte en de huls ervan afhaalde. De aangever zei toen: “Wat ben je nou aan het doen jongen, doe dat ding weg. Met dat mes ga je echt het verschil niet maken.” De verdachte antwoordde hierop door te zeggen: "Nou, weetje wat jij doet: geef mij de inhoud van je kassa maar. Hoeveel zit er eigenlijk in?". Hierop reageerde de aangever: “Luister, dat gaan we niet doen. Doe dat mes weg, dan maak ik een frietje voor je." Toen zag de aangever dat de verdachte zijn mes opborg in zijn tas. De aangever liep vervolgens naar binnen en de verdachte volgt hem. Wanneer de aangever zegt: “Luister, geef me zes euro, dan maak ik een frietje voor je” pakt hij geld om te betalen. De verdachte is even later vertrokken.
Vrijspraak primair ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat de verdachte heeft geprobeerd de aangever af te persen. Hoewel bepaalde uitlatingen (zoals in dit geval: “geef me de inhoud van de kassa”) doorgaans van doorslaggevend belang zijn om opzet aan te nemen, bestaan er in dit geval zodanige contra-indicaties dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte (ondanks zijn uitlatingen) geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het willen verkrijgen van de inhoud van de kassa. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de verdachte zowel bij de politie als ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij geen geld uit de kassa wilde hebben en niet om deze reden een mes heeft getoond. Ter zitting heeft de rechtbank ook zelf gemerkt dat de verdachte ongeremd kan zijn in zijn uitlatingen, zijn frustratie soms moeilijk kan beheersen en vervolgens woordenstromen kan uiten, kennelijk zonder daarbij na te denken. Dit is voor de rechtbank een reden om behoedzaam te zijn bij het duiden van zijn (letterlijke) woorden.
De rechtbank ziet in een aantal omstandigheden steun voor de verklaring van de verdachte dat hij niet uit was op de inhoud van de kassa. In de eerste plaats valt op dat de verdachte, voordat de woordenwisseling ontstaat, diverse minuten rustig buiten staat te wachten. In de tweede plaats betreft het kennelijk een plek waar hij al jaren komt en waar men hem (her)kent. In de derde plaats blijkt uit het dossier dat de verdachte al dreigt met het pakken van zijn mes als hij aan de beurt wil komen om te bestellen. Pas later, als hij het mes al heeft getrokken en de aangever zegt dat hij met het mes het verschil niet gaat maken, zegt de verdachte “geef mij de inhoud van de kassa maar”. In de vierde plaats bergt de verdachte het mes ook direct weer op zodra hij te horen krijgt dat de aangever een frietje voor hem zal maken. Hij volgt de aangever naar binnen en pakt, als hij hoort dat hij zes euro moet betalen, ook een stapeltje bankbiljetten uit zijn tas. Deze omstandigheden duiden er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende op dat de wil van de verdachte daadwerkelijk gericht was op het verkrijgen van de inhoud van de kassa. Ook ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in het dossier dat de verdachte, ondanks het voorgaande, wel bewust de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat hij met zijn uitlating de aangever probeerde af te persen. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte heeft bekend een mes te hebben getoond in de frietzaak aan de aangever. Het trekken van een mes in een kleine ruimte leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat bij de aangever redelijke vrees kon ontstaan dat hij gestoken zou worden. Hierdoor is sprake geweest van een bedreiging met zware mishandeling.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 17 mei 2025 te Alkmaar, [het slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door [het slachtoffer] een mes te tonen.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.
5 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6 Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie onderschrijft het advies van de reclassering van 27 maart 2026 en heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden op te leggen, evenals oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat tbs met voorwaarden de aangewezen maatregel is. Tbs met dwangverpleging is een te zware maatregel, gelet op de rapportages van de psycholoog en de psychiater, waarin wordt geadviseerd tot oplegging van tbs met voorwaarden. De psychiater heeft daarbij onder meer rekening gehouden met de ernst van het delict, de wachttijden voordat een behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging kan aanvangen en de omstandigheid dat het hoge beveiligingsniveau van een tbs-kliniek voor de verdachte niet noodzakelijk zou zijn. De raadsvrouw heeft de rechtbank daarom verzocht de verdachte een kans te geven om te laten zien dat hij zich kan en wil conformeren aan de voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen van [het slachtoffer] door een mes te tonen. De verdachte heeft het slachtoffer met zijn handelen gevoelens van onveiligheid en angst dat hem iets zou worden aangedaan, aangejaagd en een inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Daar komt bij dat de verdachte dit feit heeft gepleegd in een frietzaak, op klaarlichte dag, waar meerdere mensen aanwezig waren, waaronder een klein kind. Dit moet voor iedereen in de omgeving beangstigend zijn geweest. De rechtbank rekent dit de verdachte dan ook aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad van 29 juni 2026. Hieruit leidt de rechtbank af dat hij eerder voor soortgelijke feiten (waaronder bedreiging) is veroordeeld en hiervoor zelfs nog in een proeftijd liep. Dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van de psycholoog en psychiater van 19 december 2025 en 30 januari 2026. De deskundigen rapporteren dat bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde kenmerken. Ook bestaan er stoornissen in het gebruik van alcohol en verdovende middelen, die nu in gedwongen remissie zijn. De deskundigen adviseren om het bewezen verklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Gelet op het hoge recidiverisico, de aard en ernst van zijn problematiek en het ontbreken van ziektebesef- en inzicht achten de deskundigen het raadzaam dat de verdachte langdurig klinisch wordt behandeld en dat deze behandeling plaatsvindt in een forensisch-psychiatrische verslavingskliniek met een voldoende stevige structuur. Onder meer omdat de verdachte zich eerder aan ambulante behandelingen heeft onttrokken, is een zorgmachtiging of een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden is, aldus de deskundigen geen optie en komen zij tot het advies van een tbs-maatregel. Beide deskundigen adviseren niet specifiek tot oplegging van tbs met dwangverpleging of tbs met voorwaarden. Wel benoemen zij diverse voordelen van tbs met voorwaarden, waarbij de verdachte echter wel bereid moet zijn zich duurzaam aan voorwaarden te houden.
De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen over de stoornissen en de toerekenbaarheid over. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de verdachte in aanzienlijke mate door zijn stoornissen werd gedreven en dat het bewezen verklaarde feit hem verminderd is toe te rekenen.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 27 maart 2026. Uit dit rapport blijkt dat de reclassering een tbs-maatregel met voorwaarden niet als mogelijkheid ziet. De verdachte is, aldus de reclassering niet gemotiveerd en vindt dat hij geen behandeling nodig heeft, waardoor de kans groot is dat hij niet in staat is zich aan voorwaarden te houden. Daarom heeft de reclassering geadviseerd tot oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Op verzoek van de rechtbank heeft de reclassering op 21 juli 2026 een aanvullend rapport geschreven over de mogelijkheden van een klinische plaatsing in het geval dat de rechtbank zou beslissen tot oplegging van een tbs met voorwaarden. Op grond van de aanvulling en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er geen opnamedatum kon worden gegeven, gelet op de lange wachtlijsten. Een overbruggingsplek kan volgens de reclassering pas in gang worden gezet wanneer de rechtbank vonnis heeft gewezen.
Tbs-maatregel disproportioneel
Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een tbs-maatregel is in beginsel voldaan. De rechtbank stelt voorop dat de oplegging van de tbs-maatregel een ultimum remedium is, omdat het een zeer ingrijpende en een langdurige vrijheidsbenemende maatregel is die niet lichtvaardig moet worden opgelegd. Bij de beoordeling daarvan moet ook worden gekeken naar de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij.
Hoewel tbs geen straf maar een maatregel is en er dus geen evenredig verband hoeft te zijn tussen de ernst van het delict en de duur van de vrijheidsbeneming, moet de rechtbank wel afwegen of de bewezenverklaarde bedreiging – en het risico op recidive – ernstig genoeg is om oplegging van een tbs-maatregel te rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van tbs voor de bedreiging met een mes, onder de omstandigheden zoals weergegeven in §3.3 en in aanmerking nemende dat de verdachte zich liet corrigeren en het mes kort erna weer opborg, disproportioneel zou zijn. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte geen geweldshandelingen heeft verricht.
Verder is voor een tbs-maatregel met voorwaarden van belang dat de rechtbank – om een overbruggingsplek voor de verdachte aansluitend op detentie te realiseren – een langere gevangenisstraf zou moeten opleggen dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Hiervoor ziet de rechtbank (nog los van de omstandigheid dat geheel onzeker is op welke termijn wel een plek beschikbaar is) geen ruimte, nu de verdachte zich al ruim veertien maanden in voorlopige hechtenis bevindt. Dit is veel langer dan de straf die de rechtbank passend vindt voor de gepleegde bedreiging. Bij het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging spreken beide deskundigen over lange wachttijden voordat de maatregel kan starten, waardoor ook tbs met dwangverpleging zou neerkomen op een (nog) langere tijd in detentie.
Tot slot heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of het, gelet op het recidiverisico, voldoende verantwoord is om de verdachte enkel een straf op te leggen, zonder maatregel of andere vorm van behandeling. Naast de ernst van het bewezenverklaarde feit vormt de ernst van de feiten op het strafblad een belangrijke aanwijzing voor wat betreft de ernst van de feiten waarop het risico van recidive ziet. De rechtbank constateert dat de verdachte recentelijk meermaals is veroordeeld, maar dat deze veroordelingen steeds door de politierechter zijn afgedaan en aan hem (op één zaak na) grotendeels voorwaardelijke straffen of geldboetes zijn opgelegd. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het strafblad van de verdachte niet zodanig zwaarwegend acht dat dit, ondanks hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, een tbs-maatregel zou rechtvaardigen.
Al met al zal de rechtbank aan de verdachte dan ook niet een tbs-maatregel opleggen. Hoewel de rechtbank zich zorgen maakt over het welbevinden en het gedrag van de verdachte en oog heeft voor het recidiverisico, blijkt uit het dossier dat de verdachte zich in 2022 vrijwillig heeft laten opnemen in de FPA Heiloo. Het is aan de verdachte zelf om ook nu, eventueel met vrijwillige hulpverlening, zijn leven weer stabiel in te richten, zoals hem ook in het verleden (langdurig) is gelukt.
De op te leggen straf
De rechtbank is – alles afwegende – van oordeel dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd en acht een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank gelet op straffen die zijn opgelegd in soortgelijke zaken. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank, gelet op de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geen ruimte meer.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten is de rechtbank van oordeel dat een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contactverbod zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan de verdachte moet worden opgelegd voor de duur van twee jaar. De verdachte dient zich te onthouden van contact met [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] . Voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt, kan vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen worden opgelegd, tot een maximum van zes maanden.
De rechtbank beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat ernstig rekening moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zou kunnen gedragen jegens het slachtoffer. De rechtbank heeft hierbij de psychische toestand van de verdachte in acht genomen en de omstandigheid dat hij niet volledig het kwalijke van zijn handelen lijkt in te zien of in elk geval zijn handelen bagatelliseert.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande en de periode die de verdachte voor het bewezen verklaarde feit reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
7 Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 5 februari 2025 in de zaak met parketnummer 15/360896-24 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, de verdachte voor een poging tot zware mishandeling (meermalen gepleegd), bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht (meermalen gepleegd) en een diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 25 februari 2025 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 20 februari 2025 en loopt af op 10 augustus 2027.
De officier van justitie heeft op zitting gevorderd dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zal afwijzen, aangezien de verdachte zich al geruime tijd in voorlopige hechtenis bevindt. De verdediging heeft ook om afwijzing van de vordering verzocht.
De rechtbank is bevoegd over de vordering te oordelen en de officier van justitie is daarin ontvankelijk. De rechtbank zal de vordering afwijzen, gelet op het feit dat de verdachte tien maanden langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die de rechtbank hem oplegt. Tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf is daarom nu niet opportuun.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
38v, 38w, 63 en 285 Sr.
9 Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 [vier] maanden;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
legt op de maatregel dat de verdachte voor de duur van twee jaar zich dient te onthouden van direct of indirect contact met [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] ;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de zaak met parketnummer 15/360896-24 opgelegde voorwaardelijke straf;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.A.M. Tel, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. C.S. Schoorl, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 augustus 2026.
Bijlage I – de tenlastelegging
hij, op of omstreeks 17 mei 2025 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [het slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van contant geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] en/of Snackbar [bedrijfsnaam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n),
- een mes aan [het slachtoffer] heeft getoond en/of
- ( vervolgens) de woorden toe te voegen: "geef mij de inhoud van je kassa maar. Hoeveel zit er eigenlijk in?",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 17 mei 2025 te Alkmaar, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [het slachtoffer] een mes te tonen.