ECLI:NL:RBAMS:2026:9826

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
13-174903-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal in een hotel en een diefstal met braak in een garage. De 40-jarige man heeft zich ook begeven op Nederlands grondgebied terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor 2 jaar.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/174903-26 Parketnummer vordering tul: 13/196539-24

Datum uitspraak: 2 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in: [P.I.] ,

hierna: verdachte.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Jeltes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] .

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

1. een diefstal met braak in Aalsmeer bij [naam] op 1 oktober 2025;

2. een diefstal in Aalsmeer bij [benadeelde partij] omstreeks 12 september 2025;

3. een diefstal in Aalsmeer bij het Hotel [hotel] op 2 oktober 2025;

4. het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven op 18 juni 2026.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat de feiten 1 tot en met 4 kunnen worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde diefstallen. Op de camerabeelden is iemand te zien die lijkt op verdachte, maar dat is onvoldoende om een herkenning op te baseren. Het onder 4 tenlastegelegde kan worden bewezen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 2 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De persoon die deze diefstal zou hebben gepleegd is vastgelegd op camerabeeld. Het camerabeeld zelf is onvoldoende duidelijk om tot een eenduidige herkenning te kunnen komen. Verder zijn de daarvan af te leiden uiterlijke kenmerken van de persoon in beeld onvoldoende onderscheidend, en het tijdsverloop van bijna drie weken te lang, om te kunnen concluderen dat dit dezelfde persoon is als de persoon die te zien is op de beelden van 2 oktober 2025 en die door de politie wordt herkend als verdachte. Nu dit verder in onvoldoende mate wordt ondersteund door overige feiten en omstandigheden, biedt het dossier onvoldoende bewijs.

3.3.2.

Oordeel over het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde bewezen. De kwaliteit van de still waarop de herkenning is gebaseerd is voldoende duidelijk. Daarop zijn voldoende onderscheidende persoonskenmerken te zien waaraan de verbalisant verdachte herkent, namelijk het gelaat, de ogen, de wangen en de mond van de betreffende persoon. De herkenning is betrouwbaar, nu deze is opgemaakt door een verbalisant die verdachte in het verleden meerdere malen heeft staande gehouden en gecontroleerd.

Ook acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde bewezen op basis van de beschrijvingen van de camerabeelden en de aangifte. Daaruit blijkt dat de woning van [naam] direct naast hotel [hotel] ligt, en dat de diefstal bij [naam] relatief kort voor de diefstal bij hotel [hotel] (feit 3) is gepleegd. De diefstal bij [naam] is gepleegd door iemand die voldoet aan hetzelfde signalement als de persoon die is herkend op de camerabeelden van feit 3. Het signalement, het kleine tijdsverloop tussen de diefstallen en de aangrenzende locaties van de diefstallen zijn redengevend voor de vaststelling dat het om dezelfde persoon gaat.

Tot slot acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan. Omdat verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit kan op grond van artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte

Feit 1

omstreeks 1 oktober 2025 te Aalsmeer, meerdere goederen waaronder boormachines en zaagmachine die aan [naam] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feit 3

op 2 oktober 2025 te Aalsmeer, meerdere goederen waaronder een breekijzer en een geldkistje, die aan Hotel [hotel] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Feit 4

op 18 juni 2026 te Aalsmeer als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Schuldigverklaring zonder oplegging van straf

7.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1 tot en met 4 bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van voorarrest.

Verder heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke Maatregel Inrichting Stelselmatige Daders (hierna: ISD-maatregel) toe te wijzen.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om voor het onder 4 tenlastegelegde feit geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest.

Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel niet kan worden toegewezen in combinatie met het opleggen van een gevangenisstraf. Dat is in strijd met het beleid van het Openbaar Ministerie. De raadsman verzoekt daarom de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel af te wijzen. Mocht de rechtbank hier niet in meegaan dan verzoekt de raadsman de vordering deels toe te wijzen voor de duur van een jaar.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen beslissing is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal in een hotel en een diefstal met braak in een garage. Verdachte heeft zich ook begeven op Nederlands grondgebied terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Aldus heeft hij in Nederland verbleven terwijl de openbare orde zich daartegen verzet.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig recidiveert voor diefstallen en overtredingen van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Op 27 september 2024 heeft verdachte bovendien een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd gekregen voor de duur van 2 jaar, waarvan in onderhavige zaak de tenuitvoerlegging is gevorderd. Ondanks deze voorwaardelijke maatregel heeft dit verdachte er niet van weerhouden nieuwe misdrijven te plegen. Uit het reclasseringsrapport van 26 juni 2026 blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met toezicht en interventies het risico op recidive te verlagen, omdat verdachte onvoldoende binding heeft met Nederland en geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen. Verdachte heeft ook niet meegewerkt aan een (duurzame) verwijdering uit Nederland. De Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) heeft aangegeven dat verdachte uitzetbaar is. Vanuit DT&V zijn al zes vertrekprocedures opgestart, maar allen zonder resultaat. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij vrijwillig dan wel gedwongen wil vertrekken uit Nederland. Hij heeft zelf geen pogingen meer ondernomen, omdat hij geen familie meer heeft in [geboorteland] om naar terug te keren.

Geen straf

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de bewezenverklaarde feiten een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, zal de rechtbank aan verdachte geen straf opleggen. Dit komt voort uit het feit dat de rechtbank de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel ten uitvoer zal leggen. Zoals ook uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders) van het Openbaar Ministerie volgt, kan de ISD-maatregel gelet op zijn aard en doel niet tezamen met een gevangenisstraf worden opgelegd. Het enkele feit dat in deze zaak een voorwaardelijke ISD-maatregel ten uitvoer zal worden gelegd, maakt dat niet anders nu de uitwerking daarvan hetzelfde zal zijn. De toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging wordt hierna in rubriek 9 gemotiveerd.

Gelet op deze beslissing zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 2) vordert € 750,- aan vergoeding van materiële schade en € 750,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat verdachte wordt vrijgesproken voor feit 2.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 19 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/196539-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 27 september 2024 van de rechtbank Amsterdam. In dit vonnis is aan verdachte een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren opgelegd, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de vordering toe te wijzen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling te gelasten zoals is gevorderd door het Openbaar Ministerie. De rechtbank ziet geen reden om de maatregel voor een kortere tijd ten uitvoer te leggen dan de opgelegde twee jaar.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Ten aanzien van feit 3:

diefstal

Ten aanzien van feit 4:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt ten aanzien van de onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemde uitspraak van 27 september 2024 door de rechtbank Amsterdam opgelegde voorwaardelijke maatregel, namelijk een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mrs. H.B.W. Beekman en C. Groefsema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.L. Martens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.

[--]

[--] [--] [--] [--] [--] [--] [--]

[--] [--] [--] [--]

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »